Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:607

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
AWB 19 _ 2598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering van woonvoorziening voor jeugdige bij wie noodzaak bestaat tot scheiding tussen de onderwijssituatie en de woonsituatie in verband met zijn ontwikkelingsproces. Woningaanpassing voor jeugdige valt niet onder Jeugdwet. Onvoldoende onderzoek naar mogelijkheid voorziening op grond van WMO 2015. Ook onvoldoende onderzoek naar gevraagde voorziening voor huishoudelijke ondersteuning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2598 WMO15

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2020 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres, en [naam eiser 1] , eiser, wettelijk vertegenwoordigd door [naam eiseres] te [naam woonplaats] , hierna: eisers,

gemachtigde: mr. A.R. Wester,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, college, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 24 september 2018 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eisers om een woonvoorziening en om huishoudelijke ondersteuning afgewezen.

De commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Goirle (commissie) heeft op 18 maart 2019 geadviseerd om de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren.

In het besluit van 24 april 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 12 december 2019.

Hierbij waren aanwezig eiseres, de gemachtigde van eisers, en [naam gemachtigde] namens het college.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiseres ontvangt voor eiser, die geboren is op 24 april 2002, op grond van de Jeugdwet een persoonsgebonden budget (pgb) voor onder andere begeleiding. Hierover loopt een beroepszaak bij deze rechtbank (procedurenummer 17/7735 JW). Uit het pgb worden verschillende hulpverleners betaald, waaronder eiseres.

Eiser volgt onderwijs van het IVIO (Instituut voor individueel onderwijs). Dit gebeurt voornamelijk thuis.

Eiseres heeft zich met een brief van 24 juli 2018 bij het college gemeld om een woningaanpassing op grond van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan te vragen in verband met het thuisonderwijs van eiser. Ook heeft ze behoefte aan huishoudelijke ondersteuning.

Op 29 augustus 2018 heeft er tussen eiseres en twee klantmanagers zorg van de gemeente een keukentafelgesprek plaatsgevonden waarbij een integrale vraaganalyse heeft plaats gevonden, waarna een plan van aanpak is opgesteld.

In het primaire besluit heeft het college de aanvragen afgewezen. Een geschikte lesruimte valt niet onder de Wmo 2015 en evenmin onder de Jeugdwet, maar wordt beschouwd als een onderwijsvoorziening. De huishoudelijke ondersteuning is afgewezen omdat eiseres op grond van de Wmo 2015 niet als mantelzorger wordt aangemerkt.

2. Bestreden besluit

Het college heeft de bezwaren van eisers ongegrond verklaard onder verwijzing naar de pleitnotitie in bezwaar van het college en het advies van de commissie.

Het college overweegt in het bestreden besluit over de woningaanpassing dat eiser heeft gevraagd om een woningaanpassing in de vorm van een aparte onderwijsruimte omdat zijn behandelaars hebben geadviseerd meer scheiding aan te brengen tussen wonen en school. Volgens het college zijn scholen op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo) verantwoordelijk voor het bieden van lesruimte. De Jeugdwet is niet aan de orde omdat die wet niet ziet op het realiseren van lesruimte aan huis. De Wmo 2015 is evenmin aan de orde omdat de gevraagde woningaanpassing niet is gericht op een voor woonfuncties gerichte ruimte.

Het college overweegt over de huishoudelijke ondersteuning, dat eiseres stelt dat zij ten gevolge van de totale zorg voor haar zoon overbelast is geraakt en dat zij ten aanzien van het huishoudelijk werk als mantelzorger van eiser gezien moet worden. Volgens het college is voor de vraag of mantelzorgondersteuning verleend moet worden maatgevend of en de mate waarin overbelasting van degene die het huishouden verzorgt een gevolg is van verleende mantelzorg. Daarbij merkt het college op dat eiseres ervoor kiest om de betaalde zorg voor eiser zelf op basis van een pgb te verlenen. Bovendien zijn de (extra) huishoudelijke werkzaamheden die eiseres in het kader van gebruikelijke zorg (de rechtbank leest: hulp) verricht omdat eiser de werkzaamheden die van een jongen van zijn leeftijd verwacht kunnen worden niet verricht, gelet op het protocol gebruikelijke hulp niet van een omvang dat het aannemelijk is dat daardoor overbelasting ontstaat.

3. Beroepsgronden

3.1

Over de woningaanpassing

Eisers voeren in beroep over de woningaanpassing, samengevat, aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder onderzoek de aanvraag af te doen met een verwijzing naar de onderwijsinstellingen. Bovendien geeft het college een te beperkte uitleg aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Eiser volgt om medische redenen voor een groot deel van de onderwijstijd afstandsonderwijs via IVIO. Het afstandsonderwijs vindt plaats in de woonkamer aan de keukentafel. Volgens eisers behandelaars is echter een afzonderlijke ruimte vereist om de functies tussen onderwijs en wonen te scheiden ten behoeve van het bewerkstelligen van een gezond proces van individuatie en separatie bij eiser. Het doel van de woningaanpassing is dus het creëren van omstandigheden die bijdragen aan een zo optimaal mogelijke ontwikkeling van eiser naar volwassenheid, zelfredzaamheid (namelijk het leren functioneren zonder begeleiding van zijn moeder), re-integratie in het derde milieu en participatie. Het college heeft dus miskend dat het doel van de woningaanpassing niet alleen het creëren van een onderwijsruimte is. Het [naam onderwijsinstelling] in [naam woonplaats] heeft geen ruimte beschikbaar waar eiser met de nodige begeleiding afstandsonderwijs kan volgen. Andere ruimtes buitenshuis zijn evenmin geschikt. Daarom moet in de woning een afgescheiden ruimte voor eiser worden gecreëerd. Alleen de zolderverdieping is daarvoor geschikt, mits die wordt aangepast. Het college had dit moeten onderzoeken en zelf moeten overleggen met een schoolbestuur. Ook wanneer de woningaanpassing uitsluitend als onderwijsruimte bestemd zou zijn, staat de Wmo 2015 niet in de weg aan deze voorziening, omdat op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, onder f, van de Wmo 2015 het college ook het onderwerp onderwijs bij zijn onderzoek moet betrekken. Bovendien staat de Jeugdwet, die de best passende hulp aan de jeugdige moet bieden, er niet aan in de weg om hulp thuis, in de wijk of op school te bieden. Eisers vinden het onzorgvuldig dat het college de medische omstandigheden niet heeft mee laten wegen. Eisers beroepen zich ten slotte op de hardheidsclausule van artikel 9.2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Goirle 2018 (Verordening), omdat het niet verstrekken van de voorziening zal leiden tot verdere stagnatie in de ontwikkeling van eiser en tot een dreigende uithuisplaatsing/klinische opname. Dit is volgens zijn behandelaars niet wenselijk.

3.2

Over de huishoudelijke ondersteuning

Eiseres voert in beroep over de huishoudelijke ondersteuning, samengevat, aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door huishoudelijke ondersteuning te weigeren zonder hiernaar onderzoek te doen. Het gaat eiseres om ondersteuning voor de huishoudelijke werkzaamheden die eiser gelet op zijn leeftijd als gebruikelijke hulp zou moeten kunnen verrichten maar waartoe hij niet in staat is. Eiseres is er evenmin toe in staat omdat zij chronisch overbelast is en haar eigen medische problemen heeft. Zij is deels professioneel hulpverlener voor haar zoon. Eiser heeft 24 uur per dag ondersteuning en toezicht nodig. Eiseres zet waar mogelijk derden in om hem te helpen. De zorg die eiseres als moeder naast de professionele werkzaamheden aan eiser verleent, is veel meer dan de gebruikelijke zorg van een moeder voor een kind van 17. Het college miskent dus dat eiseres niet alleen overbelast is geraakt door de professionele zorg die zij verleent. Ook wanneer eiseres het volledige pgb zou benutten om uitsluitend derden voor eiser te laten zorgen, zou zij veel meer dan gebruikelijke zorg aan eiser moeten leveren. Omdat het zeer moeilijk is om goede zorgverleners voor eiser te krijgen, heeft eiseres nagenoeg geen andere keuze dan zelf ook een deel van de professionele zorg te leveren. Ook zou, wanneer eiseres buitenshuis gaat werken, de begeleiding individueel moeten toenemen. Het is onzorgvuldig dat het college aan dit alles voorbij gaat. Bovendien is één van de basisprincipes van de Wmo 2015 de vrije keus van cliënten om hun zorgbehoefte naar eigen inzicht in te vullen. Eisers kunnen daarom niet verplicht worden om het pgb op grond van de Jeugdwet te gebruiken voor de inschakeling van andere professionele zorgverleners dan eiseres. De motivering van het college dat eiseres de professionele zorg anders had moeten inrichten is daarom niet juist.

4. Wettelijk kader

De rechtbank verwijst voor het wettelijke kader dat van toepassing is naar de bijlage aan het slot van de uitspraak.

5. Oordeel van de rechtbank over de geweigerde woningaanpassing

5.1

In geschil is of het college op goede gronden in bezwaar de afwijzing van de aanvraag voor een woningaanpassing heeft gehandhaafd.

5.2

De rechtbank stelt vast, dat eiser kampt met meervoudige psychiatrische problematiek waardoor hij onder andere snel is afgeleid en overprikkeld raakt. Hij is voor het onderwijs grotendeels aangewezen op afstandsonderwijs. Het onderwijs dat hij niet op een reguliere school volgt, krijgt hij thuis in de woonkamer. Het wordt gegeven door het IVIO en eiser wordt daarbij begeleid door eiseres en andere professionals. Dit alles is tussen partijen niet in geschil.

5.3

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het eisers niet (alleen) gaat om een lesruimte, maar (vooral) om een scheiding in ruimtes ten behoeve van enerzijds de onderwijssituatie en anderzijds de thuissituatie die noodzakelijk wordt geacht in verband met eisers ontwikkeling van puber naar volwassene. Eisers hebben dit aangevoerd in bezwaar en daarbij diverse brieven van behandelaars overgelegd. De rechtbank citeert in dit verband de brief van de GGZ-Breburg Centrum Jeugd van 28 november 2017, waarin de behandelaar schrijft: “Insteek van de FFT is wat ons betreft met name bevorderen van een gezonde separatie-individuatie, en positieve interactie tussen [naam eiser 2] en anderen, bevorderen van zijn zelfredzaamheid en re-integratie in het derde milieu.” en: “Ook is het (…) belangrijk voor de ontwikkeling van [naam eiser 2] dat onderwijs en woonomgeving meer van elkaar gescheiden gaan worden. Concreet gezegd dat onderwijs niet meer in de woonkamer plaatsvindt maar in een aparte hiervoor bestemde ruimte al dan niet in huis. Doordat wonen en school nu grotendeels in dezelfde ruimte plaatsvinden lopen beide milieus, die eigenlijk gescheiden zouden moeten zijn, teveel door elkaar wat extra druk legt op [naam eiser 2] en moeder en hun relatie.” De behandelaar heeft in de brief van 1 juli 2018 het advies herhaald over de noodzaak van deze scheiding in ruimtes.

5.4

Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt, dat de Jeugdwet niet van toepassing is omdat gevraagd wordt om een woningaanpassing. De rechtbank wijst in dit verband op de tekst van artikel 1.1 van de Jeugdwet over wat wordt verstaan onder jeugdhulp, de artikelen 1.2 en 2.3 van die wet in samenhang met de tekst van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 waarin minderjarigen niet worden uitgesloten, alsook de reactie van de Staatssecretaris in de nadere memorie van antwoord bij de Wmo 2015 op kamervragen over het aantal loketten waarmee minderjarige gehandicapten te maken kunnen krijgen (EK 2013-2014, 33841, J, pagina 25): ''Minderjarige gehandicapten kunnen voor het gebruik van een rolstoel en overige hulpmiddelen alsook voor woningaanpassingen een beroep doen op de Wmo 2015. Voor ondersteuning en zorg die valt onder het begrip jeugdhulp doen zij een beroep op de Jeugdwet.

Dat de Jeugdwet niet van toepassing is op woningaanpassingen blijkt ook uit de nota van wijziging bij de Jeugdwet, over de wijziging van artikel 1.2, eerste lid, onder b, van die wet, in verband met de samenloop daarvan met de Wmo 2015. Hierin staat (TK 2015-2015, 33983, 7, pagina 17): “Artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b, van de Jeugdwet regelt een samenloop met de Wmo en de Jeugdwet, die bij de Wmo 2015 tot verwarrende overlap zou leiden. Onder de huidige formulering zouden ook woningaanpassingen en hulpmiddelen onder de Jeugdwet vallen, terwijl hier alleen de maatwerkvoorziening «begeleiding» (art. 1.1.1 Wmo 2015) is bedoeld.” Uit het voorgaande volgt dat jeugdigen voor woningaanpassingen een beroep kunnen doen op de Wmo 2015. De rechtbank gaat ervan uit dat met woningaanpassingen ook wordt gedoeld op andere maatwerkvoorzieningen ten behoeve van het wonen, zoals bijvoorbeeld een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten wanneer een verhuizing aan de orde zou zijn. Ook die vallen als het om jeugdigen gaat onder de Wmo 2015.

5.5

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de Wmo 2015 van toepassing kan zijn op de gevraagde woonvoorziening voor eiser (mede) ten behoeve van het onderwijs gezien het voor hem noodzakelijke proces van separatie en individuatie.

De rechtbank overweegt dat in artikel 1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. Onder participatie wordt in artikel 1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 verstaan: het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

Ook in de Jeugdwet komt de term ‘deelname aan het maatschappelijke verkeer’ voor. In de memorie van toelichting bij artikel 2.3 van de Jeugdwet is nader toegelicht wat onder deelnemen aan het maatschappelijk verkeer moet worden verstaan (TK, 2012-2013, 33684, nr. 3, pagina 114): “Met de woorden ‘deelnemen aan het maatschappelijk verkeer’ wordt niet alleen gedoeld op de mogelijkheden van de jeugdige om actief betrokken te zijn bij de maatschappij, maar ook op hoe hij zelf zijn steentje bij kan dragen aan de maatschappij, mee kan denken en mee kan doen, mogelijkheden heeft voor het beoefenen van sport en cultuur en voorbereid is op zijn toekomst door het behalen van een diploma, het vinden van werk en het zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.” Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat jeugdhulp ook kan zien op voorzieningen die de jeugdige in staat stellen om een diploma te behalen.

De rechtbank is van oordeel dat deze toelichting in specifieke gevallen ook relevant kan zijn voor de Wmo 2015, omdat, zoals hiervoor is overwogen, woonvoorzieningen voor jeugdigen volgens de wetgever (alleen) onder de Wmo 2015 vallen. Het begrip ‘deelnemen aan het maatschappelijk verkeer’ in de Wmo 2015 kan voor jeugdigen aldus mede worden uitgelegd op de manier waarop het in de memorie van toelichting bij artikel 2.3 van de Jeugdwet is toegelicht. Een voorziening gericht op de door de behandelaars van eiser noodzakelijk geachte scheiding tussen het onderwijs en het wonen, stelt eiser in staat om zich verder te ontwikkelen en een diploma te halen. Hieruit volgt dat de door eisers gevraagde woonvoorziening ten behoeve van het ontwikkelingsproces naar individuatie en separatie onder de Wmo 2015 kan vallen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de gevraagde voorziening op grond van de Wmo 2015 toewijsbaar is. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

5.6

De rechtbank zal het beroep over de woningaanpassing gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

Gelet op het nog te verrichten onderzoek kan de rechtbank niet de rechtsgevolgen in stand laten of zelf in de zaak voorzien. Het toepassen van een bestuurlijke lus is in dit geval geen doelmatige en efficiënte manier om de zaak af te doen, omdat niet duidelijk is wanneer het onderzoek dat het college moet verrichten kan worden afgerond. De rechtbank zal daarom het college opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, rekening houdend met deze uitspraak, waaronder het volgende.

5.7

Het college zal bij het nieuw te nemen besluit het stappenplan moeten volgen dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft uiteengezet in zijn uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819). Concreet betekent dit het volgende.

5.7.1

Het college moet, onder meer, de mogelijkheden van samenwerking met het onderwijs onderzoeken (artikel 2.3.2., vierde lid, onder f, van de Wmo 2015). Dit onderzoek heeft nog niet plaats gehad. Het college heeft enkel verwezen naar de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen op grond van de Wvo om te zorgen voor een lesruimte. Gelet op de onderzoeksverplichting van het college op grond van de Wmo 2015 kan het college zich hierin echter niet afwachtend opstellen. Overigens is in artikel 17b van de Wvo bepaald dat het bevoegd gezag van het onderwijs in overleg treedt met het college in het kader van de Wmo in geval van noodzakelijke onderwijsondersteuning.

Eiseres moet dan wel meewerken aan het vereiste onderzoek door het college, ook als het gaat om overleg door het college met het onderwijs. Eiseres heeft ter zitting verklaard daartoe bereid te zijn.

5.7.2

Als voor de beoordeling van de aanvraag het overleggen van (nadere) medische informatie noodzakelijk zou zijn, moet het college een arts inschakelen aan wie eiseres die informatie kan geven, zoals eiseres en het college in de procedure met nummer 17/7735 JW hebben afgesproken.

5.7.3

Voldoende aannemelijk is dat er voor eiser een scheiding moet worden gecreëerd tussen de onderwijssituatie en de woonsituatie. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Met welke oplossing eiser voldoende wordt gecompenseerd voor zijn beperkingen, is echter nog niet duidelijk. Dat moet worden onderzocht. Eisers behandelaar laat terecht de mogelijkheid open, dat de lesruimte buiten de eigen woning zal zijn. Niet uitgesloten is dat het college gedurende het onderzoek een school of andere instelling/locatie vindt om een voor eiser geschikte ruimte voor het onderwijs ter beschikking te stellen. In dit kader is ook van belang dat het college in artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening de resultaten van de maatschappelijke ondersteuning gericht op het wonen in een geschikt huis heeft uitgewerkt. Uitgangspunt is de goedkoopst adequate oplossing.

6. Oordeel van de rechtbank over de geweigerde huishoudelijke ondersteuning

6.1

In geschil is of het college op goede gronden in bezwaar de afwijzing van de aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning heeft gehandhaafd.

6.2

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet in staat is tot het verrichten van huishoudelijk werk.

De rechtbank begrijpt uit de beroepsgronden dat het eiseres gaat om ondersteuning voor de huishoudelijke werkzaamheden die eiser, gelet op zijn leeftijd, als gebruikelijke hulp zou moeten kunnen verrichten, maar waartoe hij niet in staat is.

6.3

Het college stelt zich allereerst op het standpunt dat eiseres wat betreft de huishoudelijke werkzaamheden niet als mantelzorger van eiser kan worden aangemerkt omdat zij ervoor kiest om op basis van het pgb zelf als professionele zorgverlener een deel van de betaalde zorg aan eiser te verlenen.

Dit standpunt is niet juist omdat het in strijd is met de vrijheid van eiseres om zelf te bepalen hoe zij de zorg op grond van de Jeugdwet voor eiser wil vormgeven en door wie zij deze zorg wil laten verlenen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 21 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT2790). Deze uitspraak is weliswaar gedaan in het kader van de Wmo zoals die gold tot 1 januari 2015, maar de rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentie ook onder de Wmo 2015 van toepassing is. Hieraan doet het beginsel van ‘eigen kracht’ dat in de Wmo is neergelegd niet af. Gelet hierop kan niet worden gezegd, dat eiseres haar hulpvraag met betrekking tot huishoudelijke werkzaamheden redelijkerwijs had kunnen voorzien, als bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening.

6.4

Het college heeft zich in het verweerschrift ook op het standpunt gesteld dat eiseres net als iedere andere professionele zorgverlener er zelf voor moet zorgen dat eventuele overbelasting wordt opgevangen en gecompenseerd.

Dit standpunt zou alleen juist kunnen zijn wanneer het pgb waaruit eiseres voor haar werkzaamheden wordt betaald bedoeld is voor huishoudelijke ondersteuning. Dat is echter niet het geval.

6.5

Het college stelt verder dat de huishoudelijke werkzaamheden die eiseres in het kader van gebruikelijke hulp verricht, gelet op het protocol gebruikelijke hulp niet van een omvang zijn dat het aannemelijk is dat daardoor overbelasting ontstaat. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegelicht, dat dit standpunt is gebaseerd op het verhaal van eiseres zelf en op het keukentafelgesprek. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt onvoldoende is gemotiveerd. Zo blijkt uit de beschikbare gegevens onvoldoende van de draaglast en de draagkracht van eiseres en evenmin welke huishoudelijke activiteiten zij van eiser overneemt en hoeveel tijd daarmee is gemoeid. Bovendien heeft eiseres in bezwaar een verklaring van haar huisarts van 9 januari 2017 ingediend waarin deze schrijft over chronische overbelasting bij eiseres. Daarbij komt dat aan dit standpunt geen onderzoek ten grondslag ligt waarin het stappenplan van de CRvB in de uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819) is gevolgd.

6.6

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit ook wat betreft de huishoudelijke ondersteuning op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit ook in zoverre vernietigen. Ook hiervoor geldt, dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak.

7. Griffierecht

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college van burgemeester en wethouders aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

8. Proceskosten

De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand in beroep te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat het primaire besluit niet is herroepen, wordt het college niet veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten in bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. S.A.M.L. van de Sande, leden, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

BIJLAGE: WETTELIJK KADER

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)

Art. 1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

- maatschappelijke ondersteuning:

2° ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

- maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1° ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2° ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

- participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

- mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

- woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

- zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college er zorg voor draagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang:

1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.

4. Het college onderzoekt:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.

5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.

7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 bepaalt:

1. Het college beslist op een aanvraag:

a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;

b. van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.

2. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.

3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

5. De maatwerkvoorziening is, voor zover daartoe aanleiding bestaat, afgestemd op:

a. de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt,

b. zorg en overige diensten als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,

c. jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet die de cliënt ontvangt of kan ontvangen,

d. onderwijs dat de cliënt volgt dan wel zou kunnen volgen,

e. betaalde werkzaamheden,

f. scholing die de cliënt volgt of kan volgen,

g. ondersteuning ingevolge de Participatiewet,

h. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.

6. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande.

7. Het zesde lid geldt niet voor verzekerden als bedoeld in artikel 11.1.1, derde lid, van de Wet langdurige zorg.