Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5910

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
AWB- 20_9180 VV + 20_9181
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang tot sluiten woning voor 3 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 20/9180 OPIUMW VV en BRE 20/9181 OPIUMW

uitspraak van 26 november 2020 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J.H.M. de Crom,

en

de burgemeester van de gemeente Waalwijk, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam derde partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester over de last onder bestuursdwang tot sluiting van een woning en schuur aan [adres] voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet (OW).

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 12 november 2020. Verzoeker was daarbij aanwezig met [naam X] en zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] . Derde partij is niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiser is, samen met zijn ex-echtgenote [naam derde partij] , eigenaar van het perceel aan [adres] (het perceel). Op het perceel zijn een woning en een aangrenzende schuur aanwezig.

Op 15 januari 2020 is het perceel bezocht door een toezichthouder van de gemeente en een medewerker van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant voor een controle op een verbouwing (asbest). Zij hebben de politie eenheid Zeeland-West-Brabant geïnformeerd dat er in de schuur op het perceel voorwerpen zijn aangetroffen die in hennepkwekerijen worden gebruikt. De politie heeft vervolgens het volgende aangetroffen:

- 2 tijdschakelaars ingesteld op 12 uur;

- diverse droognetten;

- 1 dompelpomp;

- 2 armaturen;

- 2 assimilatielampen van 600 watt;

- 2 transformatoren van 600 watt;

- 1 professionele elektronische knipmachine van het merk The Canna Cutter;

- 2 zwarte kweektenten;

- 2 flenzen;

- 2 flessen Bio Nova voedingsmiddelen van 1 liter;

- 2 buisventilatoren;

- 1 gripzakje;

- 2 rollen elektrakabels;

- 2 flenzen;

- 1 handmatige vernevelaar.

Daarnaast heeft de politie geconstateerd dat alle wanden en het plafond van de schuur waren voorzien van lichtkleurige isolerende platen. In het plafond zaten meerdere bevestigingshaken en restanten van purschuim. Ook zaten in het plafond twee grote ronde gaten. In de wand waar de loopdeur aanwezig was, zat een groot rond gat naar buiten. Volgens de politie kan de schuur snel weer in gebruik worden genomen als hennepkwekerij.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft de burgemeester aan verzoeker en aan zijn ex-echtgenote het voornemen kenbaar gemaakt om met toepassing van artikel 13b OW een last onder bestuursdwang op te leggen, waarbij hen zal worden gelast om de woning en de schuur te sluiten voor een periode van drie maanden.

Verzoeker heeft zijn zienswijze tegen dit voornemen kenbaar gemaakt.

Bij besluit van 9 april 2020 (het primaire besluit) heeft de burgemeester aan verzoeker en aan zijn ex-echtgenote een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van de woning en de schuur voor een periode van drie maanden met ingang van 14 mei 2020 om 10.00 uur.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (BRE 20/6419 OPIUMW VV). Hij heeft dit verzoek ingetrokken, nadat de burgemeester had aangegeven de sluiting op te schorten tot de maatregelen rondom de coronacrisis dit weer toe zouden laten.

In bezwaar heeft verzoeker primair aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd is om de sluiting van de woning te gelasten, omdat een gedeelte van de aanwezige goederen oude en reeds gebruikte hennepgoederen betrof, die niet meer ‘bestemd zijn tot’ het plegen van hennepgerelateerde delicten.

Op 7 juli 2020 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften van de gemeente Waalwijk (de commissie). De commissie heeft de burgemeester op 4 augustus 2020 geadviseerd het bezwaar van verzoeker op basis van de primaire bezwaargrond gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester dit advies van de commissie niet overgenomen. De burgemeester heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de last tot sluiting van de woning en schuur in stand gelaten. De sluitingsdatum is vastgesteld op donderdag 29 oktober 2020 om 10.00 uur.

De burgemeester heeft toegezegd dat met de uitvoering van het besluit zal worden gewacht tot één week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

2. Voorlopige voorziening en beroep

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

3. Wettelijk kader

De relevante wet- en regelgeving is, ten behoeve van de leesbaarheid, opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

4. Beroepsgronden

Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de bevoegdheid tot sluiting ontbreekt, omdat de bij hem in de schuur aangetroffen goederen simpelweg niet bestemd zijn tot het plegen van de in artikel 11a OW genoemde delicten. Primair stelt verzoeker dat de bestemming van de goederen niet meer actueel is en subsidiair dat deze goederen niet bestemd zijn om grootschalig dan wel bedrijfsmatig hennep te telen.

Volgens verzoeker zal de burgemeester moeten kunnen onderbouwen dat, gezien de door de politie geconstateerde feitelijke omstandigheden, voldoende aannemelijk is dat sprake is van een verboden voorbereidingshandeling. Om te beoordelen of de burgemeester bevoegd is op grond van artikel 13b OW ontkomt hij niet aan het bestuderen en interpreteren van de strafrechtelijke jurisprudentie op het gebied van artikel 11a OW, of sprake is van een voorwerp of een stof als bedoeld in dat artikel. Dat betekent dat voor de bevoegdheid tot sluiting aannemelijk moet zijn dat de bestemming van de aangetroffen voorwerpen nog actueel is. Verzoeker stelt dat niet vereist is dat de eigenaar van de spullen daadwerkelijk bezig was met het opruimen van de spullen. In dit kader verwijst verzoeker naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam1.

Verzoeker heeft uitgebreid en consistent verklaard over het eerdere gebruik van de aangetroffen spullen. Deze verklaring heeft hij onderbouwd met aangeleverde stukken, waaronder een getuigenverklaring van [naam X] . Daarnaast ondersteunt het feit dat alle goederen in een hoeveelheid van maximaal twee stuks zijn aangetroffen de verklaring van verzoeker. Omdat de bestemming van de voorwerpen niet actueel was, ontbreekt de bevoegdheid tot sluiting.

Subsidiair zijn de aangetroffen voorwerpen vanwege hun aard en/of functie niet geschikt voor bedrijfsmatige hennepteelt. Van belang hierbij is de mate van professionaliteit en de gerichtheid op het behalen van financiële winst. Alle goederen zijn aangetroffen in hoeveelheden van één of twee. Daarmee kan niet gezegd worden dat deze goederen bestemd waren voor bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij. Gelet op de aard van de voorwerpen en de aantallen waarin zij zijn aangetroffen, is het niet mogelijk om hiermee bedrijfsmatig te telen.

Ten slotte stelt verzoeker dat het bestreden besluit tot sluiting onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen doelen.

5. Beoordelingskader

5.1

De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet – gelezen in samenhang met artikel 11, derde en vijfde lid, artikel 11a en met artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet – bevoegd een pand te sluiten als daar voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn voor de grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de aangetroffen situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals de politie die heeft vastgesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stoffen, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit het opsporingsonderzoek blijkende feitelijkheden. Het gaat er om dat de aangetroffen situatie van dien aard is dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen.

5.2

De aangetroffen stoffen en voorwerpen moeten dus bestemd zijn voor de bedrijfsmatige of grootschalige hennepteelt. De beoordeling of sprake is van het bedrijfsmatig telen van hennep in de zin van artikel 11, derde lid, OW is volgens paragraaf 3.2.1. van de Aanwijzing Opiumwet afhankelijk van het aantal planten, de mate van professionaliteit en het doel van de teelt. Bij een hoeveelheid van vijf planten of minder wordt in beginsel aangenomen dat er geen sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Is er sprake van een grotere hoeveelheid planten, dan wordt dus al snel bedrijfsmatig handelen aangenomen.

5.3

De burgemeester moet, om tot sluiting over te mogen gaan, ook aannemelijk maken dat de betrokkene wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Het is daarbij niet nodig dat alle aangetroffen voorwerpen tegelijk geschikt zijn om een volledige beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten. Ook indien slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn om een bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, kan de burgemeester bevoegd zijn tot sluiting van het pand over te gaan, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn.

6. Bevoegdheid

6.1

Verzoeker heeft primair aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd is om de sluiting van de woning en de schuur te gelasten, omdat een gedeelte van de aanwezige goederen oude en reeds gebruikte hennepgoederen betrof, die niet meer bestemd zijn tot het plegen van hennepgerelateerde delicten. Verzoeker stelt dat er in 2014 een hennepkwekerij is ontdekt op zijn perceel en dat hij in 2018 korte tijd vijf planten heeft geteeld voor eigen gebruik, maar dat hij daarmee is gestopt.

In dat kader wijst verzoeker op (strafrechtelijke) jurisprudentie waaruit volgt dat voor een bewezenverklaring van artikel 11a OW vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is. Bestemming ziet op de toekomst, niet op het verleden. Dat betekent dat voor de kwalificatie vereist is dat die bestemming ten tijde van het tenlastegelegde nog actueel (toekomstgericht) is en dat de verdachte daarvan weet heeft.2

6.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich voor wat betreft de bevoegdheid op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangetroffen voorwerpen - nog steeds - bestemd zijn om delicten mee te plegen die zien op de bedrijfsmatige hennepteelt.

In het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de politie van 19 februari 2020 staat als verklaring van de verbalisant:

“Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hier goederen betrof voor gebruik bij bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt.

Ik ben sinds meerdere jaren taakaccenthouder hennep en ik heb in deze hoedanigheid reeds vele hennepkwekerijen ontruimd. Ik ben dan ook bekend met de goederen die in een hennepkwekerij gebruikt worden.”

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mag de burgemeester uitgaan van de juistheid van op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal3. Uit het proces-verbaal volgt eveneens dat in de schuur een hoeveelheid voorwerpen aanwezig was die gebruikt worden in een (bedrijfsmatige) hennepkwekerij en volgens de politie kon de schuur - naar de rechtbank begrijpt omdat de wanden en het plafond nog steeds voorzien waren van lichtkleurige isolerende platen, bevestigingshaken en ronde gaten om een afzuigsysteem op aan te sluiten - snel weer in gebruik worden genomen als hennepkwekerij.

Aan de door verzoeker aangehaalde strafrechtelijke jurisprudentie komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het bestuursrecht niet die betekenis toe die verzoeker daaraan gehecht wenst te zien. Anders dan in het strafrecht, gaat het hier niet om de kwalificatie of de bewezenverklaring van een strafbaar feit, maar om het ontstaan van de bevoegdheid van de burgemeester om handhavend op te treden. De bevoegdheid om een herstelmaatregel op te leggen teneinde de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van een pand te herstellen, opdat dit niet (opnieuw) wordt gebruikt ten behoeve van bedrijfsmatige hennepteelt. Dit zodat het betreffende pand niet langer een schakel is in de productie en distributie van drugs en er een signaal wordt afgegeven aan de omgeving dat het telen van drugs niet wordt geaccepteerd, maar dat daartegen wordt opgetreden. Dit andere toetsingskader leidt ertoe dat de beantwoording van de vraag of de bestemming van de voorwerpen nog actueel is, niet doorslaggevend is voor het ontstaan van de bevoegdheid van de burgemeester. Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat met name de bestemming van een professionele Cannacutter voor grote hoeveelheden hennep, zoals die is aangetroffen in de schuur van verzoeker, en een dusdanig grote ruimte met mogelijkheden om grootschalige afzuiging en ventilatie aan te leggen geen andere is (geworden) dan de bedrijfsmatige en/of grootschalige hennepteelt. Met name door de Cannacutter en de grootte van de ruimte is niet aannemelijk dat deze zien op het telen van maximaal 5 planten voor eigen gebruik.

Verder heeft de burgemeester ook overige feiten en omstandigheden bij zijn bevoegdheid betrokken, zoals het verleden van verzoeker. Verzoeker is tweemaal eerder in aanraking geweest met de politie vanwege het telen van softdrugs. Hij heeft in 2014 op hetzelfde adres een waarschuwing gekregen op grond van het Damoclesbeleid vanwege overtreding van artikel 13b OW.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester op grond van voornoemde feiten en omstandigheden kunnen concluderen dat de aangetroffen situatie van dien aard is dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verzoeker wist, of ernstige reden had om te vermoeden, dat de voorhanden voorwerpen bestemd waren voor het beroeps- of bedrijfsmatig of grootschalig opzetten van een hennepplantage. Dit betekent dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen tot sluiting van de schuur op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, OW.

7. Gebruik maken van de bevoegdheid

7.1

Vervolgens is de vraag of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Hierbij is van belang dat de burgemeester bij de uitoefening van zijn bevoegdheid over beleidsruimte beschikt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid met enige terughoudendheid moet toetsen.

7.2

De burgemeester heeft de beleidsruimte ingevuld met beleidsregels die zijn neergelegd in het Damoclesbeleid 2019 van de gemeente Waalwijk. De burgemeester heeft conform het beleid besloten om een sluiting voor de duur van drie maanden te gelasten. Dit beleid wordt door de voorzieningenrechter op zichzelf niet onredelijk geacht.

7.3

Dat de last tot sluiting voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met het Damoclesbeleid, betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

7.4

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning en schuur noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.

Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid zijn in ieder geval de ernst en de omvang van de overtreding van belang.

Volgens de jurisprudentie van de ABRvS dient bij een geringe overschrijding van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in een pand te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel zoals een waarschuwing kan worden volstaan dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aangewezen ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

Op het perceel van verzoeker is geen drugs aangetroffen. In dat geval dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden gekeken naar de hoeveelheid en aard van de aangetroffen voorwerpen. De noodzaak tot sluiting van een grootschalig, professioneel ingericht en in werking zijnd drugslaboratorium, waar net de voorraad drugs is opgehaald, zal groter zijn dan de noodzaak van sluiting van een schuur waarin enkele voorwerpen zijn aangetroffen die wellicht in de toekomst van pas zouden komen in een nog op te zetten hennepkwekerij. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat de ruimte in de schuur intact is gebleven (gaten voor afzuigingsapparatuur, bevestigingshaken en isolatie) na de ontdekking van de hennepkwekerij en -drogerij in 2014. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat er in 2014 in de woning van verzoeker een hennepkwekerij en -drogerij is aangetroffen, waarvoor hij op grond van het Damoclesbeleid een waarschuwing heeft gekregen. Daarnaast heeft verzoeker door het overleggen van facturen en een getuigenverklaring aannemelijk gemaakt dat een deel van de aangetroffen voorwerpen, waaronder de Cannacutter, zijn aangeschaft in 2018. Het zijn weinig voorwerpen, steeds in hoeveelheden van één of twee, waarbij - met uitzondering van de Cannacutter - onderdelen die heel typerend zijn voor hennepteelt, zoals bijvoorbeeld koolstoffilters, slakkenhuisventilatoren, potgrond e.d. ontbreken. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op het verhandelde ter zitting, geen aanleiding om aan te nemen dat er plannen waren om de schuur in de toekomst weer als hennepkwekerij in gebruik te nemen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester verder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sluiting van de woning en schuur noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde in de omgeving van de woning. Er zijn geen meldingen van loop of overlast. Van feitelijke handel vanuit de woning is niet gebleken. De woning vervult al jaren geen rol meer binnen de keten van drugshandel en er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat hier nog plannen voor waren. Als de openbare orde niet is geschaad, behoeft deze ook niet hersteld te worden. Daar komt bij dat de situatie in de schuur werd aangetroffen op 15 januari 2020, wat inmiddels ruim 10 maanden geleden is. Enkel tijdsverloop staat aan de gebruikmaking van de bevoegdheid inderdaad niet in de weg, maar de voorzieningenrechter laat dit tijdsverloop wel een rol spelen in de beoordeling van de noodzaak tot sluiting in het grotere geheel.

Alles overwegende is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een ‘ernstig geval’, waarvoor sluiting van de woning noodzakelijk zou zijn. De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid. Het beroep van verzoeker zal daarom gegrond worden verklaard.

8. Conclusie

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Daardoor bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

9. Griffierecht

Nu het beroep gegrond wordt verklaard en het treffen van een voorlopige voorziening daardoor niet nodig is, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening te vergoeden.

10. Proceskosten

De voorzieningenrechter zal de burgemeester veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.625,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 356,- (2 x € 178,-) aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.625,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 26 november 2020 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:84:

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5:21:

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende

( a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

( b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 8:81, eerste lid:

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:86, eerste lid:

1. Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Opiumwet

Artikel 3, aanhef en onder B:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

Artikel 11, derde en vijfde lid:

3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

Artikel 11a:

Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 13b, eerste lid en onder b:

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

1 Rechtbank Amsterdam 1 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8371.

2 Hoge Raad 13 maart 2018, ECLI:HR:2018:328, Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1481, Gerechtshof Amsterdam 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3999.

3 ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617.