Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5578

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4982
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/4982 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2020 in de zaak tussen

[namen eisers], te [plaatsnaam], eisers

gemachtigde: mr. M. Godderij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[belanghebbende] , te [plaatsnaam] (belanghebbende)

gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer.

Procesverloop

In het besluit van 16 augustus 2019 (primaire besluit) heeft het college het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen het bouwwerk aan de voorzijde van het perceel [perceel] te [plaatsnaam] afgewezen.

In het besluit van 11 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond verklaard voor wat betreft de aanwezigheid van een exces en voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 1 oktober 2020.

Hierbij waren aanwezig [namen eisers], de gemachtigde van eisers,
[vertegenwoordiger college1] en [vertegenwoordiger college2] namens het college en de gemachtigde van belanghebbende.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] te [plaatsnaam]. Zij hebben het college op 9 april 2019 verzocht handhavend op te treden tegen het tuinhuis/berging (hierna: het bouwwerk) aan de voorzijde van het perceel [perceel] te [plaatsnaam].

Bij het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Weliswaar voldoet het bouwwerk volgens het advies van de welstandscommissie van 18 juni 2019 niet aan de redelijke eisen van welstand, maar volgens het college is er geen sprake van een exces.

Op 6 november 2019 zijn eisers gehoord door de Vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften. Deze commissie heeft advies uitgebracht.

Eisers hebben in bezwaar een rapport van het Bureau M&dM te Amsterdam overgelegd, waarin geconcludeerd wordt dat wel sprake is van een exces.

Gelet op deze discrepantie heeft het college een externe welstandscommissie ingeschakeld om advies uit te brengen. Op 23 december 2019 heeft Dorp, Stad & Land te Rotterdam advies uitgebracht en geconcludeerd dat het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand, zodat sprake is van een exces. Dorp, Stad & Land heeft suggesties gedaan om het bouwwerk aan te passen, zodat het minder prominent in het straatbeeld aanwezig is.

Het college heeft het bezwaar deels gegrond verklaard, in die zin dat wel sprake is van een exces. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.

2. In geschil is of het college terecht niet tot handhaving is overgegaan.

Ten aanzien van de omvang van het geschil heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het handhavingsverzoek uitsluitend ziet op het verwijderen van het bouwwerk en dat het college daarnaast, ambtshalve, heeft gekeken naar het welstandsaspect. Nu recht dient te worden gesproken binnen de omvang van het geschil dient het welstandsaspect volgens het college bij de beoordeling buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het handhavingsverzoek van 9 april 2019 inderdaad uitsluitend ziet op het verwijderen van het bouwwerk vanwege het ontbreken van een omgevingsvergunning. Op 24 juni 2019 hebben eisers echter een (herhaald) verzoek om handhaving ingediend. In dit verzoek hebben eisers expliciet benoemd dat zij het bouwwerk ook in strijd achten met de welstandseisen. Dit leidt ertoe dat de omvang van het geschil zich tevens uitstrekt over het welstandsaspect.

3. Eisers voeren aan dat het college handelt in strijd met de beginselplicht tot handhaving. Vaststaat dat sprake is van een exces en van het college mag in dat geval verwacht worden dat daartegen handhavend wordt opgetreden. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van handhavend optreden worden afgezien, maar daarvan is in dit geval volgens eisers geen sprake. Er liggen immers twee welstandsrapportages die erkennen dat er een overtreding plaatsvindt en deze overtreding is bovendien niet van geringe aard of ernst. Het college had een handhavingsbesluit dan wel een last onder dwangsom met een begunstigingstermijn kunnen opleggen om als stok achter de deur te dienen voor het ongedaan maken van de overtreding.

Nu het bouwwerk tegen de woning van eisers is aangebouwd en de woning daardoor niet meer vrijstaand, maar geschakeld is, vrezen eisers voor waardevermindering van hun woning. Ter zitting voegt eiser hieraan toe dat deze vrees waarheid is geworden. Eisers voelen zich gedwongen te verhuizen, omdat hun het woongenot is ontnomen. NVM makelaars hebben de woning als moeilijk verkoopbaar aangemerkt en potentiële kopers haken af vanwege de aanwezigheid van het bouwwerk. Het college heeft geen rekening gehouden met deze belangen van eisers.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat (vooralsnog) niet handhavend moet worden opgetreden, omdat handhaving onevenredig is in verhouding tot het daarmee te dienen belang. Het bouwwerk in het achtererfgebied mag zonder omgevingsvergunning worden opgericht en de strijdigheid met de redelijke eisen van welstand kan worden opgelost door aanpassingen aan het bouwwerk te (laten) doen. Het college heeft de belanghebbende tijd gegund om deze aanpassingen uit te voeren. Pas bij het uitblijven hiervan is handhaving aan de orde.

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwwerk een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied betreft en dat het zonder omgevingsvergunning mag worden opgericht.

Op grond van de zgn. Excessenregeling zoals neergelegd in paragraaf 2.4 van de Welstandsnota gemeente Halderberge (de Welstandsnota) moeten vergunningvrije bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Als een bouwwerk een buitensporigheid in het uiterlijk betreft, die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied, kan dit bouwwerk worden aangewezen als exces. In dat geval is het college bevoegd tot handhaving over te gaan.

Inmiddels is tussen partijen niet meer in geschil dat het bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand en dat het dus een exces betreft. Uit de rapporten van M&DM en Dorp, Stad & Land blijkt dat het bouwwerk een afwijkende vormentaal, kleur, materiaal en detaillering heeft ten opzichte van de woonhuizen in de woonwijk en de aangrenzende woonwijk en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.

Nu sprake is van een exces, is het college op grond van paragraaf 2.4 van de Welstandsnota bevoegd om handhavend op te treden.

5.2

De rechtbank dient vervolgens de vraag beantwoorden of het college, nu het bevoegd was om tot handhaving over te gaan, in dit geval van die bevoegdheid gebruik moest maken.

Op grond van vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:31) en 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3485) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Volgens vaste jurisprudentie is handhavend optreden in ieder geval onevenredig, indien de overtreding van geringe aard en ernst is. Dat hiervan in de onderhavige zaak geen sprake is, blijkt al uit het feit dat het om een welstandsexces, oftewel een ernstige mate van strijd met de redelijke eisen van welstand, gaat. Verder is handhavend optreden onevenredig indien geen sprake is van schending van belangen van derden. Het college dient een op het specifieke geval betrekking hebbende afweging te maken waarbij alle belangen, dus ook die van eisers, worden betrokken.

5.3

Volgens het college is handhaving op dit moment onevenredig, omdat het bouwwerk zodanig kan worden aangepast, dat daarna geen sprake meer is van een exces. In het rapport van Dorp, Stad & Land worden suggesties gedaan voor dergelijke aanpassingen aan het bouwwerk en het college heeft belanghebbende de gelegenheid geboden om de aanpassingen binnen afzienbare tijd uit te voeren. Het belang van belanghebbende om vooralsnog niet tot handhaving over te gaan, heeft het college aldus van doorslaggevende betekenis geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de belangen van eisers onvoldoende meegewogen, zodat het in redelijkheid niet tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Er is evident sprake van een exces, waarvan eisers fors (financieel en emotioneel) nadeel ondervinden. Bovendien verkeren eisers in onzekerheid over de termijn waarbinnen het exces zal worden opgeheven. Belanghebbende heeft namelijk niet nader kunnen duiden wanneer het bouwwerk zal worden aangepast. Er loopt nog een civiele procedure over de vraag of het bouwwerk mag blijven staan en belanghebbende wil de uitkomst daarvan afwachten alvorens kosten te maken die achteraf bezien wellicht onnodig waren. Nu de belangen van eisers naar het oordeel van de rechtbank zwaarder hadden moeten wegen dan het belang van belanghebbende om te wachten met handhaven, had het op de weg van het college gelegen om tot handhaving over te gaan.

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen, rekening houdend met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    draagt het college op binnen acht weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178,00 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Graumans, griffier, op 12 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.