Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5603

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7918 WABOA

uitspraak van 10 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Prorail B.V.

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 5 juli 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 5 juni 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de vergunning met betrekking tot de aanvraag om een uitgebreide vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van Prorail emplacement Sas van Gent voor intrekkingsverzoek voorschrift Sas van Gent.

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Eiser is schriftelijk gewezen op deze verplichting. Bij aangetekende brief van 17 september 2020 is eiser medegedeeld dat op het eerdere verzoek om betaling van het griffierecht geen betaling is ontvangen. Eiser is voorts medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van deze brief dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. Eiser is er in deze brief op gewezen dat hij bij niet tijdige betaling het risico loopt dat het beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2. De rechtbank constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het beroep is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Derhalve zal de rechtbank de zaak zonder behandeling ter zitting afdoen als hierna vermeld.

3. Bij deze beslissing is in aanmerking genomen het gestelde in de artikelen 8:41, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, en 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 10 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak.

Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.

Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt:

De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid.

Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt:

Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.

Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:

Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt:

Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.