Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:6001

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
C/02/378560 / KG ZA 20-597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

eisers eigendom pad verkregen middels bevrijdende verjaring. Onrechtmatig handelen gedaagden door hen toegang tot pad te ontzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/378560 / KG ZA 20-597

Vonnis in kort geding van 1 december 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. T.A. Timmermans te Wageningen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 6 november 2011 met producties 1 t/m 8;

 de brief van mr. Van den Heuvel van 16 november 2020 met producties 9 t/m 31;

 de brief van mr. Timmermans van 13 november 2020 met producties 1 t/m 7;

 de mondelinge behandeling op 17 november 2020;

 de pleitnota van eisers;

 de pleitnota van gedaagden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Eisers vorderen als voorlopige voorziening, samengevat:

I gedaagden te bevelen het door hen afgebroken tuinscherm te herbouwen ter plaatse waar dat scherm zich bevond voordat het werd afgebroken, de door gedaagden opgebroken en afgevoerde bestrating terug te leggen in de toestand waarin die zich bevond voordat die werd opgebroken en afgevoerd en om de uitweg weer toegankelijk te maken voor eisers zodat zij daarover de [straat 2] kunnen bereiken en vice versa, zulks op verbeurte van een dwangsom;

II gedaagden te verbieden:

1) het tuinscherm en de bestrating, nadat zij die zullen hebben herbouwd c.q. terug hebben gelegd, wederom af- respectievelijk op te breken en af te voeren;

2) eisers nog op enigerlei wijze te hinderen in het gebruik van de uitweg, zulks op straffe van een dwangsom;

III te bepalen dat de sub 1 en II gevraagde voorzieningen zullen gelden totdat in een

bodemprocedure onherroepelijk anders zal zijn beslist;

IV eisers te machtigen om bij in gebreke zijn van gedaagden om te voldoen aan het gevraagde bevel, zélf op kosten van gedaagden het houten scherm weer op te bouwen waar het zich vóór 24 oktober 2020 bevond, de door gedaagden opgebroken en afgevoerde bestrating terug te leggen en de uitweg weer voor eisers toegankelijk en bruikbaar te maken;

V gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

2.2.

Gedaagden voeren verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat het navolgende vast:

 Eisers zijn sinds 12 juli 1985 eigenaar en bewoners van perceel met woning aan de [adres eisers] , kadastraal bekend als perceel sectie [perceel nummer 1] .

 Gedaagden zijn sinds 29 juni 2001 eigenaar van het daarnaast gelegen perceel met woning aan de [adres gedaagden] , kadastraal bekend als perceel [perceel nummer 2] . Partijen zijn buren van elkaar. Gedaagden hebben hier tot 2008 gewoond. Daarna hebben zij de woning verhuurd tot januari 2020. Zij wonen nu zij zelf weer in de woning.

 Het perceel van gedaagden is een hoekperceel. De woning ligt op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] .

 Tot omstreeks 24/25 oktober 2020 bevond zich aan de achterzijde van het kadastrale perceel van gedaagden over de gehele breedte van ongeveer 6,5 meter een bestrate strook grond met een breedte van ongeveer 1 meter (hierna: het pad). Eisers hebben dit pad altijd gebruikt als achteruitgang. Het pad komt uit op de [straat 2] . Aan de kant van de [straat 2] wordt het pad afgesloten door een poort. Het pad was van het erf van gedaagden afgescheiden door een betonnen schutting. Eisers hebben tegen deze betonnen schutting een houten schutting geplaatst.

 Ten aanzien van het pad is niet bij notariële akte een erfdienstbaarheid gevestigd ten behoeve van eisers.

 Bij brief van 24 oktober 2020 hebben gedaagden eisers bericht dat zij hen de toegang tot hun erf ontzeggen en dat zij op geen enkele wijze hun perceel mogen betreden, dus ook niet om daarover naar de [straat 2] te gaan.

 In het weekend van 24 en 25 oktober 2020 hebben gedaagden het houten scherm en de betonnen schutting afgebroken en hebben zij op het pad een zware, betonnen balk aan de binnenkant van de poort aan de [straat 2] tegen de poort geplaatst. Tevens hebben zij de toegang tot het pad vanaf het perceel van eisers afgesloten met betonnen platen.

 Enkele dagen daarna hebben gedaagden de zich op het pad bevindende bestrating opgebroken en afgevoerd en de grond waar het pad zich bevond bij hun tuin getrokken.

 Bij brieven van 27 oktober 2020 en 30 oktober 2020 zijn gedaagden door (de advocaat van) eisers gesommeerd de afgebroken schutting te herbouwen en het afgesloten pad weer toegankelijk te maken voor eisers. Gedaagden hebben niet aan die sommatie voldaan.

3.2.

Eisers stellen dat zij op grond van artikel 3:105 BW door bevrijdende verjaring de eigendom hebben verkregen van het pad, en dat gedaagden onrechtmatig handelen door hen de toegang daartoe te ontzeggen en de schermen en bestrating te verwijderen. Ter onderbouwing van hun beroep op verjaring voeren zij aan dat zij het pad altijd hebben gebruikt om van hun perceel naar de [straat 3] te gaan. Gedaagden hebben daar nooit bezwaar tegen gemaakt. Het pad was aan de zijde van hun perceel niet afgesloten. Zij hadden vanaf hun perceel vrije toegang tot het pad. Het pad is ook altijd volledig afgeschermd geweest van het perceel van gedaagden en werd door (de rechtsvoorgangers van) gedaagden ook niet gebruikt. Eisers zijn er altijd van uitgegaan dat het pad tot hun perceel behoorde. Zij hebben het pad ook onderhouden. Ter onderbouwing van het door hen gestelde jarenlange gebruik van het pad verwijzen zij naar de door hen als producties 15 t/m 27 overgelegde verklaringen van derden.

3.3.

Gedaagden voeren als verweer aan dat het pad op hun kadastrale perceel ligt en aan hen in eigendom toebehoort, zodat het hun vrij staat eisers de toegang tot en het gebruik van het pad te ontzeggen en de grond bij hun tuin te trekken. Gedaagden betwisten dat het pad gedurende meer dan 20 jaar door eisers is gebruikt. Van verkrijging van eigendom van het pad door verjaring is geen sprake. De situatie ten aanzien van het pad zoals deze was op 24/25 oktober 2020 is pas in 2002 ontstaan. Daarvoor werd er door eisers weliswaar ook gebruik gemaakt van het perceel van gedaagden om vanaf hun perceel naar de [straat 3] gaan, maar zij gebruikten daarvoor niet het pad maar een gedeelte van het perceel van gedaagden gelegen naast het pad. Het pad was op korte afstand van de perceelgrens met eisers afgesloten door middel van een muur. Het pad betrof zo een omsloten gedeelte van het perceel van gedaagden dat gebruikt werd voor glasopslag ten behoeve van het destijds op het perceel van gedaagden gevestigde schildersbedrijf. Dit gedeelte van het perceel was alleen toegankelijk via de poort aan de [straat 3] . De muur op het pad is door gedaagden in 2002 verwijderd, zodat eisers met instemming van gedaagden het pad konden gebruiken. Gedaagde hebben de bestaande betonnen schutting doorgetrokken tot aan de erfgrens met eisers, zodat het perceel van gedaagden volledig afgeschermd werd van het pad. Eisers wisten dat het pad in eigendom toebehoorde aan gedaagden, want zij hebben gedaagden verzocht de onderliggende grond aan hen te verkopen, aldus gedaagden.

3.4.

Voor de beantwoording van de vraag of eisers een beroep kunnen doen op bevrijdende verjaring, is van belang of de in oktober 2020 bestaande situatie pas in 2001/2002 is ontstaan, zoals gedaagden stellen, of al bestond op het moment dat de woning in 1985 aan eisers werd verkocht en geleverd, zoals eisers stellen. Ter onderbouwing van de door hen gestelde feitelijke situatie vóór 2002, verwijzen gedaagden naar de door hen als producties 3 en 4 overgelegde tekeningen. Deze zijn gemaakt in het kader van een verkennend bodemonderzoek op het perceel van gedaagden in juni 2001 in opdracht van de rechtsvoorganger van gedaagden, schildersbedrijf [naam rechtsvoorganger] , in verband met de voorgenomen eigendomsoverdracht. Op deze tekeningen is een stippellijn ingetekend op het pad en een stippellijn op de plaats waar de betonnen schutting stond. Daarbij staat op de tekening het woord ‘muur’. Gedaagden leiden daaruit af dat er op het pad een muur stond, dat de toegang tot het pad vanaf het perceel van eisers belemmerde.
Daar staat tegenover dat eisers tijdens de mondelinge behandeling een foto hebben getoond van het pad uit – blijkens datering op de achterzijde van de foto – februari 1999. De voorzieningenrechter stelt vast dat op die foto de door gedaagden gestelde muur niet te zien is. Dat betekent dat eisers in februari 1999 een onbelemmerde toegang hadden tot dit pad. Dit stemt overeen met de door eisers in het geding gebrachte verklaringen van derden, die hebben verklaard altijd over dit pad van en naar de [straat 3] te zijn gegaan. Daar komt bij dat tijdens de mondelinge behandeling door eisers een factuur uit 1997 is getoond met betrekking tot de aanleg van de bestrating van het pad, bestaande uit kasseien. Deze kasseien zijn te zien op voornoemde foto van februari 1999 en lopen over het gehele pad door tot aan het perceel van eisers.

3.5.

Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de situatie van het pad zoals deze was tot 24/25 oktober 2020 meer dan 20 jaar heeft bestaan, zodat de in artikel 3:306 BW genoemde verjaringstermijn is overschreden. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat daarmee het beroep van eisers op verjaring slaagt.

3.6.

De partijen verdeeldhoudende vraag of gedaagden eisers toestemming hebben gegeven voor de uitweg over hun perceel en de vraag of eisers wisten dat de grond niet aan hen in eigendom toebehoorde, kan daardoor in het midden blijven. Voor een beroep op bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW is goede trouw niet vereist.

3.7.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat gedaagden onrechtmatig jegens eisers hebben gehandeld door hun de toegang tot het pad te ontzeggen. De vordering eisers onbelemmerde toegang tot het pad te verschaffen zal dan ook worden toegewezen. Nu gedaagden niet kunnen worden veroordeeld om de door hen afgevoerde bestrating terug te leggen, zullen zij worden veroordeeld om het pad opnieuw te bestraten. Gedaagden zullen niet worden veroordeeld tot het terugplaatsen van de door hen verwijderde schermen. Deze schermen waren, naar de voorzieningenrechter begrijpt, tegen de betonnen schutting geplaatst. Deze betonnen schutting was geplaatst door (de rechtsvoorganger van) gedaagden en behoorde daarmee in eigendom toe aan gedaagden. Zij waren dan ook bevoegd deze te verwijderen. Van hen kan niet worden verlangd de extra kosten te dragen die gepaard gaan met een deugdelijke bevestiging van een houten schutting, te meer niet nu het plaatsen van een schutting niet bijdraagt aan een onbelemmerde toegang tot het pad.

3.8.

De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

3.9.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten als na te melden.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt gedaagden om binnen twee weken na betekening van het vonnis het pad over de volledige lengte en breedte te bestraten op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat gedaagden hier niet aan voldoen met een maximum van
€ 5.000,00 aan te verbeuren dwangsommen en machtigt eisers ingeval gedaagden niet aan deze veroordeling voldoen om het pad op kosten van gedaagden te bestraten;

4.2.

verbiedt gedaagden, nadat het pad opnieuw zal zijn bestraat, om de bestrating wederom te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat gedaagden hier niet aan voldoen met een maximum van € 5.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;

4.3.

veroordeelt gedaagden om eisers de vrije en onbelemmerde toegang te verlenen over het pad om vanaf het perceel van eisers over dat pad de [straat 2] te bereiken en omgekeerd, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat gedaagden hier niet aan voldoen met een maximum van € 10.000,00 aan te verbeuren dwangsommen;

4.4.

veroordeelt gedaagden in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisers gevallen en tot op heden begroot op € 1.736,89;

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.1

1 type: CK coll: