Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5634

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
AWB- 20_8955 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet-Ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8955 Jeugdwet VV

uitspraak van 13 november 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

wettelijk vertegenwoordigd door [namen wettelijk vertegenwoordigers],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.

Procesverloop

1. Namens verzoekster, geboren op 5 november 2002, is door haar wettelijk vertegenwoordigers (hierna: de ouders) bij brief van 6 oktober 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In het verzoekschrift is door de ouders aangegeven dat hun verzoek betrekking heeft op de (voorgenomen) besluiten van het college van 4 augustus 2020, 17 augustus 2020 en 31 augustus 2020. Namens de ouders is gesteld dat zij niet in staat zijn het verschuldigde griffierecht te betalen.

Bij het verzoekschrift zijn geen kopieën van de door hun genoemde besluiten en van de daartegen gerichte bezwaarschriften gevoegd.

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld.

Op grond van artikel 8:81, vierde lid, eerste volzin, van de Awb zijn onder andere de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing bij een verzoek om voorlopige voorziening. Uit deze artikelen volgt dat bij het verzoekschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd en dat als hieraan niet wordt voldaan het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

Op grond van artikel 8:81, vierde lid, tweede volzin, van de Awb legt de indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld een afschrift van het bezwaar of beroepschrift over.

3. Aan de vereisten om kopieën van de besluiten en van de daartegen gerichte bezwaarschriften over te leggen bij het verzoekschrift is niet voldaan. De ouders zijn op dit verzuim gewezen bij aangetekend verzonden brief van 14 oktober 2020 en zijn daarbij in de gelegenheid gesteld binnen een week de ontbrekende kopieën over te leggen. De ouders hebben geweigerd de aangetekend verzonden brief in ontvangst te nemen. Op de daarna op 21 oktober 2020 per gewone post verzonden brief, waarin wordt verzocht zo spoedig mogelijk te reageren, hebben de ouders gereageerd door alleen kopieën van de gevraagde besluiten in te zenden. Kopieën van de gevraagde bezwaarschriften hebben zij niet ingezonden.

Tot op heden zijn de ouders van verzoekster in gebreke gebleven om volledig aan het verzoek van de voorzieningenrechter te voldoen. Uit de overgelegde stukken is dan ook niet gebleken dat de ouders namens verzoekster bij het college bezwaar hebben gemaakt. Het treffen van een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als tegelijkertijd tegen de besluiten een bezwaarschriftprocedure bij het college loopt. Nu dat niet is gebleken, wordt niet voldaan aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van connexiteit.

Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

4. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 13 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl .

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.