Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6036

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
AWB- 20_245
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/245 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser1] en [naam eiser2] ,

[naam eiser3] en [naam eiser4],

[naam eiser5] ,

[naam eiser6] en [naam eiser7] ,

[naam eiser8] en [naam eiser9] ,

[naam eiser10] en [naam eiser11] ,

allen te [plaatsnaam] , eisers

gemachtigde: mr. A.C.P.M. van Dun,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam bv] B.V., te [plaatsnaam] (vergunninghouder)

gemachtigde: mr. Ö. Aydogan.

Procesverloop

In het besluit van 17 juli 2019 (primaire besluit) heeft het college aan [naam bv] B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woongebouw met 19 appartementen op het perceel [adres] 256-01 tot en met 256-19 (voorheen [adres2] ) te [plaatsnaam] (hierna: het bouwplan).

In het besluit van 2 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 10 september 2020.

Hierbij waren aanwezig [naam eiser2] , [naam eiser1] , [naam eiser3] , [naam eiser4] , [naam eiser5] , [naam eiser10] en [naam eiser11] ,

eisers, hun gemachtigde, mr. J.M.B. van Overdijk namens het college en vergunninghouder [naam vertegenwoordiger] , bijgestaan door mr. Ö. Aydogan.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Ontvankelijkheid

1.1

De vergunninghouder is van mening dat eiseres [naam eiser5] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat zij woonachtig is op een afstand van 125 meter vanaf het bouwplan en geen direct zicht op het bouwplan heeft.

1.2

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan tegen een besluit bij de rechtbank beroep worden ingesteld door een belanghebbende. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit.

Om als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, eigen (persoonlijk, individualiseerbaar) en voldoende actueel belang. Bovendien is iemand belanghebbende bij een besluit als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit die de omgevingsvergunning toestaat. Geen belanghebbende is degene die geen gevolgen van enige betekenis ondervindt.

1.3

Eiseres [naam eiser5] woont aan de [adres] [huisnummer] te [plaatsnaam] . Zij vreest parkeeroverlast omdat het bouwplan niet voorziet in parkeergelegenheid op eigen terrein. De rechtbank constateert dat het college, omdat er niet kan worden geparkeerd op eigen terrein, heeft gekeken naar de parkeercapaciteit in de directe omgeving van het bouwplan in een straal van 250 meter. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseres [naam eiser5] daarom als belanghebbende te worden aangemerkt.

Overwegingen

2. Voor het realiseren van een appartementencomplex op het perceel [adres] 256-01 tot en met 256-19 ( [adres2] ; hierna: het perceel) heeft het college aan [naam bv] B.V. een omgevingsvergunning verleend. Op dit perceel was voorheen een elektronicawinkel gevestigd. Na de sloop van dat pand is in 2004 (eerste fase) en 2006 (tweede fase) een bouwvergunning voor het bouwen van een woongebouw met winkelruimte en twee ondergrondse parkeerlagen verleend aan de toenmalige eigenaar van het perceel, [naam perceeleigenaar] . Dit bouwplan is niet gerealiseerd.

Vergunninghouder is in 2016 eigenaar geworden van het perceel. De vergunning die hij aanvankelijk had verkregen voor een groter bouwplan met parkeergarage is naar aanleiding van bezwaren herroepen. Op 23 april 2019 heeft hij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een appartementencomplex op het perceel met 19 appartementen. De aangevraagde vergunning is bij besluit van 17 juli 2019 verleend. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. In geschil is de vraag of het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend.

4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1

Eisers voeren aan dat het bouwplan op meerdere punten in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen.

In de eerste plaats heeft het college volgens eisers ten aanzien van de vereiste buitenruimte onterecht gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 25.3.3, onder d, van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Eisers stellen dat zij onevenredig in hun belangen worden geschaad, omdat de bebouwing leidt tot inkijk op hun percelen en verminderde lichtinval. Bovendien is de binnentuin volgens hen niet van voldoende grootte.

5.2

Het college stelt zich op het standpunt dat het toepassen van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Op de begane grond is een gemeenschappelijke buitenruimte van 99,73 m², bestaande uit een toegangspad, een open ruimte met fietsenstalling, een middentuin en een achtertuin. De twee (binnen)tuinen hebben exclusief het toegangspad en de fietsenstalling een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 50,32 m². Op de binnentuinen valt gedurende de ochtend direct zonlicht. Het college is van mening dat de kwaliteit van de woonomgeving, bezien vanuit de belendende percelen, niet onevenredig wordt aangetast. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat het perceel zich bevindt in centrumstedelijk gebied, waar deze afstand van de bebouwing tot de naastgelegen woningen niet ongebruikelijk is. Er is volgens het college geen sprake van direct zicht vanuit de appartementen op de woningen en er bestaat bovendien geen recht op blijvend vrij uitzicht.

5.3

Artikel 25.3.1 van het bestemmingsplan schrijft voor dat bij het bouwplan een achtertuin van tenminste 5 meter diep aanwezig moet zijn. Het bouwplan voorziet hier niet in. Van voornoemd artikel kan op grond van artikel 25.3.3, onder d, van het bestemmingsplan worden afgeweken indien het plan voorziet in een gezamenlijke (binnen)tuin van voldoende grootte. De invulling hiervan is niet nader omschreven en valt onder de beleidsvrijheid van het college.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot binnenplanse afwijking gebruik gemaakt. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat de buitenruimte van voldoende grootte is voor de doelgroep van de appartementen (jonge, alleenstaande, hoogopgeleide mensen die in een centrumstedelijke omgeving willen wonen) en voldoet aan kwaliteitsnormen. Ook heeft het college voldoende gemotiveerd waarom de belangen van de bewoners van de direct naastgelegen woningen niet onevenredig worden geschaad. De rechtbank merkt daarbij op dat eisers in beroep bij de rechtbank niet kunnen opkomen voor de belangen van de toekomstige bewoners van het bouwplan of de directe buren van het bouwplan. Dat is bepaald in artikel 8:69a van de Awb (relativiteitsvereiste).

6.1

Eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 10.2.2, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’, omdat de voorgevel van het gebouw aan de [adres] breder is dan op grond van dat artikel maximaal is toegestaan. Volgens eisers is de stelling van het college dat het volledige braakliggende terrein als bouwvlak moet worden aangemerkt, onjuist. Subsidiair menen eisers dat gekeken moet worden naar de laatst verleende omgevingsvergunning. Volgens eisers betreft dat de vergunning waarmee destijds de elektronicawinkel is vergund, omdat in hun visie de gehele vergunning uit 2004 en 2006 is ingetrokken.

6.2

Het college stelt zich op het standpunt dat gekeken moet worden naar wat op het moment van vaststellen van het bestemmingsplan is vergund, los van de vraag of de vergunde bouwplannen daadwerkelijk gerealiseerd zijn. De vergunde planologische mogelijkheden dienen te worden gerespecteerd. Subsidiair is het college van mening dat uitsluitend de verleende bouwvergunning tweede fase (uit 2006) is ingetrokken. De maximale breedte van het hoofdgebouw bedraagt in dat geval nog steeds de breedte zoals deze is opgenomen in de laatst verleende vergunning, zijnde de op 3 mei 2004 verleende bouwvergunning eerste fase.

6.3

Op grond van artikel 10.2.2, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan bedraagt de breedte van het bouwvlak maximaal 6,5 meter, tenzij ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan het bouwperceel reeds breder is dan 6,5 meter. In dat geval bedraagt de maximale breedte van het hoofdgebouw, de breedte zoals deze is opgenomen in de laatst verleende (omgevings)vergunning.

Volgens het bouwplan is het gebouw breder dan 6,5 meter, namelijk 16,5 meter aan de zijde van [adres2] en 22,05 meter aan de zijde van de [adres] , waar de ingang van het gebouw gesitueerd zal worden. Blijkens de kaart op www.ruimtelijkeplannen.nl beslaat het bouwvlak het gehele bouwperceel. Dit bouwperceel is breder dan 6,5 meter. Gelet op het hiervoor genoemde artikel van het bestemmingsplan moet voor het bepalen van de maximale breedte van het gebouw gekeken worden naar de laatst verleende vergunning.

Voor het perceel is op 3 mei 2004 aan [naam perceeleigenaar] een bouwvergunning eerste fase verleend en op 17 maart 2006 een bouwvergunning tweede fase. Deze vergunning stond bebouwing van het gehele erf toe. Het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ is op 17 januari 2017 onherroepelijk geworden. Op 27 november 2018, dus ná de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, is de bouwvergunning tweede fase ingetrokken. Dit betekent dat deze vergunning wel gold ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingplan. Omdat met de bouwvergunning bebouwing van het gehele erf is toegestaan, mag het gebouw de volle breedte van het bouwvlak beslaan. De beantwoording van de vraag of uitsluitend de vergunning tweede fase (2006) dan wel de eerste (2004) en tweede fase (2006) op 27 november 2018 zijn ingetrokken kan dan ook in dit verband buiten beschouwing blijven.

7.1

Verder hebben eisers aangevoerd dat het college de aanvraag ten onrechte niet getoetst heeft aan het ontwerpbestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan2] ’. Hoewel dit ontwerpbestemmingsplan pas na de beslissing op bezwaar onherroepelijk is geworden, was het wel in procedure. In dit ontwerpbestemmingsplan zijn regels opgenomen om het bouwen van zeer kleine appartementen tegen te gaan. Ingevolge artikel 34.1 dienen appartementen een afmeting te hebben van minimaal 50 m², maar het bouwplan voldoet hier niet aan. Als een volledige belangenafweging had plaatsgevonden, had het college moeten besluiten om niet aan de gevraagde afwijkingen van het bestemmingsplan mee te werken.

7.2

Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag niet aan (artikel 34.1 van) het ontwerpbestemmingsplan getoetst hoefde te worden, omdat het geldende bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’ gestapeld wonen zonder meer toestaat.

7.3

Een aanvraag moet worden getoetst aan het bestemmingsplan dat geldt ten tijde van de aanvraag tenzij nadien een voor de aanvrager gunstiger regime in werking is getreden (zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW7352).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 april 2019. Op dat moment gold het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan2] ’ heeft vanaf 17 juni 2019 ter inzage gelegen en is op 17 december 2019 vastgesteld. Het bestreden besluit is op 2 december 2019 genomen.

De rechtbank is van oordeel dat het college het gegeven dat in de toekomst appartementen met een oppervlakte van minder dan 50 m² in beginsel niet meer zijn toegestaan, niet hoefde te betrekken bij de belangenafweging in het kader van gebruik te maken van de hiervoor besproken binnenplanse afwijkingsmogelijkheden van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’. Een belangenafweging mag immers niet zover gaan dat een aanvrager rechten verliest die hij ten tijde van de aanvraag wel had. De binnenplanse afwijkingsmogelijkheden zien bovendien niet op de grootte van de appartementen. De vraag naar de parkeerbehoefte kan tenslotte voldoende aan de orde komen bij de belangenafweging die het college moet maken in het kader van de vrijstelling die gevraagd is van artikel 4.1 van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan3] ’.

8.1

Eisers voeren ten slotte aan dat niet voldaan wordt aan de parkeernormen, omdat in het bouwplan in het geheel niet is voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. De stelling van het college dat het bouwplan niet hoeft te voorzien in parkeerruimte voor bezoekers, omdat het plan zich binnen de invloedssfeer van de openbare parkeergarage [naam parkeergarage] bevindt, is volgens eisers onjuist, omdat het plan is gelegen buiten een straal van 250 meter vanaf de garage. Bovendien heeft het college volgens eisers ten onrechte niet onderzocht of deze garage voldoende capaciteit heeft. In de rond het bouwplan liggende buurt zijn de parkeertarieven lager dan in de parkeergarage, zodat bezoekers niet in de [naam parkeergarage] zullen parkeren, maar in deze buurt is onvoldoende restcapaciteit om in de parkeerbehoefte te voorzien.

Verder voeren eisers aan dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat in de parkeerbehoefte voor bewoners niet op het eigen terrein hoeft te worden voorzien, maar in de omgeving kan worden opgevangen. Het college heeft onvoldoende onderzocht wat de structurele restcapaciteit in de omgeving is op verschillende momenten van de week. Het door het onafhankelijk bureau [naam bureau] Verkeersadviezen uitgevoerde onderzoek is onvoldoende representatief en hieruit is slechts de incidentele parkeerdruk af te leiden. Bovendien is geen rekening gehouden met de herinrichting van [adres2] als gevolg waarvan parkeerplaatsen zijn komen te vervallen. Volgens het college zijn 10 parkeerplaatsen komen te vervallen, maar volgens eisers betreft het 16 parkeerplaatsen. Verder is volgens eisers onduidelijk waarom het college de parkeerplaatsen aan [adres 3] eerst niet heeft meegenomen in de berekening van de parkeerdruk en de restcapaciteit, maar nu wel. Van een herindeling van de vergunningsgebieden was tijdens de berekening nog geen sprake. Door de herindeling zijn de bezettingscijfers inmiddels niet meer indicatief. Het college heeft nagelaten om in de bezwaarfase een nieuw onderzoek uit te voeren. In het rapport van [naam bureau] Verkeersadviezen is rekening gehouden met 26 parkeerplaatsen in [adres 3] , maar in werkelijkheid bevinden zich er slechts 8 parkeerplaatsen. Volgens eisers mogen bijzondere parkeerplaatsen niet worden meegenomen in de berekening, omdat deze plaatsen niet algemeen beschikbaar zijn en niet op voorhand vaststaat of toekomstige bewoners onder het specifieke parkeerdoel vallen. Evenmin kunnen laad- en losplaatsen en de plaatsen met oplaadpunten voor elektrische auto’s van het bedrijf [bedrijfsnaam] worden meegenomen. De nieuwe berekeningen waarnaar het college verwijst, zijn niet inzichtelijk gemaakt, zodat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd dan wel onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

8.2

Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan binnen de invloedssfeer van parkeergarage [naam parkeergarage] is gelegen. De afstand bedraagt circa 250 meter, namelijk 255-260 meter hemelsbreed. Gebleken is dat op het drukste moment voor bezoekers meer dan 400 plaatsen beschikbaar zijn en op werkochtenden zijn er gemiddeld 160 plaatsen vrij. Er is dus voldoende capaciteit in de directe omgeving van het bouwplan. Verder is het college van mening dat de parkeerdrukmeting van [naam bureau] Verkeersadviezen is uitgevoerd overeenkomstig het Handboek parkeren van het CROW (kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur) en voldoet aan de uitgangspunten van een representatief onderzoek. Als de herinrichting van [adres2] wordt meegenomen in de berekening, komt het college uit op een restcapaciteit van 15%. Bij de berekening in het rapport van [naam bureau] Verkeersadviezen is volgens het college het juiste aantal parkeerplaatsen in [adres 3] meegenomen. De laad- en losplaatsen moeten buiten beschouwing worden gelaten, maar dat geldt niet voor de parkeerplaatsen voor invaliden en laadplaatsen voor elektrische voertuigen. Bij een herberekening komt het college uit op een parkeerbezetting van 85%. Volgens het college zijn de deelauto’s van [bedrijfsnaam] bedoeld om individueel autogebruik, en daarmee ook de parkeervraag, terug te dringen. Laadplaatsen voor elektrische auto’s zullen op bestaande parkeerplaatsen gerealiseerd worden, zonder compensatie in de vorm van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen.

8.3.1

Ingevolge artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan3] ’ moet er in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig zijn.

Volgens het bouwplan zullen er 19 appartementen worden gebouwd. Vier appartementen hebben een afmeting van 35 m² tot 70 m² en 15 appartementen zijn kleiner dan 35 m².

Op grond van de nota ‘ [naam nota] ’ bedraagt de parkeernorm voor wooneenheden kleiner dan 35 m² 0,5 parkeerplaats per wooneenheid met een bezoekersaandeel van 0,2. Voor wooneenheden met een afmeting van 35 m² tot 70 m² bedraagt de parkeernorm 0,9 parkeerplaats per wooneenheid met een bezoekersaandeel van 0,3.

Er geldt een vrijstelling voor bezoekersparkeren indien een bouwplan is gelegen binnen de invloedssfeer van een openbare parkeergarage. Een bouwplan ligt ingevolge artikel 3.2.2 van de nota binnen de invloedssfeer van een openbare parkeergarage als het is gelegen in een straal van 250 meter rondom de parkeergarage.

In afbeelding 3 van de nota is de invloedssfeer van parkeergarages binnen het betreffende gebied op de kaart weergegeven met een straal van circa 250 meter. In paragraaf 4, onder e., sub II van de Beleidsregel Toepassing [naam nota] (als bijlage 4 gevoegd bij de nota) staat dat als richtlijn voor de invloedssfeer een straal van maximaal 250 meter rondom de openbare parkeergarage wordt gehanteerd.

Vastgesteld is dat het bouwplan is gelegen op een afstand van 255-260 meter van parkeergarage [naam parkeergarage] In tegenstelling tot het college is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan niet is gelegen binnen de invloedssfeer van de openbare parkeergarage. Immers, afbeelding 3 van de nota is niet zodanig gedetailleerd dat aan de hand hiervan de exacte afstand tussen het bouwplan en de parkeergarage kan worden vastgesteld. Vandaar dat de op de afbeelding weergegeven straal een afstand van circa 250 meter behelst. Uit de tekst van de beleidsregel blijkt expliciet dat de afstand maximaal 250 meter mag zijn. Aangezien de feitelijke afstand méér dan 250 meter is, namelijk 255-260 meter, is het bouwplan niet gelegen binnen de invloedssfeer van de openbare parkeergarage. Dit houdt in dat ook voor bezoekers voldoende parkeergelegenheid moet zijn.

De parkeereis bedraagt (inclusief bezoekers):

15 appartementen < 35 m² x 0,5 parkeerplaats = 7,5 parkeerplaatsen

4 appartementen 35 m² tot 70 m² x 0,9 parkeerplaats = 3,6 parkeerplaatsen

Totaal: 11,1 parkeerplaatsen, afgerond 11 parkeerplaatsen.

8.3.2

In het bouwplan is niet voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. De vergunning dient dan ook in beginsel te worden geweigerd. Indien op eigen terrein onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is, kan op grond van artikel 4.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan [naam bestemmingsplan3] ’ toch een vergunning worden verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota ‘ [naam nota] ’. Ingevolge artikel 3.1 van de nota moet er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit voor de parkeerbehoefte zijn. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk, inclusief de parkeerbehoefte van het bouwplan, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt verstaan: binnen een straal van 250 meter van het bouwplan. Van belang is dat hierbij niet alleen gekeken wordt naar de parkeerbehoefte van het bouwplan op verschillende momenten van de week, maar ook dat helder is wat de structurele beschikbare restcapaciteit in de omgeving is op de verschillende momenten van de week.

In opdracht van de vergunninghouder heeft het onafhankelijk bureau [naam bureau] Verkeersadviezen in januari 2019 een parkeeronderzoek verricht en hiervan op 6 februari 2019 een rapport uitgebracht. In oktober 2019 is nogmaals een parkeeronderzoek verricht en rapport uitgebracht. Bij het onderzoek dat in januari 2019 is uitgevoerd, zijn parkeerdrukmetingen verricht op acht verschillende momenten; op de drukste werkdagen van de week (dinsdagochtend, -middag en -avond, en donderdagavond), tijdens koopavond en op zaterdagmiddag en -avond en zondagmiddag. Verder is het onderzoek uitgevoerd in de directe omgeving van het bouwplan (binnen een straal van 250 meter), aangezien het onderzoeksgebied is afgebakend op een maximale loopafstand van 200 meter vanaf het bouwplan. Het onderzoek is verricht op een door het CROW voorgeschreven werkwijze. De rechtbank is met het college van oordeel dat voldaan is aan de uitgangspunten van een representatief onderzoek. Voor de berekening van de parkeerdruk mag van de resultaten van dit onderzoek worden uitgegaan.

8.3.3

[naam bureau] Verkeersadviezen heeft in de directe omgeving van het bouwplan 289 beschikbare parkeerplaatsen geteld. Het college heeft hierop in heroverweging een correctie aangebracht, omdat er ten tijde van het onderzoek nog geen definitief plan was voor de herinrichting van [adres2] en er daarom ook nog geen concreet zicht was op het verdwijnen van parkeerplaatsen. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het niet gaat om de vraag of de toekomstige bewoners en bezoekers van het bouwplan kunnen parkeren, maar om de vraag of door het bouwplan de parkeerdruk onder de 85% blijft. De bijzondere parkeerplaatsen zoals invalidenparkeerplaatsen en oplaadpunten voor elektrische auto’s tellen in dat geval mee, omdat deze door bewoners en bezoekers van het bouwplan gebruikt worden, mits ze voldoen aan de richtlijnen die ervoor gelden. Ook de vaste parkeerplaatsen voor deelauto’s van [bedrijfsnaam] tellen mee, omdat de parkeervraag door het gebruik van deelauto’s wordt teruggedrongen. De laad- en losplaatsen moeten niet meegerekend worden, omdat deze plaatsen nimmer door bewoners en bezoekers gebruikt kunnen worden. De rechtbank gaat mee in dit standpunt van het college.

Na deze correctie komt het aantal beschikbare parkeerplaatsen uit op 256. Het drukste moment is dinsdagavond (15 januari 2019) om 20:00 uur. Van de beschikbare plaatsen waren 211 plaatsen bezet. Inclusief de parkeerbehoefte van het bouwplan (11 plaatsen) is er een totale parkeerbehoefte van 211 + 11 = 222 plaatsen. De bezettingsgraad (222 plaatsen van de 256 beschikbare plaatsen) bedraagt 86,7%. Op het één na drukste moment, dinsdagavond (15 januari 2019) om 23:00 uur, waren 209 plaatsen bezet, waarvan 3 of 4 laad- en losplaatsen. Wanneer 4 laad- en losplaatsen niet en de parkeerbehoefte van het bouwplan (11 plaatsen) wel worden meegerekend, komt de parkeerbehoefte uit op

209 – 4 + 11 = 216 plaatsen. De bezettingsgraad (216 plaatsen van de 256 beschikbare plaatsen) bedraagt 84,4%.

Aantal beschikbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van het bouwplan, weergegeven in een tabel met een onderscheid naar straten/secties:

[naam bureau]

januari 2019

Na correctie

Dudokhof

Sectie 1-13

98 (incl. 2 elektr. oplaadplaatsen)

100 (2 extra plaatsen na herinrichting)

Ph. Vingboonsstraat Sectie 14-16

65

65

Gasthuisring

Sectie 17-20

19 (incl. 7 laad- en losplaatsen)

0 (na herinrichting)

Wilhelminapark Sectie 21

10

5 (na herinrichting)

Lange Nieuwstraat Sectie 22-31

58 (incl. 2 laad- en losplaatsen)

56 (excl. laad- en losplaatsen)

Burg. Brokxlaan Sectie 32-35

39 (incl. 9 laad- en losplaatsen, 2 invaliden, 2 elektr. oplaadplaatsen)

30 (excl. laad- en losplaatsen)

Totaal beschikbare parkeerplaatsen

289

256

8.3.4

Op grond van artikel 3.1 van de nota sprake is van voldoende restcapaciteit als de parkeerdruk in de directe omgeving van het bouwplan, inclusief de parkeerbehoefte van het bouwplan, onder de 85% blijft. Uit het voorgaande blijkt dat de parkeerdruk op het drukste moment van de week 86,7% bedraagt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er onvoldoende restcapaciteit in de directe omgeving van het bouwplan is om de parkeerbehoefte van het bouwplan op te vangen. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste afweging gemaakt en de omgevingsvergunning ten onrechte verleend. Het college heeft niet gemotiveerd waarom vrijstelling is verleend van artikel 4.1 van het bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan3] ’ in afwijking van de nota. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij de besluitvorming dient het college mee te nemen dat de vergunninghouder op de zitting heeft aangeboden om 12 parkeerplaatsen te huren in de nabijgelegen parkeergarage aan [adres 3] om te kunnen voorzien in parkeerbehoefte van het bouwplan. De rechtbank merkt op dat deze private oplossing uitkomst kan bieden, maar dat hiervoor op dit moment nog geen overeenkomst is opgesteld.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt het college op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw

besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 1 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is – voor zover van belang – bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (..),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (..).

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien:

(..)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (..) tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat in de hiervoor bedoelde gevallen de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c.

Artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, bepaalt – voor zover van belang – dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2. (..).

Bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan] ’

In artikel 1.37 van het bestemmingsplan wordt een bouwperceel gedefinieerd als een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

In artikel 1.39 van het bestemmingsplan wordt een bouwvlak gedefinieerd als een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 10.1.1, onder h., van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Gemengd – Lint’ aangewezen gronden bestemd voor wonen, gestapeld en grondgebonden woningen.

Ingevolge artikel 10.2.2 van het bestemmingsplan gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

  1. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

  2. (..);

  3. (..);

  4. het bebouwingspercentage mag 100% bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;

  5. de bouwdiepte van het bouwvlak bedraagt maximaal 12m, tenzij anders is weergegeven;

  6. de breedte van het bouwvlak bedraagt maximaal 6,5m, tenzij ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan het bouwperceel reeds breder is dan 6,5m. In dat geval bedraagt de maximale breedte van het hoofdgebouw, de breedte zoals deze is opgenomen in de laatst verleende (omgevings)vergunning;

  7. (..).

Ingevolge artikel 25.3.1 van het bestemmingsplan moet bij een woning - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van - gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5m.

Ingevolge artikel 25.3.3, onder d van het bestemmingsplan kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 25.3.1 indien het plan voorziet in een gezamenlijke (binnen)tuin van voldoende grootte;

Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan3] ’

Ingevolge artikel 4.1, onder a, van het bestemmingsplan mogen de gronden enkel worden bebouwd of gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is.

Ingevolge artikel 4.3, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 4.1 indien wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota ‘ [naam nota] ’.

(Ontwerp)bestemmingsplan ‘ [naam bestemmingsplan2] ’

In artikel 34.1, onder d, van het ontwerpbestemmingsplan is bepaald dat aan lid 6.6 (van artikel 6 Centrum-Lint) een nieuw sublid 6.6.4 wordt toegevoegd, luidend:

6.6.4 Binnenplans afwijken t.b.v. gestapelde woningen kleiner dan 50m² GBO

Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde onder sublid 6.1.1 onderdeel i. ten behoeve van gestapelde woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 50m2 GBO voor zover sprake is van een specifiek woonconcept dat bedoeld is voor het huisvesten van bijzondere doelgroepen zoals genoemd in Bijlage 2 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.