Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5524

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
AWB 20_251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/251 WAO

uitspraak van 5 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. van Drimmelen-de Wolde,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 19 augustus 2019 (primair besluit) heeft het UWV van eiser een bedrag van € 7.837,80 teruggevorderd aan ontvangen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

In het besluit van 6 december 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit gegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.B.A. van Grinsven.


Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij besluit van 30 augustus 1990 is aan eiser een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Naast deze uitkering heeft eiser inkomsten uit werk.

In het primaire besluit heeft het UWV op basis van informatie van de belastingdienst over eisers inkomsten vastgesteld dat hij over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018 recht had op een WAO-uitkering van € 1.259,11 bruto per maand, en dat hij over de periode van 1 juli 2018 tot en met 31 december 2018 recht had op een WAO-uitkering van € 1.272,16 per maand. Volgens het UWV heeft eiser een bedrag van € 7.837,80 teveel ontvangen. Dit bedrag heeft het UWV daarom teruggevorderd van eiser.

In het bestreden besluit heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Standpunt UWV

2. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat bij eiser sprake is van samenloop van zijn WAO-uitkering en inkomen, omdat hij gedurende deze uitkering inkomsten heeft gehad in de vorm van ondernemersaftrek. Omdat eisers inkomen zo hoog is dat indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse aan de orde zou zijn geweest, heeft het UWV de hoogte van eisers WAO-uitkering met terugwerkende kracht omlaag bijgesteld, en een bedrag van € 7.837,80 teruggevorderd.

Eisers standpunt

3. Eiser stelt dat het UWV zijn ondernemersaftrek over voorafgaande jaren buiten beschouwing had moeten laten, omdat deze niet is gegenereerd in 2018. Hij voert verder aan dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage op een verkeerde manier opnieuw is berekend. Volgens eiser is zijn maatmaninkomen onjuist berekend en moet dit inkomen hoger zijn. Het UWV houdt verder ten onrechte geen rekening met het verschil in urenomvang tussen zijn maatmanomvang en de huidige urenomvang van zijn arbeid. Hierdoor wordt een te hoog feitelijk uurloon in acht genomen en gekort op zijn uitkering, aldus eiser.

Relevante regelgeving

4. De relevante wet- en regelgeving, zoals die luidden ten tijde van het bestreden besluit, zijn opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.

Ondernemersaftrek als relevante inkomsten

5. De bestreden terugvordering is gebaseerd op de korting van een WAO-uitkering op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting maken van de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene als hij inkomen uit arbeid ontvangt. Ingevolge het achtste lid van artikel 44 van de WAO, in samenhang met artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen, moet onder 'inkomen' mede worden verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van die wet.

6. Eisers stelling dat het UWV de bij de fiscus opgegeven ondernemersaftrek over voorafgaande jaren buiten beschouwing had moeten laten bij zijn schatting, omdat deze geen betrekking heeft op 2018, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt namelijk dat bij het bepalen van de omvang van de inkomsten in dit soort zaken tot uitgangspunt moet worden genomen de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze van de betrokkene. De door betrokkene overeenkomstig de door hem gemaakte fiscale keuze in het kader van de inkomstenbelasting aangegeven inkomsten dienen in beginsel als inkomsten uit arbeid te worden beschouwd. Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is in eisers geval niet gebleken. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de CRvB van 11 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK6361) en 24 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB: 2011:BQ9573).

Fictieve schatting: maatmaninkomen

7. Bij het maken van de fictieve schatting van eisers arbeidsongeschiktheid heeft het UWV terecht een berekening gemaakt waarbij eisers maatmanloon (A) is verminderd met eisers feitelijke inkomen per uur (B), en de uitkomst hiervan vervolgens is gedeeld door het maatmanloon (A – B / A x 100). Dit heeft geresulteerd in een fictief arbeidsongeschikt-heidspercentage van 66,50%. Eisers stelling dat zijn maatmaninkomen hoger zou moeten zijn dan het door het UWV gehanteerde maatmanloon van € 20,07 slaagt niet. Het UWV mocht bij het vaststellen van dit maatmanloon uitgaan van eisers laatst bekende maatmanloon van € 16,77, zoals dat werd vastgesteld in het rapport van een arbeidsdeskundige van 9 april 2008. Het UWV heeft dit bedrag geïndexeerd door – zoals toegelicht ter zitting – het te delen door het indexcijfer van het maatmanloon van 94,6 en de uitkomst hiervan te vermenigvuldigen met het indexcijfer zoals dat gold op de datum van de fictieve schatting, namelijk 113,2. Eiser heeft deze rekenwijze niet – ook niet desgevraagd op zitting – onderbouwd betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om het gehanteerde maatmanloon van € 20,07 voor onjuist te houden.

Fictieve schatting: verschil in urenomvang maatmanomvang en de huidige urenomvang

8. Uitgangspunt bij de fictieve schatting in het geval van inkomsten als zelfstandige, zoals hier aan de orde, is dat gebruik wordt gemaakt van een uurloonvergelijking. Hierover bestaat tussen partijen ook geen discussie. Eiser voert enkel aan dat het UWV een onjuiste uurloonvergelijking heeft gemaakt, omdat het ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden met het verschil in urenomvang tussen zijn maatmanomvang en de huidige urenomvang van zijn arbeid. Dit standpunt wordt niet gevolgd, nu het UWV – zoals ook nader toegelicht ter zitting – juist rekening heeft gehouden met het door eiser bedoelde verschil in urenomvang, door het maken van een uurloonvergelijking. Als het UWV bij het vaststellen van het feitelijke inkomen (in plaats van een urenomvang van 40 uur per week) was uitgegaan van de door eiser gestelde urenomvang van 15, dan wel 20 uur per week, was het feitelijke uurloon ook vastgesteld op € 6,72, door de toepassing van correctiefactoren.

Terugvordering

9. Het UWV heeft eisers recht op een WAO-uitkering over het jaar 2018 op basis van het gehanteerde fictieve arbeidsongeschiktheidspercentage van 66,50% opnieuw vastgesteld en vervolgens berekend dat eiser een bedrag van € 7.837,80 teveel heeft ontvangen. Dit bedrag is daarom van hem teruggevorderd. Eiser heeft de hoogte van het terugvorderingsbedrag niet betwist. Op grond van het zesde lid van artikel 57 van de WAO kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:952), is daar sprake van als terugvordering tot onaanvaardbare maatschappelijke en/of financiële consequenties voor de betrokkene leidt. Gesteld noch gebleken is dat hiervan in eisers geval sprake is.

Conclusie

10. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 5 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Artikel 44 WAO

In artikel 44 van de WAO is anticumulatie van uitkering en inkomen uit arbeid geregeld.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, van dit artikel leidt arbeidsinkomen niet tot intrekking of herziening van de WAO-uitkering, maar wordt de WAO-uitkering uitgekeerd op grond van het arbeidsongeschiktheidspercentage dat past bij het arbeidsinkomen.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel wordt bij ministeriële regeling bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Deze ministeriële regeling is de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (Regeling).

Artikel 57 WAO

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald, door het UWV teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 2a Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen

Ingevolge artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling wordt, voor zover relevant, onder inkomen als bedoeld in de artikel 44, eerste lid, van de WAO, mede verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van die wet en vermeerderd met de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst.