Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6099

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
02-054717-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

6 WVW: verkeersongeval met dodelijk slachtoffer. Verdachte is door rood gereden. Taakstraf 120 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-054717-20

vonnis van de meervoudige kamer van 8 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres]

raadsvrouw S.A.A.P. van Hees, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Smid, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

verdachte door rood licht is gereden en een verkeersongeval heeft veroorzaakt, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Verdachte is op een recht doorgaande weg, zonder enige belemmering en goed zicht, door een rood stoplicht gereden dat op dat moment al ruim vijf seconden rood licht uitstraalde.. Nu op grond van de VOA (Verkeers Ongevallen Analyse) niet is vast komen te staan dat verdachte is opgejaagd door een bumperklever komt hem geen beroep toe op verontschuldigbare overmacht. Onder deze omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat er sprake was van een aanmerkelijke mate van onoplettendheid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte enkel kan worden verweten dat hij door rood licht is gereden. Dit kan een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet opleveren, maar kan maximaal als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag worden aangemerkt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat

verdachte op 14 april 2019 over de Turnhoutsebaan te Goirle in zijn Audi Q2 reed en uit de richting van Tilburg in de richting van Poppel reed. De bestuurster van een brommobiel (Microcar) kwam uit de richting van Riel en ging in de richting van Goirle-Noord. Op het midden van de kruising kwamen beide voertuigen in botsing met elkaar. De bestuurster van het brommobiel, [slachtoffer] , werd uit het voertuig geslingerd en is enkele dagen later op 18 april 2019 aan haar verwondingen overleden in het ziekenhuis.

Verdachte heeft volgens het proces-verbaal onderzoek verkeersdelict de stopstreep van het verkeerslicht gepasseerd terwijl deze minimaal 5,5 seconden in zijn richting rood licht uitstraalde. Hierover heeft hij verklaard dat hij was afgeleid omdat er langere tijd een auto dicht op hem reed, een zogenaamde bumper-klever, en dat hij daardoor meer zijn aandacht had bij wat er achter hem gebeurde en wel zodanig dat hij niet heeft gezien dat het stoplicht voor hem op rood stond en door rood is gereden.

Verweer ten aanzien van het bumperkleven

Naar aanleiding van het verweer van verdachte dat er heel dicht achter hem een auto reed die daarmee zeer aan het bumperkleven was waardoor hij werd afgeleid, is er onderzoek gedaan of er vlak voor het passeren van het stoplicht (op het moment van de botsing) achter de Audi een ander voertuig reed. Op grond van hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat dat niet het geval was. Immers, volgens het rapport passeerde de auto van verdachte de stopstreep om 15.17.54.0 uur en passeerde de eerstvolgende auto die achter verdachte reed, de stopstreep voor het stoplicht om 15.18.07.7 uur. Tussen deze twee passages zat dus 13,7 seconden. Ook is er onderzoek gedaan op basis van de voorliggende lussen (en niet alleen op basis van de detectielus bij de stopstreep) of er op het gedeelte van de rijweg voorafgaand aan het stoplicht en de kruising twee voertuigen dicht op elkaar hebben gereden. Dit is ook niet het geval geweest nu uit het proces-verbaal “aanvulling analyse van een verkeersdelict op basis van gegevens van de verkeersregelinstallatie” volgt dat de auto van verdachte 114 meter voor de stopstreep, uitgaande van een gereden snelheid van circa 84 kilometer per uur, werd gevolgd door een voertuig op 74,56 meter. Uit bovenvermelde gegevens kan niet worden geconcludeerd dat van bumperkleven kort voor of bij het passeren van de stopstreep sprake was.

Conclusie:

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich, door niet goed op de weg te letten en door rood te rijden, schuldig heeft gemaakt aan een overtreding in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet en dat hij dit in aanmerkelijke mate van onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft gedaan.

Te hard rijden

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel in de tenlastelegging daar waar dat ziet op het verwijt dat verdachte te hard heeft gereden. Volgens het forensisch onderzoek heeft verdachte ter plaatse gereden met een snelheid tussen de 79 en 84 kilometer per uur. Ook bij onderzoek aan de EDR van de auto is gebleken dat verdachte tijdens de botsing met een snelheid van 80 kilometer per uur reed.

Op de Turnhoutsebaan gold een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte te hard heeft gereden en dient vrijspraak voor dit onderdeel van de tenlastelegging te volgen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

op 14 april 2019 te Goirle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Turnhoutsebaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, niet, bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht te richten en gericht te houden op het voor hem, verdachte, dichtbijgelegen weggedeelte van die weg, en(daarbij)geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waardoor [slachtoffer] werd gedood;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een rijontzegging voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een taakstraf passend is, maar dat een onvoorwaardelijke rijontzegging niet passend is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn blanco strafblad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval door niet voortdurend op te letten op de weg voor hem en vervolgens door rood licht te rijden, waarna hij in botsing kwam met het voertuig van mevrouw [slachtoffer] , die als gevolg van dit verkeersongeval enige dagen later aan haar verwondingen is overleden. Door op deze wijze aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte zich op dat moment te weinig alert getoond tegenover de veiligheid van andere verkeersdeelnemers. Verdachte had het ongeluk kunnen en moeten voorkomen door geen verkeersovertreding te maken en zijn aandacht op de weg voor hem te houden. De rechtbank oordeelt dat het verkeersgedrag van verdachte valt binnen de minst zware categorie van schuld, die bij toepassing van artikel 6 van de Wegenverkeerswet wordt onderscheiden.

De naaste familie van mevrouw [slachtoffer] is hiermee veel leed en verdriet aangedaan, zoals ook bleek uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens de familie is voorgelezen. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat ook verdachte gebukt gaat onder het ongeval en de dood van het slachtoffer. Verdachte heeft zijn medeleven en spijt ook aan de nabestaanden betuigd en heeft ook aangegeven prijs te stellen op contact met hen, hetgeen de rechtbank oprecht overkwam.

Bij haar beslissing over de strafmodaliteit en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank ziet in deze zaak reden om van de eis van de officier van justitie af te wijken in het voordeel van verdachte. Daarbij spelen de persoonlijke omstandigheden van verdachte een rol. Verdachte heeft sinds het ongeval geen strafbare feiten gepleegd, heeft een blanco strafblad en het feit heeft enorme impact op hem gehad. De rechtbank acht daarom een taakstraf van 120 uur passend en geboden.

Ten aanzien van een onvoorwaardelijke rijontzegging acht de rechtbank van belang dat het ongeval anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat het rijbewijs van verdachte destijds niet ingevorderd is geweest. De rechtbank acht het niet opportuun dat nu alsnog te doen. Daarom zal de rechtbank de door de officier van justitie gevraagde rijontzegging in geheel voorwaardelijke zin opleggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 125.620,41 voor onderhavig feit.

De vordering benadeelde partij is opgebouwd uit een drietal hoofdposten, te weten materiële schade, immateriële schade in de vorm van affectieschade voor de zus van de overledene en de neven en nichten, alsmede een verzoek om proceskosten.

De materiële schade:

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank dat -voor toekenning van deze schade- in beginsel een rechtstreeks verband moet zijn tussen de schade en het strafbare feit.

De rechtbank constateert dat er vele posten zijn opgevoerd waarvan op dit moment niet kan worden vastgesteld of en in welke mate deze rechtstreeks verband houden met het strafbare feit. De behandeling van die posten levert een onevenredige belasting op van het strafproces. Dit geldt in beginsel niet voor de kosten van lijkbezorging en begrafeniskosten, waarvan vaststaat dat er een rechtstreeks verband bestaat. Nu vast staat dat er kosten zijn gemaakt van lijkbezorging en begrafeniskosten zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Zij schat de rechtstreekse schade op een bedrag van € 10.000,= en zij zal de materiele vordering tot dat bedrag toewijzen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De immateriële schade in de vorm van affectieschade:

Het vorderen van affectieschade voor naasten is sinds januari 2019 geregeld in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Onder deze naasten valt diegene die ten tijde van de gebeurtenis de partner was die een gezamenlijke huishouding voerde, de ouder van de overledene alsmede de kinderen van de overledene, degene die duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene had of voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg had, dan wel diegene die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat deze als naaste dient te worden aangemerkt.

Voor de nichten en neven van mevrouw [slachtoffer] geldt dat deze naar het oordeel van de rechtbank niet onder dit criterium van naasten vallen. Dat betekent dat de door hen ingediende vorderingen dienen te worden afgewezen.

Ten aanzien van de zus van de overledene overweegt de rechtbank dat thans onvoldoende is aangetoond dat zij duurzaam een huishouding met het slachtoffer heeft gevoerd dan wel dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband de zorg heeft gehad voor haar zus. De vraag of zij naar eisen van redelijkheid en billijkheid als naaste dient te worden aangemerkt, laat zich niet eenvoudig beantwoorden. Om die reden levert de behandeling van dit gedeelte van de vordering een onevenredige belasting op voor het strafproces en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit onderdeel van haar vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De proceskosten:

De rechtbank overweegt dat onder proceskosten wordt verstaan kosten die gemaakt zijn om de procedure te kunnen voeren. Hieronder vallen onder meer reis- en verblijfskosten ten behoeve van de zitting, onkosten van getuigen of deskundigen, kosten van uittreksels uit openbare registers en kosten van de advocaat. De in de vordering benadeelde partij onder proceskosten opgevoerde posten vallen niet onder proceskosten. Derhalve dient de vordering op dit punt te worden afgewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 10.000,= ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het materiële deel van de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- verklaart de benadeelde partij in het immateriële deel, voor zover dat ziet op de affectieschade van [slachtoffer] , voor het bedrag van € 17.500,= niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

-wijst de vordering ten aanzien van de overige immateriële schade en de gevorderde

proceskosten af.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , € 10.000,= te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 85 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. Dekker, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 december 2020.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 14 april 2019 te Goirle als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Turnhoutsebaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht te richten en/of gericht te houden op het voor hem, verdachte, (dichtbij) gelegen weggedeelte van die weg, en/of (daarbij)geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of te rijden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 april 2019 te Goirle als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Turnhoutsebaan, niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht heeft gericht en/of gericht gehouden op het voor hem, verdachte, (dichtbij) gelegen weggedeelte van die weg, en/of (daarbij)geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of heeft gereden met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft

gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II

De bewijsmiddelen

1. Het proces-verbaal aanrijding misdrijf, opgenomen op dossierpagina 5 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2019086240, inhoudend:

Op de plaats van het verkeersongeval werd (…) de noodzakelijke hulp verleend (…).

Datum: 14 april 2019

Omstreeks: 15:19 uur

Adres : Turnhoutsebaan

Plaats : Goirle

op de kruising met

Adres: Rillaerse-Baan

Plaats: Goirle (…)

Maximum snelheid: 80 km per uur (…)

Betrokken 1 (voertuig) Voertuig Personenauto [kenteken 1] , Audi Q2 (…)

Bestuurder:

[verdachte] (…)

Betrokken 2 (voertuig)

Voertuig Bromfiets [kenteken 2] Microcar M.go (…)

Bestuurster:

[slachtoffer] (…)

Kort na het ongeval is onderstaand persoon overleden (…) : [slachtoffer] .

2. Het verslag betreffende een niet-natuurlijk dood, ongenummerd bij het proces-verbaal als bijlage gevoegd, inhoudende:

Ondergetekende [naam 2] , lijkschouwer van de gemeente Tilburg verklaart (….)

Naam: [slachtoffer]

Voornamen: (voluit) [slachtoffer] (…)

Verklaart:

-het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

-verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood tengevolge van een natuurlijke oorzaak

is ingetreden, in verband waarmee hij de in artikel 14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gewaarschuwd.

Bijzonderheden: een [leeftijd slachtoffer] vrouw, bekend met MS en morbide obesitas, overlijdt 4

dagen na een aanrijding met persoonswagen ten gevolge van ernstige verwondingen.

3. Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict, opgenomen in het hiervoor genoemde eindproces-verbaal op pagina 12 e.v., inhoudende:

(…) Toedracht

Uit de door mij aangetroffen situatie, de sporen, de eindpositie van de voertuigen en de schade aan de voertuigen, kan de volgende vermoedelijke toedracht worden geconcludeerd:

De bestuurder van de Audi heeft gereden over de Turnhoutsebaan komende uit de noordelijke richting vanaf Tilburg en gaande in de zuidelijke richting van België. De bestuurster van de Microcar heeft gereden over de Rillaersebaan komende uit de westelijke

richting vanaf Riel en gaande in de oostelijke richting van Goirle.

De Audi was vervolgens met de voorzijde, tegen de linkerzijde van Microcar gebotst. Hierna is de Audi om zijn lengte as gedraaid en met zijn voorzijde gedraaid in de richting waar hij vandaan kwam (Tilburg) (…) De Microcar is door de botsing eveneens om zijn lengte as gedraaid om vervolgens met de achterzijde tegen een paal van de Verkeersregelinstallatie, welke in het midden van de rijbaan stond tot stilstand gekomen, hierbij is de bestuurster door de opengesprongen achterklep uit het voertuig

geslingerd en achter haar voertuig op de rijbaan terecht gekomen (…)

Oorzaak:

Ten aanzien van de door mij onderzochte hypothese mens stelde ik mede aan de hand van de berekeningen in het PV VRI van collega [naam 1] vast dat:

• De bestuurder van de Audi had gereden met een snelheid van minimaal 79 km/h en maximaal 84 km/h.

• De bestuurder van de Audi had was met zijn voertuig door het “rode” verkeerslicht gereden, terwijl dit 5,1 seconden rood licht uitstraalde;

• Bij dit onderzoek uit niets was gebleken, dat een ander dan de in dit proces-verbaal

genoemde betrokkenen, het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen

hebben (…)

Ten aanzien van de door mij onderzochte hypothese voertuig stelde ik vast dat:

• voor zover mogelijk, waarneembaar en gerelateerd aan dit ongeval, geen gebreken c.q.

omstandigheden aanwezig waren, die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden

kunnen hebben (…).

Ten aanzien van de door mij onderzochte hypothese omgeving stelde ik vast dat:

• ten aanzien van de weg, het wegdek, de ter plaatse geldende verkeersmaatregelen en de

wegbeheerder, geen omstandigheden aanwezig waren die het ongeval veroorzaakt of mede

veroorzaakt zouden kunnen hebben.

4. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 november 2020, inhoudend:

“Ik was afgeleid omdat er langere tijd een auto bumper kleefde. Ik keek daardoor naar achteren en heb niet gezien dat het stoplicht op rood stond en ben door rood gereden.”