Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5523

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
AWB- 20_7062
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7062 PW

uitspraak van 6 november 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[verzoeker1] en [verzoeker2], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. C. van der Ent, advocaat te Breda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

De gemachtigde van verzoekers heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op het bezwaar van verzoekers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor bijzondere bijstand.

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het college een beslissing op bezwaar genomen.

Vervolgens heeft de gemachtigde van verzoekers het beroep op 27 augustus 2020 ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten.

Het college heeft bij brief van 3 september 2020 laten weten in te stemmen met een proceskostenvergoeding, waarbij de wegingsfactor op 0,5 zou moeten worden gesteld.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten, wanneer het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 30 juni 2020 dat het college aan verzoekers is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank het gewicht van de onderhavige zaak aan als licht, gelet op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin is overwogen dat geschillen met betrekking tot het uitblijven van een besluit als licht moeten worden beschouwd. De door verzoekers gemaakte kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 0,5).

3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 48,- aan verzoekers dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van C. Kalb, griffier, op 6 november 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.