Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6059

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8626
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8626 WABO

uitspraak van 4 december 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam B.V. / eiseres] B.V. , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. D.H. Nas

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 23 september 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de volgens eiseres van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een logistieke ontwikkeling.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 november 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Hulshof , kantoorgenoot van mr. D.H. Nas en door [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.B. van Overdijk.

Overwegingen

1 Feiten

Op 4 februari 2020 heeft eiseres verzocht om een omgevingsvergunning voor het met toepassing van artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) afwijken van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” (hierna: de kruimelafwijking).

Blijkens de aanvraag betreft het een ontsluiting aan de zuidzijde van het perceel naar de Kempenbaan . Om die ontsluiting mogelijk te maken moet een stuk grond met de bestemming “Groen” doorsneden worden. Deze grond is in eigendom van de gemeente Tilburg.

Verweerder heeft de ontvangst van deze aanvraag op 18 februari 2020 bevestigd en heeft daarbij aangegeven dat voor het kunnen verlenen van de omgevingsvergunning de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) gevolgd zal worden.

Bij besluit van 5 augustus 2020 is, op aanvraag van eiseres van 26 november 2018, omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een - door partijen zogenoemd - klein distributiecentrum aan de [adres] te [plaatsnaam 2] . Eiseres geeft er echter de voorkeur aan om ter plaatse een groot distributiecentrum te realiseren en heeft daartoe op 13 augustus 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend.

Bij brief van 20 augustus 2020 heeft eiseres betoogd dat de omgevingsvergunning voor de gevraagde kruimelafwijking op 31 maart 2020 van rechtswege verleend is omdat de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden. Zij heeft verweerder verzocht om binnen twee weken bekend te maken dat de omgevingsvergunning van rechtswege verleend is, bij gebreke waarvan aanspraak zal worden gemaakt op de te verbeuren dwangsommen en beroep zal worden ingesteld.

Op 23 september 2020 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig bekendmaken dat de omgevingsvergunning van rechtswege verleend is.

2 Belanghebbende

Het stuk grond waar de aanvraag betrekking op heeft is in eigendom van de gemeente Tilburg. Hoewel de aanvraag dit niet vermeldt, blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de kruimelafwijking voor de logistieke ontwikkeling met name van belang is voor de realisatie van het grote distributiecentrum. Verweerder heeft aangegeven dat hij zich nog niet kan vinden in de plannen voor het grote distributiecentrum en dat voor de ontsluiting ervan meerdere scenario’s beschikbaar zijn. Volgens verweerder zijn de onderhandelingen met eiseres nog niet concreet genoeg om met zekerheid te zeggen dat het stuk grond met de groenbestemming aan eiseres verkocht zal gaan worden.

Zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717, wordt degene die verzoekt om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit is anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In het verlengde van deze jurisprudentie overweegt de rechtbank dat partijen nog steeds met elkaar in onderhandeling zijn, waardoor niet aannemelijk is dat de logistieke ontwikkeling niet kan worden verwezenlijkt. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres als belanghebbende bij haar aanvraag om de kruimelafwijking moet worden aangemerkt.

3 Kern geschil

Het geschil spitst zich in eerste instantie toe op de vraag of de grond met de bestemming “Groen” kan worden aangemerkt als het bij de (bestaande) bouwwerken aansluitende terrein, als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II bij het Bor.

4 Uitleg artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor

4.1

Artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II bij het Bor, bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

4.2

De nota van toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Staatsblad 2014, 333) vermeldt onder meer dat met het merendeel van de in dat besluit doorgevoerde aanpassingen de reikwijdte van artikel 4 op onderdelen wordt vergroot, zodat meer aanvragen om een omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure en daarmee dus sneller kunnen worden afgewikkeld. Voor gevallen die niet binnen de reikwijdte van artikel 4 vallen, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd. Globaal beschouwd is dat laatste het geval voor de bouw van een nieuw hoofdgebouw of het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie. Voor uitbreidingen van en gebruikswijzigingen binnen al bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende percelen geldt de hoofdlijn dat de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast.

Voorts vermeldt de nota dat in artikel 4, negende lid, verder enige redactionele aanpassingen zijn doorgevoerd teneinde toepassingsmogelijkheden van dit artikelonderdeel waarover in de praktijk misverstanden kunnen bestaan, te verduidelijken. Zo is in het artikelonderdeel expliciet tot uitdrukking gebracht dat onder de reikwijdte van het artikelonderdeel niet alleen valt het desbetreffende bouwwerk, maar ook het daarbij aansluitend terrein. Anders zou de ongerijmde situatie kunnen ontstaan dat een bouwwerk na de gebruikswijziging feitelijk onbruikbaar is, omdat het aansluitend terrein niet ten behoeve van het bouwwerk mag worden gebruikt, waardoor bijvoorbeeld de toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd. Met bovengenoemde wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat het aansluitend terrein onder de reikwijdte van het artikelonderdeel valt.

4.3

Eiseres heeft zich met een beroep op de uitspraak van de AbRS van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477 op het standpunt gesteld dat het begrip aansluitend terrein ruim geïnterpreteerd moet worden en daarom in dit geval dus ook de aangrenzende groenstrook omvat.

Volgens verweerder is er al een ontsluiting op de [adres] aan de noordoostzijde van het perceel binnen de geldende bestemming “Bedrijf” en daarom moet die zijde als bij het bedrijf aansluitend terrein beschouwd worden.

4.4

De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II van het Bor en de toelichting daarop, er geen misverstand over laten bestaan dat toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid voor aansluitend terrein alleen mogelijk is voor terrein dat aansluit bij bouwwerken. Het perceel waarop eiseres een - hetzij klein, hetzij groot - distributiecentrum wil vestigen ligt momenteel braak. Alle bestaande bebouwing is gesloopt. De aanvraag van 4 februari 2020 om toepassing van de kruimelafwijking vermeldt niet voor welk(e) bouwwerk(en) de logistieke ontwikkeling is beoogd. Bij de projectomschrijving heeft eiseres ingevuld dat het op dit moment enkel gaat om de aanvraag gebruikswijziging en dat de bouwkosten bij de omgevingsvergunning bouwen zullen worden opgegeven. De rechtbank stelt vast dat eiseres, bij het ontbreken van bouwwerken op het perceel en het ontbreken van een verwijzing naar toekomstige bouwwerken, heeft verzocht om toestemming voor het handelen in strijd met de geldende bestemming “Groen” zonder dat duidelijk is voor welk gebruik de toestemming is gevraagd. Dit is een wezenlijk verschil met het aansluitende terrein bij het hotel in de door eiseres genoemde uitspraak van 20 februari 2019. Eiseres heeft in feite verzocht om met artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II van het Bor een zelfstandige bestemmingswijziging mogelijk te maken. Dit gaat naar het oordeel van de rechtbank de reikwijdte van deze kruimelmogelijkheid te boven. Er moet, blijkens de tekst van dit artikellid, ten minste sprake zijn van een functionele samenhang tussen bouwwerken en van bij die bouwwerken aansluitend terrein.

In haar ingebrekestelling van 20 augustus 2020 heeft eiseres gesteld dat de kruimelafwijking is aangevraagd ten behoeve van de ontwikkeling van het grote distributiecentrum. De aanvraag voor het oprichten van dit grote distributiecentrum heeft eiseres pas op 13 augustus 2020 ingediend. Door het ontbreken van een verwijzing naar toekomstige bouwwerken in de aanvraag van 4 februari 2020, terwijl eiseres ter zitting heeft benadrukt dat geen sprake is van een aanvraag om omgevingsvergunning in twee fasen, kan niet gezegd worden dat er op 4 februari 2020 een functionele samenhang bestond tussen een toekomstig groot distributiecentrum en de groenstrook waar de aanvraag betrekking op heeft. Reeds hierom kan geen sprake zijn van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning krachtens artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II bij het Bor.

De rechtbank kan en zal daarom in het midden laten of de omstandigheid dat geen vergunning voor afwijkend gebruik van het bouwwerk nodig is aan toepasselijkheid van dit artikelonderdeel in de weg staat en of de groenstrook kan worden aangemerkt als aansluitend terrein als bedoeld in de kruimelafwijking indien de aanvraag onmiskenbaar betrekking zou hebben gehad op het ontsluiten van een groot distributiecentrum.

5 Toepasselijkheid artikel 4, achtste lid, van Bijlage II bij het Bor

5.1

Eiseres heeft subsidiair betoogd dat de gevraagde afwijking ook van rechtswege verleend kan zijn met artikel 4, aanhef en onder het achtste lid, van Bijlage II bij het Bor.

Hierin is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt: het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.

5.2

Eiseres heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:572 betoogd dat het met name gaat om de nadelige gevolgen voor omwonenden en gebruikers. Daarvan is geen sprake omdat het aantal verkeersbewegingen op de Kempenbaan niet toeneemt door realisatie van een distributiecentrum in vergelijking tot de planologisch reeds toegestane functies in het projectgebied, aldus eiseres.

5.3

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat toepassing van artikel 4, aanhef en onder het achtste lid, van Bijlage II bij het Bor niet mogelijk is omdat de groenvoorziening niet openbaar is. Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de door eiseres voorgestane wijziging van het gebruik significante gevolgen heeft voor omwonenden en weggebruikers.

5.4

De rechtbank overweegt dat de groenstrook, ter plaatse waar eiseres de nieuwe ontsluiting van haar perceel heeft geprojecteerd, is ingericht als groene berm. De rechtbank is daarom, met eiseres en anders dan verweerder, van oordeel dat de groenstrook openbaar toegankelijk is.

5.5

De rechtbank overweegt voorts, naar analogie van vorengenoemde uitspraak, dat voor de beantwoording van de vraag of de realisatie van een ontsluiting op de groenstrook als een niet-ingrijpende herinrichting kan worden aangemerkt, gekeken moet worden naar de ruimtelijke gevolgen van de benutting van de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden. Ingevolge artikel 5.1.1 van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen openlucht- en sportieve recreatie, recreatief medegebruik en evenementen, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen ten dienste van de verblijfsfunctie, fiets- en voetpaden, parkeer- en stallingsvoorzieningen en bouwwerken van openbaar nut. De door eiseres overgelegde Aerius-berekening is er van uitgegaan dat het kleine distributiecentrum dagelijks zal worden bereikt door ongeveer 122 vrachtwagens en ongeveer 366 personenauto’s. Het ligt in de rede om aan te nemen dat het aantal vrachtwagens dat een groot distributiecentrum zal bereiken beduidend hoger ligt. Omdat eiseres niet heeft aangegeven waar de kruimelafwijking voor bedoeld is, maar wel duidelijk heeft gemaakt dat zij bij voorkeur een groot distributiecentrum wil realiseren, dient naar het oordeel van de rechtbank ook met deze mogelijkheid rekening te worden gehouden. De impact van de gewenste gebruikswijziging op de omgeving is naar het oordeel van de rechtbank daarmee ook beduidend groter dan bijvoorbeeld de mogelijkheid om gronden met de bestemming “Groen” te gebruiken voor fiets- en voetpaden, parkeer- en stallingsvoorzieningen. Daar doet de ligging van het perceel, dat wordt geflankeerd door een drukke ontsluitingsweg, de Kempenbaan, niet aan af.

5.6

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gebruiken van de gronden met de bestemming “Groen” voor de door eiseres gewenste ontsluiting niet als een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied beschouwd kan worden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ook artikel 4, aanhef en onder het achtste lid, van Bijlage II bij het Bor geen grondslag biedt voor het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. Ook op deze grond kan dus geen sprake zijn van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.

6 Conclusie

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet in gebreke is gebleven bekend te maken dat van rechtswege omgevingsvergunning is gegeven. Eiseres zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep. Gelet hierop bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier op 4 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

P.H.M. Verdonschot, griffier G.M.J. Kok, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.