Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5646

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
20-008717
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen keuzevrijheid in het volgen van procedure art 45/46 jo 490 Sv ofwel art 488ab Sv.

Art 488ab Sv is een lex specialis. Ovj niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Middelburg

rk-nummer: 20-008717

Beslissing van de rechtbank inzake het bevel van de officier van justitie d.d. 7 oktober 2020

betreffende de minderjarige:

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

advocaat mr. Wouters te Middelburg.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • -

    het bevel tot beperking vrij verkeer tussen ouders en minderjarige verdachte (ex artikel 45 jo. artikel 490 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv);

  • -

    het procesdossier met nummers ZBRBC19022 (Itea) en ZBRBC19082 (Fazant);

  • -

    de brief van mr. Wouters van 30 oktober 2020, met bijlagen;

  • -

    de aantekeningen van de officier van justitie ten behoeve van de behandeling in raadkamer.

Op 3 november 2020 heeft het onderzoek door de meervoudige bijzondere raadkamer van de rechtbank te Middelburg plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. Suijkerbuijk gehoord. Tevens is bij die gelegenheid de verdachte gehoord, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. Wouters. Ook waren de ouders van verdachte aanwezig.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft in zijn bevel van 7 oktober 2020 vermeld dat bij het Openbaar Ministerie het ernstig vermoeden bestond dat het vrije verkeer tussen ouders en de minderjarige verdachte ertoe zou strekken de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan zij in het belang van het onderzoek onkundig moest blijven. Hij heeft daarom op grond van de artikelen 45/390/50 Sv bevolen dat de ouders geen toegang zullen hebben tot de genoemde minderjarige verdachte, die op dat moment opgehouden werd voor verhoor in het politiebureau te Goes. Dit bevel heeft de officier van justitie vervolgens op basis van art. 46, derde lid Sv voorgelegd aan de rechtbank.

Ter toelichting heeft de officier van justitie ter zitting het volgende aangevoerd.

De toegang tot een verhoor is geen recht dat de ouders toekomt. De minderjarige heeft het recht te wensen dat de ouders bij een verhoor aanwezig zijn. Verdachte heeft niet vóór en ook niet tijdens het verhoor aangegeven dat zij wenste dat haar ouders bij het verhoor aanwezig zouden zijn.

De reden dat de officier van justitie desondanks het onderhavige bevel heeft gegeven is gelegen in het volgende. Verdachte diende te worden geconfronteerd met de bevindingen die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen. De bevindingen van het onderzoek bleken niet verenigbaar met de door en namens verdachte gedane aangiftes. Steeds kwam het onderzoek uit bij verdachte, de telefoon van verdachte of het IP-adres van het gezin waar verdachte deel van uitmaakt. Verdachte moest de kans krijgen om op haar eerder afgelegde verklaringen terug te komen. Het zou voor verdachte lastig kunnen zijn om openheid van zaken te geven wanneer de ouders bij het verhoor aanwezig waren geweest, te meer nu de ouders heel betrokken zijn geweest bij het onderzoek. Daarbij komt dat verdachte een kwetsbaar meisje is en het een zedenzaak betreft. De officier van justitie wilde met het bevel voorkomen dat verdachte in een loyaliteitsconflict terecht zou komen.

De procedure van artikel 50 (oud) Sv, die het mogelijk maakt beperkingen aan te brengen in het vrije verkeer tussen de raadsman en verdachte, is in het strafprocesrecht betreffende minderjarigen ingevolge artikel 490 Sv van overeenkomstige toepassing op de ouder of voogd.

De officier van justitie heeft aangegeven zich te realiseren dat de procedure van artikel 488ab Sv specifiek is geschreven voor de onderhavige situatie, waarin de mogelijkheid te besluiten ouders niet toe te laten tot het verhoor van de minderjarige verdachte is neergelegd. Ingevolge artikel 488ab Sv kan de hulpofficier van justitie deze beslissing nemen met toestemming van de officier van justitie. Een toetsingsbevoegdheid van het bevel door de rechtbank bestaat in die situatie niet. De officier van justitie meent dat dit een lacune is in de wetgeving en heeft om die reden besloten de procedure van artikel 50 (oud) Sv te volgen en het bevel ter toetsing aan de rechtbank voorgelegd.

3 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zij zich voor wat betreft de procedurele aspecten, met name het aspect van rechtsbescherming, aansluit bij hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht. Zij is eveneens van mening dat de rechtbank dient te toetsen of het bevel rechtmatig is gegeven.

Als reactie op het betoog van de officier van justitie heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het verdachte niet verweten kan worden dat zij niet heeft aangegeven dat zij wilde dat haar ouders bij het verhoor aanwezig waren. De normale gang van zaken is dat de politie toestemming aan de verdachte vraagt om het verhoor zonder aanwezigheid van de ouders te laten plaatsvinden. Deze toestemming is in onderhavig geval niet gevraagd. Daarbij komt dat de raadsvrouw in de correspondentie met de officier van justitie, namens verdachte en haar ouders, al had aangegeven dat de ouders bij het verhoor aanwezig wilden zijn.

Verdachte heeft een hele goede band met haar ouders en deelt, naar eigen zeggen, alles met hen. Niet valt in te zien waarom zij geen openheid van zaken zou hebben gegeven wanneer haar ouders bij het verhoor aanwezig zouden zijn geweest. Ouders hebben tijdens een verhoor van een minderjarige een lijdelijke positie en mogen niet inbreken. Zij zouden slechts ter ondersteuning aanwezig zijn geweest, hetgeen verdachte in onderhavig geval als prettig zou hebben ervaren. Verdachte zou dezelfde verklaring hebben afgelegd wanneer haar ouders bij het verhoor aanwezig waren geweest. De drempel die de officier van justitie opwerpt voor de aanwezigheid van de ouders bij een verhoor, geldt voor alle minderjarigen in strafzaken. Ieder kind zal zich immers schamen tegenover zijn ouders wanneer hij wordt verdacht van het plegen van een misdrijf. De aard van het misdrijf is daarbij van ondergeschikt belang.

4 De beoordeling

Allereerst ligt ter beantwoording de vraag voor of de officier van justitie ontvankelijk is in zijn verzoek tot beoordeling van het door hem gegeven bevel.

De officier van justitie heeft – naar de rechtbank begrijpt - zijn bevel gegrond op artikel 45 jo. artikel 490 Sv. Artikelen 45 en 46 Sv zijn ontleend aan artikel 50 (oud) Sv. Artikel 45 Sv bepaalt dat de raadsman vrije toegang heeft tot de verdachte die rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Op grond van artikel 46, eerste lid, Sv, kan, indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij zal strekken om de verdachte bekend te maken met enige omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de opsporing der waarheid te belemmeren, tijdens het voorbereidend onderzoek de officier van justitie, telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of deze niet alleen zal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman en verdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt. Het derde lid van voornoemd artikel bepaalt dat de officier van justitie het bevel onverwijld onderwerpt aan het oordeel van de rechtbank.

Artikel 45 is ingevolge artikel 490, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ouders van een verdachte die rechtens van zijn vrijheid is benomen en niet is geplaatst in een justitiële jeugdinrichting.

In de onderhavige situatie zijn de ouders niet toegelaten tot het politieverhoor van de minderjarige verdachte. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat artikel 488ab Sv specifiek ziet op deze situatie. Artikel 488ab Sv bepaalt immers dat bij het verhoor door de opsporingsambtenaar de verdachte het recht heeft te worden vergezeld door de ouders of voogd of een vertrouwenspersoon. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de toegang van de persoon tot het verhoor worden geweigerd indien de hulpofficier van justitie van oordeel is dat:

  1. het niet in het belang van de verdachte is dat hij door de ouder of voogd of vertrouwenspersoon wordt vergezeld, of

  2. het belang van het onderzoek zich tegen die aanwezigheid verzet.

Deze beslissing kan ingevolge het derde lid alleen met toestemming van de officier van justitie worden genomen.

Aan de orde is de vraag of het de officier van justitie vrijstaat om een keuze te maken in het volgen van de procedure van artikel 45/46 jo. artikel 490 Sv ofwel de procedure van artikel 488ab Sv. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Artikel 488ab Sv is in werking getreden op 1 juni 2019 en moet, gezien de specifieke toepassing op de aanwezigheid van de ouders bij een verhoor van een minderjarige verdachte, worden aangemerkt als een lex specialis ten opzichte van artikel 45/46 jo. artikel 490 Sv. Dit maakt dat in de onderhavige situatie de procedure van die lex specialis had moeten worden gevolgd en de hulpofficier van justitie had kunnen besluiten om – met toestemming van de officier van justitie – de ouders van de minderjarige verdachte niet toe te laten tot het verhoor. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2018/19, 35116, 3 p. 38) is er bewust voor gekozen om de hulpofficier van justitie aan te wijzen als de autoriteit die – met toestemming van de officier van justitie – over de weigeringsgronden van de toegang van de ouders tot het verhoor oordeelt. De rechtbank heeft in dezen geen bevoegdheid tot toetsing. Dit leidt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek tot beoordeling van het door hem gegeven bevel. Aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden voor het geven van het bevel komt de rechtbank daarom niet toe.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn verzoek tot beoordeling van het door hem gegeven bevel.

Deze beslissing is gegeven door mr. Duinhof, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Van Triest en mr. Scheltema Beduin, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Weller-Verdonk, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2020.

Mr. Van Triest, mr. Scheltema Beduin en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen.