Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6004

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
AWB- 20_9013 VV en AWB- 20_9015
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering Drank- en Horecawetvergunning omdat er geen sprake is van een situatie waarin de aanvrager niet in enig opzicht van slecht levensbedrag is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/9013 HOREC VV en BRE 20/9015 HOREC

uitspraak van 2 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: J. Verweij,

en

de burgemeester van de gemeente Loon op Zand, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 oktober 2020 (bestreden besluit) waarbij de burgemeester zijn eerdere besluit tot weigering van een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet heeft gehandhaafd. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 november 2020.

Verzoeker is verschenen, samen met zijn partner [naam partner] en bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door P.N.E.E. Risamasu en S.A.M. Tolsma.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Verzoeker, geboren in 1989, heeft op 2 juli 2020 bij de burgemeester een aanvraag gedaan voor een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (DHW). Verzoeker heeft de vergunning aangevraagd in verband met de uitoefening van horecabedrijf “[naam horecabedrijf]” in het pand aan [adres horecabedrijf] te [plaats horecabedrijf].

Bij besluit van 11 augustus 2020 (primair besluit) heeft de burgemeester verzoekers aanvraag voor een DHW-vergunning afgewezen. De burgemeester heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste dat verzoeker als leidinggevende van het horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn.

Verzoeker heeft samen met [naam partner] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij hebben hun bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting op 21 september 2020.

Het bezwaar heeft niet geleid tot een ander standpunt van de burgemeester. Bij het bestreden besluit heeft hij de weigering van de DHW-vergunning gehandhaafd. De burgemeester heeft het bezwaar van [naam partner] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Spoedeisendheid

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende gebleken van een spoedeisend belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat, zoals verzoeker heeft toegelicht, er betalingsachterstanden zijn en dat één van de financiers van de overname van het hotel inmiddels een ingebrekestelling heeft uitgebracht. Exploitatie van het hotel zonder DHW-vergunning is niet mogelijk, omdat de burgemeester heeft aangekondigd dat een aanvraag om een exploitatievergunning waarschijnlijk zal worden afgewezen, omdat volgens de burgemeester ook daarvoor geldt dat er geen sprake mag zijn van slecht levensgedrag.

Uitspraak op het beroep

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Wet- en regelgeving

4. Artikel 3, eerste lid, van de DHW bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Onder horecabedrijf moet gelet op artikel 1, eerste lid, van de DWH worden verstaan de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.

Artikel 8, eerste lid, van de DHW bepaalt dat leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:

a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

c. zij mogen niet onder curatele staan.

Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a van de DHW bepaalt dat een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5.1

Ter beoordeling ligt het bestreden besluit voor. De burgemeester heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat in geval van verzoeker geen sprake is van een situatie dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is

De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij dit standpunt terughoudend dient te beoordelen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet toetst of zij in het concrete geval tot dit oordeel zou zijn gekomen. De voorzieningenrechter toetst of de burgemeester zich gelet op de feiten en omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

5.2

De burgemeester heeft zijn standpunt dat in geval van verzoeker geen sprake is van een situatie dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, in het primaire én het bestreden besluit gebaseerd op verzoekers antecedenten en op geregistreerde meldingen (mutaties) over verzoeker bij de politie. Het betreft:

  • -

    een strafbeschikking in 2018 van € 200,- wegens wederspannigheid,

  • -

    een melding in het politiesysteem uit 2017, betreffende een ruzie in huiselijke kring,

  • -

    een melding in het politiesysteem uit 2015, over het aantreffen van een auto met een kartonnen kentekenplaat,

  • -

    een veroordeling in 2014 tot een 85 uur taakstraf wegens overtreding van de Opiumwet ten aanzien van softdrugs,

  • -

    een veroordeling in 2006 tot 15 uur taakstaf wegens mishandeling.

De voorzieningenrechter merkt op dat voor zover de burgemeester in het verweerschrift heeft gewezen op andere mutaties, deze buiten beschouwing blijven, omdat, zoals de burgemeester ter zitting ook heeft bevestigd, deze blijkens de motivering van het bestreden besluit daaraan niet ten grondslag lagen.

5.3

De burgemeester heeft in het bestreden besluit naar voren gebracht dat omdat er bij of krachtens de DHW geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn, er geen beperkingen zijn gesteld aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. De burgemeester heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2017 (Afdeling, ECLI:NL:RVS:2017:2551). Er geldt volgens de burgemeester dan ook geen beperking in de tijd, in die zin dat ook de feiten die langer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden, in de beoordeling kunnen worden betrokken. Ook mag de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag feiten en omstandigheden betrekken die niet gerelateerd zijn aan de exploitatie van de inrichting. Tot slot geldt volgens de burgemeester dat de feiten en omstandigheden die hij mag meenemen in de beoordeling niet tot een strafrechtelijke veroordeling hoeven te hebben geleid. Dat verzoeker voldoet aan de eisen uit het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW (het Zedelijkheidsbesluit), betekent tot slot niet meteen dat er daarom sprake is van een situatie waarin verzoeker niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, omdat het Zedelijkheidsbesluit geen uitputtende regeling is, aldus de burgemeester.

5.4

Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester verzoekers aanvraag had moeten beoordelen op basis van het Zedelijkheidsbesluit, waarin er maar vijf jaar wordt teruggekeken.

In het Zedelijkheidsbesluit zijn in de artikelen 3 en 4 eisen opgenomen waaraan een leidinggevende moet voldoen. Daarbij wordt er teruggekeken over een periode van vijf jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker aan die eisen in de artikelen 3 en 4 voldoet.

Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de burgemeester zich daarom niet op het standpunt kon stellen dat in geval van verzoeker geen sprake is van een situatie dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Uit vaste rechtspraak volgt dat het Zedelijkheidsbesluit, en met name de artikelen 3 en 4, anders dan verzoeker heeft bepleit, geen nadere omschrijving vormen van de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW gestelde eis van "niet in enig opzicht van slecht levensgedrag". Met de opsomming van antecedenten in het Zedelijkheidsbesluit is niet beoogd beperkingen te stellen aan de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. De burgemeester hoefde de beoordeling dan ook niet te beperken tot de vraag of zich één van de situaties als in artikel 3 of 4 van het Zedelijkheidsbesluit voordeed. Integendeel, zoals de burgemeester terecht heeft opgemerkt zijn er geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden die de burgemeester bij de beoordeling van het levensbedrag mag betrekken. Een incident dat zich heeft voorgedaan mag in de beoordeling worden betrokken, ook als dat incident later is geseponeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1099). Er gelden ook geen beperkingen in de tijd, zodat de burgemeester ook oude feiten in de beoordeling mag betrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4277). Daarbij geldt wel dat de burgemeester heeft verklaard als vaste handelwijze eerst te beoordelen of er zich in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag incidenten hebben voorgedaan en pas als zich in die periode incidenten hebben voorgedaan, verder terug te kijken in het verleden.

5.5

Verzoeker heeft ter zitting ook onderschreven dat de beoordeling door de burgemeester niet beperkt is tot het Zedelijkheidsbesluit. In het licht van het Zedelijkheidsbesluit kunnen de antecedenten en meldingen die de burgemeester aan het besluit ten grondslag heeft gelegd volgens verzoeker echter niet de conclusie rechtvaardigen dat er in zijn geval geen sprake is van een situatie dat hij niet in enig opzicht van slecht levensbedrag is. Anders dan bijvoorbeeld in de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017 - waar het recente veroordelingen tot gevangenisstraffen wegens zware vergrijpen betrof - zijn de feiten in geval van verzoeker gedateerd en betreft het veel lichtere vergrijpen, deels begaan toen hij nog minderjarig was. Daar komt bij dat het feit uit 2018 volgens verzoeker te klein is, om op grond daarvan verder terug te mogen kijken.

De voorzieningenrechter overweegt dat het vereiste van goed levensgedrag tot doel heeft de beroepsuitoefening in de horeca in goede banen te leiden met het oog op een maatschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening. Met dit vereiste wordt tot uitdrukking gebracht dat aan leidinggevenden in de horeca een bijzondere verantwoordelijkheid toekomt aangezien zij stoffen verhandelen met een gevaarlijke werking. Er worden daarom hoge eisen gesteld aan leidinggevenden in de horeca.

Uit de justitiële documentatie van verzoeker volgt dat in 2018 aan verzoeker een strafbeschikking van € 200,- is opgelegd wegens wederspannigheid (het zich met geweld verzetten tegen een (politie)ambtenaar) op 20 maart 2018. Hoewel verzoeker ter zitting de toedracht heeft toegelicht, en de voorzieningenrechter wil aannemen dat de aanleiding voor verzoekers gedrag mogelijk meer nuancering verdient dan volgt uit de enkele vermelding op de justitiële documentatie, staat vast dat zich op 20 maart 2018 een incident heeft voorgedaan, waar verzoeker bij betrokken was, terwijl het zich met geweld verzetten tegen een politieambtenaar zich niet goed verhoudt tot de verantwoordelijkheid van een leidinggevende van een horecabedrijf. Daarnaast heeft het incident zich relatief recent voorgedaan. De burgemeester heeft daarin dan ook aanleiding kunnen zien om verder terug te kijken dan de termijn van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. Dat de strafbeschikking op 29 juli 2020 is geseponeerd maakt dat niet anders. Overigens is in 2017, en dus eveneens binnen de termijn van vijf jaar, door de politie ook een melding ontvangen van een ruzie in de huiselijke sfeer. Ondanks de stelling ter zitting dat de melding afkomstig was van een buurtbewoner die verzoeker dwars wilde zitten, is niet in geschil dat sprake was van een ruzie in huiselijke sfeer.

Doordat de burgemeester verder mocht terugkijken dan de termijn van vijf jaar, mocht hij ook de veroordeling wegens overtreding van de Opiumwet in 2014 en de veroordeling wegens mishandeling uit 2006 in de beoordeling betrekken. Hoewel verzoeker ten tijde van het feit uit 2006 minderjarig was, de strafrechter het vergrijp gelet op de zwaarte van de straf als relatief licht aanmerkte en er sindsdien geruime tijd is verstreken, staat daar tegenover dat verzoeker meer recent in 2014 is veroordeeld in verband met overtreding van de Opiumwet. Ook een dergelijke overtreding verhoudt zich niet goed tot de verantwoordelijkheid van een leidinggevende in de horeca. Dat, zoals verzoeker heeft toegelicht, hij een pakje voor een bekende in bewaring heeft genomen en hij niet verwachtte dat het pakje drugs zou bevatten, doet daar niets aan af.

5.6

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester zich gezien de aard en de hoeveelheid van de strafbare feiten in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie waarin verzoeker niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

De burgemeester heeft de DHW-vergunning naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht geweigerd.

Conclusie

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 2 december 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.