Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5821

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
C/02/341357 / FA RK 18-770
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Omgang tussen kind en de ‘meemoeder’ die het kind heeft erkend en mede met het gezag is belast. Vaststelling begeleide zorgregeling onder regie van de GI. Alvorens de zorgregeling begint, moet de moeder statusvoorlichting geven over de meemoeder. Art. 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/30 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaak/rekestnr: C/02/341357 / FA RK 18-770

beschikking d.d. 6 november 2020

in de zaak van

[verzoekster] (hierna: [verzoekster] ),

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

tegen

[verweersters] (hierna: [verweersters] ),

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg.

Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt:

STICHTING INTERVENCE, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),

gevestigd te 4330 AB Middelburg, Postbus 62,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad.

1 Het procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het op 12 februari 2018 ingekomen verzoek tot vaststelling van een zorg- en contactregeling, met bijlagen;

- het op 17 april 2018 ingekomen verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 juli 2018;

- het op 9 april 2019 ontvangen rapport van de Raad;

- de op 12 augustus 2019 ontvangen gezinsrapportage van de GI;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 augustus 2019;

- de op 20 maart 2020 ontvangen brief van mr. Planthof;

- de op 6 april 2020 ontvangen brief van mr. Planthof;

- de op 16 april 2020 ontvangen brief van mr. Burlet;

- het op 30 september 2020 ontvangen nader verzoek houdende wijziging verzoek;

- de op 1 oktober 2020 ontvangen gezinsrapportage van de GI.

1.2

De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 6 oktober 2020. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordigster van de GI. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016 (hierna: [minderjarige] ).

2.2

[verzoekster] heeft [minderjarige] erkend.

2.3

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.4

[minderjarige] verblijft bij [verweersters] .

2.5

Bij beschikking van 9 mei 2019 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 mei 2019 en tot 9 september 2019. Bij beschikking van 28 juli 2020 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 9 augustus 2020 en tot 9 mei 2021.

2.6

[verzoekster] heeft de Belgische nationaliteit. [verweersters] heeft de Nederlandse nationaliteit.

3 Het geschil

3.1

[verzoekster] verzoekt, na wijziging van haar verzoek:

A. te bepalen dat de begeleide omgang tussen [minderjarige] en [verzoekster] binnen één maand na de in deze af te geven beschikking dient te worden opgestart, althans zodra hulpverlening beschikbaar is, dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht;

B. primair een zorg- en contactregeling vast te stellen betreffende [minderjarige] , inhoudende dat er:

  • -

    gedurende de eerste vier weken, na de start van begeleide omgang, wekelijks één uur per week begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] ;

  • -

    gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks twee uur per week begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [verzoekster] en [minderjarige] ;

  • -

    gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 12:00 uur tot 16:00 uur;

  • -

    gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur;

  • -

    gedurende de daarop volgende vier weken wekelijks onbegeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en [verzoekster] op zaterdag van 10:00 uur tot zondag 17:00 uur;

  • -

    gedurende de daaropvolgende weken één weekend per veertien dagen onbegeleide omgang zal plaatsvinden tussen de minderjarig en [verzoekster] , van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij het halen en brengen tussen partijen wordt verdeeld, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

Subsidiair een zodanige zorg- en contactregeling vast te stellen betreffende [minderjarige] als de rechtbank in goede justitie juist acht;

C. een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat [verweersters] [verzoekster] één keer per maand op de eerste van de maand middels e-mailbericht informeert over de ontwikkelingen en het welzijn van [minderjarige] , met concrete informatie en dat [verweersters] één keer per maand twee kleurenfoto’s van [minderjarige] aan [verzoekster] verstrekt waarop [minderjarige] duidelijk zichtbaar van de voorkant en van dichtbij te zien is.

3.2

[verweersters] voert verweer tegen de verzoeken van [verzoekster] en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

3.3

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.1

Ingevolge artikel 8 lid 1 van de verordening Brussel II-bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn of haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

4.1.2

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast.

4.2

De zaak is eerder mondeling behandeld op 3 juli 2018 en op 20 augustus 2019. Aanvankelijk was een nadere mondelinge behandeling gepland op 31 maart 2020. Vanwege de uitbraak van het Coronavirus heeft deze mondelinge behandeling geen doorgang kunnen vinden.

Op 3 juli 2018 is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en te rapporteren omtrent de vraag welke (on)mogelijkheden er zijn voor omgang tussen [verzoekster] en [minderjarige] en hoe een eventuele zorg- en contactregeling tussen [verzoekster] en [minderjarige] op optimale wijze vormgegeven kan worden, waarbij die zorgregeling niet in strijd mag zijn met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De Raad heeft in zijn rapport van 4 april 2019 gerapporteerd en aangegeven dat de Raad verzoekt om [minderjarige] onder toezicht tet stellen. De Raad heeft geadviseerd om het verzoek van [verzoekster] , om een tijdelijke zorg- en contactregeling vast te stellen, toe te kennen en de beslissing omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan te houden voor de duur van tien maanden in afwachting van de hulpverleningsresultaten. Tijdens de mondelinge behandeling op 20 augustus 2019 is afgesproken dat partijen zich zouden wenden tot Agathos hulpverlening om te starten met SCHIP-therapie om hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. [verweersters] zou onder begeleiding van haar psychologe starten met het geven van statusvoorlichting ten aanzien van [verzoekster] en haar halfbroer, hetgeen voor de vierde verjaardag van [minderjarige] geschied zou moeten zijn. Verder is afgesproken dat [verweersters] één keer per maand informatie met een foto van [minderjarige] stuurt naar [verzoekster] met een cc naar de gezinsmanager (de GI).

4.3

Zorgregeling

4.3.1

Ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – onder meer – omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

4.3.2

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] , sinds het uiteengaan van [verzoekster] en [verweersters] in 2016, geen contact met [verzoekster] heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] , als gezaghebbend ouder, in beginsel recht op contact met [minderjarige] . Niet is gebleken dat omgang in strijd zou zijn met de belangen van [minderjarige] . Anders dan [verweersters] is de rechtbank van oordeel dat het feit dat tussen [verzoekster] en [minderjarige] geen biologische band bestaat dit niet anders maakt. Dit geldt eveneens voor de door [verweersters] gestelde verstoorde verstandhouding tussen de beide moeders. Met de Raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat er (een vorm van) contact tussen [minderjarige] en [verzoekster] zal moeten komen.

4.3.3

Aangezien [minderjarige] [verzoekster] niet kent is het van belang dat, alvorens enig contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] kan plaatsvinden, zij statusvoorlichting zal krijgen ten aanzien van [verzoekster] . Tijdens de mondelinge behandeling van 20 augustus 2019 is daartoe reeds tussen [verweersters] en [verzoekster] de afspraak gemaakt dat [verweersters] onder begeleiding van haar psychologe zal starten met deze statusvoorlichting aan [minderjarige] , hetgeen voor haar vierde verjaardag dient te zijn geschied. Ook is afgesproken dat [verweersters] en [verzoekster] SCHIP-therapie zouden gaan volgen teneinde hun onderlinge verstandhouding en communicatie te verbeteren. Gebleken is dat beiden niet van de grond zijn gekomen. [verweersters] heeft nog geen statusvoorlichting aan [minderjarige] gegeven, naar eigen zeggen omdat haar psycholoog haar daarin niet kon begeleiden. Hulp bij het geven van statusvoorlichting is in het kader van de ondertoezichtstelling (nog) niet verder opgepakt. Daarnaast is de SCHIP-therapie van Agathos gestopt in verband met een gebrek aan medewerking vanuit partijen.

De GI heeft aangegeven dat er een nieuw hulpverleningstraject zal worden gestart, waarbij pendelbemiddeling door Schakelkracht zal worden ingezet. Hierbij hebben partijen geen direct contact met elkaar en kunnen zij vrijuit en in alle rust spreken met de bemiddelaar. Verder zal IPT in beide opvoedsituaties worden ingezet, die zich ook zal gaan richten op de statusvoorlichting door middel van Words & Pictures. Later in het traject is het de bedoeling dat er (begeleide) omgang tussen [verzoekster] en [minderjarige] gestart zal worden. De GI adviseert om deze trajecten af te wachten voordat de rechtbank overgaat tot vaststelling van een contactregeling.

4.3.4

Hoewel de rechtbank het van groot belang acht dat voornoemde hulpverleningstrajecten op korte termijn worden opgestart is zij, anders dan de GI , maar met de Raad, van oordeel dat de resultaten van die trajecten niet afgewacht moeten worden alvorens er wordt gestart met contactherstel tussen [verzoekster] en [minderjarige] .

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Er zijn inmiddels verschillende vormen van hulpverlening ingezet. Naast de hiervoor genoemde SCHIP-therapie, hebben partijen eerder ook een ouderschapsbemiddelingstraject bij Consensus gevolgd. Geen van de hulpverleningstrajecten heeft tot enig resultaat geleid.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds sprake is van een extreme weerstand bij [verweersters] tegen contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de voorgeschiedenis en die weerstand bij [verweersters] , de verwachting gerechtvaardigd dat het – ook met de inzet van een nieuwe vorm van hulpverlening – geruime tijd kan duren voor de weerstand bij [verweersters] zodanig vermindert dat zij emotionele toestemming kan geven voor contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] . Tussen [verzoekster] en [minderjarige] heeft al ruim vier jaren geen contact plaatsgevonden. [minderjarige] heeft inmiddels een leeftijd bereikt waarbij het van belang is dat zij weet waar ze vandaan komt, omdat zij hierover vragen zou gaan kunnen stellen, bijvoorbeeld omdat zij de achternaam van [verzoekster] draagt. De rechtbank is daarom van oordeel dat er zo snel mogelijk moet worden gestart met het geven van statusvoorlichting en – aansluitend daarop – ook met het vormgeven van een (begeleide) contactregeling tussen [verzoekster] en [minderjarige] . Als zij op de hoogte is van het bestaan van [verzoekster] en de (juridische) status en de rol die zij in het leven van [minderjarige] heeft, is van belang dat [minderjarige] zich ook daadwerkelijk een beeld van haar kan gaan vormen.

4.3.5

Voor wat betreft de statusvoorlichting overweegt de rechtbank als volgt. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452) volgt dat onder de verzorging en opvoeding ex artikel 1:247 lid 1 BW mede wordt verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2). Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen. Het belang van het kind kan – met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader – meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is.

4.3.6

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde uitspraak omtrent statusvoorlichting ook van toepassing is op het onderhavige geval. Hoewel [verzoekster] biologisch niet verwant is aan [minderjarige] , is zij wel haar juridische ouder en heeft zij in dat kader recht op omgang met [minderjarige] . Uit het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit voort dat een kind (zie onder meer EHRM 21 december 2010, 20578/07, NJ 2011/508 ) het recht heeft te weten van wie het afstamt. Dit is ook gewaarborgd in de artikelen 7 en 8 van het IVRK. Hoewel er in het onderhavige geval geen sprake is van bloedverwantschap tussen [minderjarige] en [verzoekster] , staat [minderjarige] door de erkenning door [verzoekster] wel in familierechtelijke betrekking tot haar en stamt zij juridisch gezien af van haar af. [verweersters] en [verzoekster] hebben er tijdens hun relatie samen voor gekozen [minderjarige] ter wereld te brengen met behulp van een donor (die ook de donor is van de zoon van [verzoekster] ) en hebben de eerste maanden van haar leven samen voor haar gezorgd. Daarnaast draagt [minderjarige] de achternaam van [verzoekster] en heeft [verzoekster] een zoon, die de halfbroer van [minderjarige] is.

4.3.7

Gelet op uitspraak van de Hoge Raad en toegepast op de onderhavige situatie kan de rechtbank, indien zij van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, bepalen dat [minderjarige] voorafgaand aan een moment van omgang met [verzoekster] statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouder(s) om te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.

4.3.8

De rechtbank is – zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen – van oordeel dat het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] zo snel mogelijk hersteld moet worden en is, mede gelet op het voorgaande, van oordeel dat er zo snel mogelijk op een laagdrempelige wijze statusvoorlichting gegeven moet worden aan [minderjarige] , die niet alleen ziet op de wijze waarop zij is verwekt, maar met name op de positie en status van [verzoekster] in haar leven als haar juridische moeder. Eerder is al de afspraak gemaakt dat [minderjarige] voor haar vierde levensjaar statusvoorlichting zou krijgen, maar dit is niet van de grond gekomen. Gebleken is dat [verweersters] worstelt met de wijze waarop zij deze statusvoorlichting kan geven. Mede gelet op hetgeen de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, is de rechtbank van oordeel dat de betrokken hulpverlening van IPT [verweersters] kan adviseren en ondersteunen bij het geven van deze statusvoorlichting. De rechtbank is van oordeel dat deze statusvoorlichting binnen vier weken na de datum van deze beschikking door [verweersters] aan [minderjarige] gegeven kan én moet zijn. De rechtbank zal daarom bepalen dat [verweersters] binnen vier weken na de datum van deze beschikking voorlichting aan [minderjarige] dient te geven over de positie en status van [verzoekster] , zulks onder begeleiding van de betrokken hulpverlening van IPT. Van de GI wordt verwacht dat zij – indien de statusvoorlichting niet van de grond komt – maatregelen treft die in het kader van de ondertoezichtstelling getroffen kunnen worden.

4.3.9

De rechtbank is van oordeel dat er na het geven van de statusvoorlichting (voorzichtige) stappen gezet moeten worden in het herstellen van het contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] . De rechtbank acht van belang dat [minderjarige] , zodra zij statusvoorlichting heeft gekregen, ook zo snel mogelijk een beeld kan vormen van [verzoekster] , haar andere moeder, door middel van begeleid contact. Uit het rapport van de Raad van 9 april 2019 volgt dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling doormaakt, dat het goed met haar gaat en dat zij voldoende draagkracht heeft om een zorgregeling met [verzoekster] aan te kunnen, mits dit in het tempo van [minderjarige] blijft en wat zij gezien haar leeftijd aan kan. De Raad heeft daarbij opgemerkt dat van groot belang is dat [minderjarige] van [verweersters] morele toestemming krijgt om een band op te bouwen met [verzoekster] . Het rapport van de Raad is inmiddels meer dan een jaar oud, maar tijdens de mondelinge behandeling zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen waaruit zou blijken dat [minderjarige] de door de Raad omschreven draagkracht nu niet meer zou hebben. Daarnaast heeft de Raad tijdens de mondelinge behandeling opnieuw geadviseerd dat er zo snel mogelijk statusvoorlichting aan [minderjarige] gegeven moet worden en dat vervolgens het contact tussen [minderjarige] en [verzoekster] opgebouwd moet worden, waarbij door de rechtbank uitdrukkelijk aangegeven zou moeten worden op welke regeling wordt gekoerst. De rechtbank volgt dit advies van de Raad in die zin dat zij zal bepalen dat in het kader van een voorlopige zorgregeling begeleid contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] zal zijn, maar dat de invulling daarvan (de wijze waarop het contact plaatsvindt, de frequentie en de duur van de contacten) aan de GI wordt overgelaten. De rechtbank is enerzijds van oordeel dat een zo concreet mogelijke beslissing van de rechtbank noodzakelijk is om [verweersters] te bewegen mee te werken aan dit contact, maar anderzijds ook dat er ruimte moet blijven om bij de opbouw van het contact – zoals door de Raad ook is geadviseerd – het tempo van [minderjarige] te volgen en te kunnen blijven monitoren wat zij aan kan.

4.3.10

Voor wat betreft de weerstand die [verweersters] laat zien tegen contact tussen [verzoekster] en [minderjarige] , en de mogelijke weerslag die dat zal hebben op [minderjarige] , overweegt de rechtbank als volgt. Mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de geruime tijd dat er geen contact is geweest tussen [verzoekster] en [minderjarige] , is de rechtbank van oordeel dat met het hervatten van het contact niet kan worden gewacht tot de weerstand bij [verweersters] voldoende is afgenomen. De afgelopen jaren is gebleken dat dit – ondanks de inzet van hulpverlening – niet is gebeurd en de rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een reëel risico dat dit binnen afzienbare termijn niet in dusdanige mate gaat gebeuren dat [verweersters] achter contactherstel tussen [verzoekster] en [minderjarige] kan staan. Dat zou betekenen dat [verzoekster] en [minderjarige] in de tussentijd verstoken blijven van contact met elkaar. Door het bepalen van een begeleide contactregeling wordt enerzijds tegemoet gekomen aan de zorgen van [verweersters] , en anderzijds aan het belang dat [minderjarige] en [verzoekster] hebben bij contactherstel. Door de GI de ruimte te geven om de wijze, frequentie en duur van de contactregeling in te vullen, kan zoveel mogelijk worden getracht om een balans te zoeken tussen enerzijds het belang van [minderjarige] bij het herstel en de opbouw van het contact met [verzoekster] , en anderzijds de spanningen die de contactregeling bij [verweersters] zullen oproepen en die mogelijk ook zijn weerslag op [minderjarige] zullen hebben. Het tempo van [minderjarige] en wat zij aan kan, dient daarbij bepalend te zijn. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de (extreme) weerstand bij [verweersters] ten opzichte van het starten van begeleid contact tussen [minderjarige] en [verzoekster] het opstarten van dit contact lastig zal maken, maar dat dit wel mogelijk moet zijn en ook in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank is van oordeel dat er door het vaststellen van een begeleide contactregeling onder regie van de GI dusdanige waarborgen in de regeling zijn opgenomen, dat de belangen van [minderjarige] voldoende gewaarborgd kunnen worden.

4.3.11

De rechtbank zal de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling aanhouden in afwachting van het verloop van de begeleide contactregeling en het verloop en de resultaten van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling tot 16 maart 2021 PRO FORMA. De rechtbank verzoekt de GI om de rechtbank uiterlijk op de hiervoor genoemde pro forma datum – onder gelijktijdige verstrekking aan partijen en de Raad – te berichten over het verloop en de resultaten van de hulpverlening en de begeleide omgang, alsmede kenbaar te maken of een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is of zal worden ingediend. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken. Indien een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt ingediend, kan dat verzoek mogelijk gelijktijdig met de onderhavige zaak op zitting worden gepland voor een (nadere) mondelinge behandeling.

4.4

Informatieregeling

4.4.1

Ingevolge artikel 1:253a, tweede lid, onder c BW kan de rechtbank een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, welke – onder meer – kan omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.

4.4.2

Tijdens de mondelinge behandeling van 20 augustus 2019 is afgesproken dat [verweersters] één keer in de maand informatie met een foto van [minderjarige] stuurt naar [verzoekster] met een cc naar de gezinsmanager. Uit de overgelegde stukken en de (nadere) mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoekster] deze informatie niet altijd ontvangt en dat [minderjarige] niet (altijd) volledig herkenbaar op de foto’s is te zien die door [verweersters] worden verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling is niet gebleken van concrete bezwaren tegen de door [verzoekster] verzochte informatieregeling. De rechtbank zal de door [verzoekster] verzochte en nader gespecificeerde informatieregeling daarom vastleggen, inhoudende dat [verweersters] [verzoekster] één keer per maand op de eerste van de maand middels e-mailbericht informeert over de ontwikkelingen en het welzijn van [minderjarige] , met concrete informatie, en dat [verweersters] één keer per maand twee kleurenfoto’s van [minderjarige] aan [verzoekster] verstrekt waarop [minderjarige] duidelijk zichtbaar van de voorkant en van dichtbij te zien is.

5 De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat [verweersters] binnen vier weken na de datum van deze beschikking statusvoorlichting aan [minderjarige] dient te geven over de positie en status van [verzoekster] , zulks onder begeleiding van de betrokken hulpverlening van IPT;

bepaalt dat [verzoekster] en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar op een door de GI nader te bepalen wijze, frequentie en duur, waarbij het eerste begeleide contactmoment uiterlijk binnen 8 weken na de datum van deze beschikking (en binnen vier weken nadat de statusvoorlichting is gegeven) dient plaats te vinden;

bepaalt dat [verweersters] [verzoekster] één keer per maand op de eerste van de maand middels e-mailbericht informeert over de ontwikkelingen en het welzijn van [minderjarige] , met concrete informatie en dat [verweersters] één keer per maand twee kleurenfoto’s van [minderjarige] aan [verzoekster] verstrekt waarop [minderjarige] duidelijk zichtbaar van de voorkant en van dichtbij te zien is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van deze zaak om reden zoals genoemd in r.o. 4.3.11 aan tot 16 maart 2021 PRO FORMA;

houdt iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. Meeuwisse, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020 in tegenwoordigheid van mr. E.J. van der Welle, griffier.

(LW)

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.