Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5497

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
BRE-20_7750
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6:4 Awb. Artikel 9.6 Wet IB 2001. ‘Deformalisering’ bij de Belastingdienst: indien naar aanleiding van een (ambtshalve) aanslag een aangifte wordt ingediend, wordt deze niet als bezwaar behandeld maar als verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft in deze zaak – waarin aan de orde is dat een aangifte is ingediend binnen de bezwaartermijn – conform dit (nieuwe) beleid gehandeld. De rechtbank oordeelt dat de aangifte ten onrechte niet is behandeld als bezwaar, gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad. Er is grond noch aanleiding om deze jurisprudentie niet (meer) als leidraad te nemen, ook niet gegeven de invoering van artikel 9.6 van de Wet IB 2001. De stelling van de inspecteur dat een belanghebbende niet wordt geschaad in zijn rechtspositie door de behandeling als verzoek in plaats van als bezwaar, is volgens de rechtbank niet in al haar onderdelen juist.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Wet inkomstenbelasting 2001 9.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-11-2020
FutD 2020-3504 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2020/2939
NTFR 2020/3719 met annotatie van mr. Y. Ameziane
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/7750

uitspraak van 12 november 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Aanleiding voor de procedure

De uitspraak van 22 juni 2020 van de inspecteur op een aanvraag van belanghebbende betreffende de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 met aanslagnummer [aanslagnummer] H76.01 met een boete (hierna samen: de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur] Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de uitspraak van 22 juni 2020

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar tegen de aanslag;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar;

- draagt de inspecteur op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak alsnog uitspraak op bezwaar te doen;

- bepaalt dat de inspecteur een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;

- draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan hem te vergoeden;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 262,50.

2 Motivering

Feiten

2.1.

De inspecteur heeft de aanslag met dagtekening 18 september 2019 opgelegd aan belanghebbende. Het betreft een zogenoemde ‘ambtshalve’ aanslag, omdat belanghebbende geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 had gedaan.

2.2.

Belanghebbende heeft op 11 oktober 2019 alsnog aangifte gedaan. Daarnaast heeft belanghebbende een – door de inspecteur op 21 oktober 2019 ontvangen – brief gestuurd met de aanhef ‘Bezwaar definitieve aanslag’, waarin met verwijzing naar de aangifte wordt verzocht de aanslag te verminderen (hierna: de bezwaarbrief).

2.3.

Bij brief van 7 april 2020 heeft de inspecteur een vooraankondiging uitspraak op verzoek naar belanghebbende toegezonden. Hierin is aan belanghebbende onder meer medegedeeld dat de aangifte wordt aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.

2.4.

Belanghebbende heeft hierop bij brief van 27 mei 2020 gereageerd. Belanghebbende heeft onder meer gemeld dat de aangifte als een bezwaarschrift gezien moet worden en dat dit moet leiden tot een uitspraak op bezwaar.

2.5.

De inspecteur heeft hierop bij e-mail van 9 juni 2020 onder meer als volgt gereageerd:

“De afgelopen jaren is een procesvereenvoudiging doorgevoerd als het gaat over het verbeteren van al ingediende aangifte inkomstenbelasting, het zogeheten deformaliseren.

In 2018 is dit al gerealiseerd voor burgers, vanaf het 4de kwartaal van 2019 geldt dit ook voor gemachtigden.

De ingediende aangifte behandel ik derhalve als verzoek ambtshalve vermindering en niet als bezwaarschrift, dit volgens de richtlijnen van het deformaliseren.

Uw cliënt behoud de mogelijkheden om in bezwaar te gaan. (…).”

2.6.

Bij brief van 24 juni 2020 heeft de inspecteur vervolgens beslist. De aanhef luidt ‘uitspraak op het verzoek’, en in de eerste alinea is vermeld ‘Omdat aan u inmiddels (…) een ambtshalve aanslag werd opgelegd, heb ik de ontvangen aangifte aangemerkt als een verzoek ambtshalve vermindering’. De beslissing luidt ‘Ik wijs uw verzoek af’.

2.7.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld.

Waarover zijn partijen het niet eens?

2.8.

Partijen zijn het niet eens over de ontvankelijkheid van het beroep. De inspecteur stelt (primair) dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de bestreden uitspraak een beslissing op een 9:6-verzoek1 is waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld. Belanghebbende voert aan dat bezwaar tegen de aanslag is gemaakt, dat (daarom) de bestreden uitspraak moet worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar tegen de aanslag, en dat daartegen beroep openstaat.

Vooraf: een principiële kwestie

2.9.

Het geschil betreft daarmee allereerst het antwoord op de vraag of bezwaar is gemaakt dan wel of een 9:6-verzoek is gedaan. Mede gelet op de uitlatingen van de inspecteur ter zitting begrijpt de rechtbank dat het om een principiële kwestie gaat voor de Belastingdienst. De inspecteur heeft gemeld dat hij gebonden is aan beleid van de Belastingdienst dat is tot stand gekomen naar aanleiding van de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst, waarin een passage is opgenomen over de wijze van afhandeling van bezwaarschriften.2 De passage is in bijlage 1 bij deze uitspraak opgenomen. Het bedoelde beleid voor een geval als dit (hierna: het beleid) is neergelegd in een memo ‘Vaktechnische toelichting project deformalisering IH’ van 27 september 2017 (hierna: het memo), waarvan relevante passages in bijlage 2 worden opgenomen.

2.10.

De inspecteur heeft ter zitting gemeld dat het beleid ook geldt voor gevallen zoals dit waarin een aangifte wordt gedaan binnen de bezwaartermijn van zes weken na de dagtekening van de ambtshalve aanslag. Verder heeft de inspecteur gemeld dat het beleid weliswaar specifiek geldt ter zake van een ambtshalve aanslag,3 maar dat een vergelijkbaar beleid geldt ter zake van een aanslag die wordt opgelegd nadat eerder wel aangifte is gedaan. Indien na het opleggen van een dergelijke aanslag een herziene aangifte wordt gedaan, wordt die aangifte in behandeling genomen als een 9:6-verzoek en niet als bezwaar, ook niet indien de herziene aangifte binnen de bezwaartermijn is binnengekomen.

2.11.

De rechtbank heeft ter zitting aan de inspecteur voorgehouden dat hier de bijzonderheid speelt dat binnen de bezwaartermijn niet alleen een aangifte is gedaan maar ook de bezwaarbrief is binnengekomen. De rechtbank heeft erop gewezen dat de vraag rijst waarom desondanks niet het bezwaartraject is gevolgd, in aanmerking genomen dat in de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst de mogelijkheid van bezwaar (ogenschijnlijk) met zoveel woorden is open gehouden: “Belastingplichtigen die deze routing niet willen volgen, kunnen ook kiezen voor een rechtstreeks bezwaartraject.

De inspecteur heeft gemeld dat denkbaar is dat een andere behandelaar wel het bezwaartraject zou hebben gevolgd. De inspecteur heeft echter opgemerkt, in de kern, dat (i) de handelwijze van degene die de herziene aangifte en de bezwaarbrief heeft behandeld (namelijk in behandeling nemen als 9:6-verzoek), in overeenstemming is met het beleid, en dat (ii) gelet op dit laatste, de inspecteur daarom in beroep die handelwijze verdedigt, ook omdat het van belang is om een rechterlijke uitspraak daarover te krijgen.

De rechtbank merkt met betrekking tot (i) op dat de stelling dat de handelwijze in overeenstemming is met het beleid kennelijk moet worden afgeleid uit de inleidende paragraaf van het memo waarin erover wordt gesproken dat “aanvullingen en bezwaren tegen AH-aanslagen o.b.v. art. 9.6 IB voortaan als verzoek ambtshalve verminderingen zullen worden gaan behandeld” (onderstreping Rb). Het lijkt er dus in dat opzicht op dat wat betreft ambtshalve aanslagen er een zekere spanning is tussen de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst en het beleid zoals dat uit het memo blijkt. Kennelijk is besloten om de ‘routing’ bezwaartraject niet open te stellen in het geval van een ambtshalve aanslag.

Wat vindt de rechtbank?

2.12.

De rechtbank vindt dat belanghebbende gelijk heeft dat juridisch gezien wel degelijk bezwaar is gemaakt. De rechtbank zal dat uitleggen, en vervolgens de gevolgen bespreken voor deze zaak.

Waarom is sprake van een bezwaar?

2.13.

Hier is aan de orde het geval dat nadat een aanslag is opgelegd, binnen de bezwaartermijn een aangifte wordt gedaan naar een lager inkomen dan het inkomen waarop de aanslag is gebaseerd. De overwegingen hierna hebben betrekking op zo een geval (en dus niet het geval dat ruim na het einde van de bezwaartermijn een aangifte wordt ontvangen).

2.14.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad is af te leiden dat de drempel om een bericht als een bezwaarschrift aan te merken laag ligt. Indien uit een aan de Belastingdienst toegestuurd bericht is af te leiden dat de belastingplichtige het niet eens is met een aan hem opgelegde aanslag, zal dat bericht al snel als een bezwaarschrift moeten worden aangemerkt.4 Bij deze lijn past ook dat in een geval als omschreven in 2.13 de aangifte als uitgangspunt moet worden aangemerkt als een bezwaar tegen de desbetreffende aanslag. Een voorbeeld is het arrest BNB 1990/258,5 waarin bovendien een rechtsregel is geformuleerd:

Indien aan een belastingplichtige die heeft verzuimd het hem of haar toegezonden aangiftebiljet tijdig in te leveren, ambtshalve een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting is opgelegd en vervolgens binnen de bezwaartermijn alsnog aangifte is gedaan van een lager belastbaar inkomen dan in de aanslag is begrepen, kan de indiening van dat aangiftebiljet in de regel niet anders worden opgevat dan dat de belastingplichtige daarmee aan de inspecteur tijdig kennis geeft bezwaar te maken tegen de opgelegde aanslag.

2.15.

Er is naar het oordeel van de rechtbank grond noch aanleiding om de in 2.14 bedoelde jurisprudentie niet (meer) als leidraad te nemen in een geval als omschreven in 2.13.

2.16.

De rechtbank merkt allereerst op dat de wijziging in handelwijze die de Staatssecretaris heeft gemeld in de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst, niet gepaard is gegaan met – niet ondersteund is door – een wijziging in de wetgeving. Er is niet in een wet een bepaling opgenomen zoals overeenkomstig bijvoorbeeld het derde lid van artikel 28a, van de Wet op de loonbelasting 1964, waarin is bepaald dat een – in dat artikel omschreven – correctiebericht ‘geen bezwaarschrift [is] in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen’ (bedoeld zal zijn: in de zin van de Awb). Evenmin is aan de orde dat, met betrekking tot een (ambtshalve) aanslag IB/PVV, bij wet is geregeld dat eerst een verzoekprocedure moet worden gevolgd voordat bezwaar kan worden gemaakt, zoals dat wel is geregeld in artikel 9.5 van de Wet IB 2001 voor voorlopige aanslagen IB/PVV. Opmerking verdient in dat kader ook dat de beleidswijzing van de Staatssecretaris inhoudelijk verwantschap vertoont met een onderdeel van het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst. Dat wetsvoorstel voorzag immers in de invoering van een herzieningsprocedure voor onder meer aanslagen IB/PVV en daarmee samenhangend dat het niet meer mogelijk zou zijn om buiten die procedure om (direct) bezwaar te maken tegen een aanslag IB/PVV.6 Dat wetsvoorstel is echter uiteindelijk ingetrokken.

2.17.

De in het memo aangehaalde eerdere invoering van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 is evenmin grond om de in 2.14 aangehaalde jurisprudentie niet als uitgangspunt te nemen. In de kern brengt de invoering van dat artikel alleen mee – voor zover hier van belang – dat een beschikking waartegen voorheen geen bezwaar en beroep open stond (gelet op artikel 65 van de AWR), voortaan wel voor bezwaar en beroep vatbaar is als het gaat om belastingaanslagen IB/PVV. Niet valt in te zien dat deze wijziging juridisch relevant is voor de kwestie of een (elektronisch) bericht als bezwaarschrift kwalificeert, laat staan dat de wijziging meebrengt dat een (elektronisch) bericht dat volgens de tot dan toe gewezen jurisprudentie als bezwaarschrift kwalificeert, voortaan niet meer als zodanig kwalificeert.

Dit een en ander wordt niet anders indien de in het memo aangehaalde arresten BNB 1993/91 en 92 in de beschouwing worden betrokken. Wat er op zichzelf gezien al zij van de (a contrario-)lezing van de arresten in het memo, de beschouwingen in het memo over die arresten laten zich moeilijk verenigen met bijvoorbeeld het – in 2.14 aangehaalde – arrest BNB 1990/258. Voor de onderhavige zaak komt daar nog bij dat wél de situatie aan de orde is dat de aangifte niet is gevolgd, zodat zelfs indien de in het memo voorgestane lezing wordt gevolgd onduidelijk is waarom in dit geval geen sprake zou zijn van een bezwaar.

2.18.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om gelet op gewijzigde omstandigheden – zoals de invoering van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 – van de gevestigde jurisprudentie af te wijken (‘omgaan’), nog ervan afgezien of de wenselijkheid daarvan – mede gelet op wat in de drie slotzinnen van 2.16 is opgemerkt – niet veeleer op het terrein van de wetgever ligt.

De rechtbank merkt in dat verband nog het volgende op naar aanleiding van de passage in het verweerschrift “dat belanghebbende door toepassing van een gedeformaliseerde werkwijze niet in zijn rechtspositie is geschaad. Dit omwille van het feit dat op deze werkwijze een extra beoordelingsmogelijkheid wordt verkregen, zijnde bezwaar na uitspraak op verzoek. Belanghebbende is zodoende niet slechter, maar eigenlijk beter af.” Het zou in voorkomende gevallen inderdaad zo kunnen zijn dat een betrokkene beter af is met een extra beoordelingsmogelijkheid in de bestuurlijke fase. De stelling dat een betrokkene niet zijn rechtspositie wordt geschaad door de toepassing van de gedeformaliseerde werkwijze (behandeling als 9:6-verzoek in plaats van als bezwaar), kan echter niet in het algemeen, althans niet in al haar onderdelen, als juist worden beschouwd. De rechtbank wijst in dit kader op het volgende:

- Bij de beoordeling of er grond is voor ambtshalve vermindering gelden niet zonder meer dezelfde regels voor de bewijslast als die welke gelden voor de beoordeling van een aanslag;7

- Het is – los van de bewijslast – mogelijk dat een aanslag wel naar aanleiding van een bezwaar tegen de aanslag kan worden verminderd maar niet in het kader van een verzoek om ambtshalve vermindering:

o Zo volgt uit artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 dat niet in alle gevallen waarin een aanslag te hoog is, er een ambtshalve vermindering volgt.

o Zo is een wijziging van de onderlinge verhouding van de gezamenlijke bestanddelen als omschreven in artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 nog wel mogelijk in het kader van bezwaar tegen de aanslag, maar niet (zonder meer) in het kader van een 9:6-verzoek.8

  • -

    De wet voorziet wel in de mogelijkheid van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase maar niet in de mogelijkheid van een kostenvergoeding voor een 9:6-verzoekprocedure;

  • -

    Voor de behandeling van een bezwaar gelden diverse regels op het terrein van rechtsbescherming, zoals de regels inzake het horen en het voorschrift van artikel 10, derde lid, van de Awb, die niet (zonder meer, wettelijk geborgd) gelden voor de behandeling van een 9:6-verzoek.

  • -

    Voor degenen die het geschil zo snel mogelijk bij de rechter willen voorleggen is het een voordeel dat direct beroep kan worden ingesteld tegen een afwijzende beslissing op bezwaar; bij een afwijzende beslissing op een 9:6-verzoek is daarvoor de instemming van de inspecteur nodig (rechtstreeks beroep).

  • -

    De in aanmerking te nemen termijn voor de bepaling of de ‘redelijke termijn’ wordt overschreden, vangt als uitgangspunt later aan als een bericht niet als bezwaar wordt behandeld maar als een 9:6-verzoek.

2.19.

Gelet op het voorgaande moet de aangifte van belanghebbende als uitgangspunt worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Dat zou anders kunnen zijn indien geen andere gevolgtrekking mogelijk is dan dat belanghebbende welbewust beoogde dat de aangifte niet zou worden behandeld als een bezwaarschrift, maar als een 9:6-verzoek.9 Dat geval doet zich hier evident niet voor (vgl. 2.2 en 2.4).

Wat is het gevolg?

2.20.

De rechtbank heeft ter zitting aan de orde gesteld of als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat wel sprake is van een bezwaar, de bestreden uitspraak van 22 juni 2020 dan zou kunnen worden aangemerkt als een uitspraak op bezwaar, mede gelet op de proceseconomie. De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat dat niet het geval is: de uitspraak is een uitspraak op een 9:6-verzoek.

Nu op dit punt aldus geen overeenstemming tussen de inspecteur en belanghebbende bestaat, moet de rechtbank daarover een oordeel geven. Gelet op de bewoordingen van de bestreden uitspraak is er geen ander oordeel mogelijk dan dat die uitspraak niet is aan te merken als een uitspraak op bezwaar.

2.21.

Dit betekent dat geen uitspraak is gedaan op het wél gemaakte bezwaar , terwijl wel uitspraak is gedaan op een niet door belanghebbende gedaan verzoek. De rechtbank heeft – gegeven het in 2.20 vermelde standpunt van de inspecteur – ter zitting aan de orde gesteld of het beroep dan mede kan worden opgevat als een beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft dat bevestigd. In aanmerking genomen dat het beroepschrift gelet op zijn strekking ook mede zo kan worden opgevat en dat belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld – integendeel daarmee wordt een rechtsingang geboden –, gaat de rechtbank daarvan ook uit.

2.22.

Vast staat dat niet tijdig op het bezwaar was beslist ten tijde van indiening van het beroepschrift. Verder is de rechtbank van oordeel – en de inspecteur heeft ter zitting verklaard het daarmee eens te zijn – dat van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij de inspecteur in gebreke stelt. Daarmee is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar ingesteld met inachtneming van de eisen van artikel 6:12 van de Awb. Nu bovendien vaststaat dat nog steeds niet is beslist, heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard. Juridisch-technisch leidt dit tot een vernietiging van het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig doen van de uitspraak op bezwaar.

2.23.

De rechtbank heeft bepaald dat de inspecteur binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden, alsnog de uitspraak op bezwaar moet doen. De termijn is met toepassing van het derde lid van artikel 8:55d van de Awb op een langere termijn dan twee weken gesteld omdat er nog moet worden gehoord.

2.24.

Verder heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, en in overeenstemming met het landelijk gepubliceerde beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), bepaald dat de inspecteur een dwangsom van € 100 verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor bedoelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.

Conclusie

2.25.

Belanghebbende heeft gelijk: er is bezwaar gemaakt. Dit leidt ertoe tot het beroep tegen het niet-tijdig doen van een uitspraak op bezwaar tegen de aanslag gegrond is, en dat de inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar moet doen.

Omdat het beroepschrift zag op de uitspraak op een 9:6-verzoek, moet daarop (echter) ook een beslissing volgen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. Tegen een uitspraak op een 9:6-verzoek moet namelijk eerst bezwaar worden gemaakt, voordat beroep kan worden ingesteld. De rechtbank komt dus niet toe aan de beoordeling van die uitspraak.

Overigens: de Zvw aanslag

2.26.

De rechtbank heeft geconstateerd dat ook bezwaar is gemaakt tegen de ambtshalve aanslag inkomensafhankelijk bijdrage Zorgverzekeringswet. Deze procedure ziet daarop niet, gelet op de bewoordingen van het beroepschrift en de bestreden uitspraak op het verzoek. Dat neemt niet weg dat indien nog niet op dat bezwaar is beslist, ook dat nog moet gebeuren.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

2.27.

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor het beroep. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5). Hoewel deze uitspraak relatief uitgebreid is, gaat om een zaak van licht gewicht, in aanmerking genomen dat het om een afgebakende kwestie gaat waarbij geen geschil is over de feiten, de omvang van de werkzaamheden zoals die uit het beroepschrift blijkt, en de richtlijnen van het gerechtshof.10 Over een eventuele kostenvergoeding voor de bezwaarfase geeft de rechtbank geen oordeel aangezien de bezwaarfase nog niet is afgerond. Verder krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2020 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Bijlage 1

19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst (p. 13-14)

Interactie bij afhandeling van bezwaarschriften

Een brief is vaak een formele beschikking. Een welkome verbetering hierop door de belastingplichtige is formeel een ‘bezwaar ’en moet ook als zodanig worden behandeld.

Zo wordt ‘goed gedrag’ onnodig gejuridiseerd, met opnieuw een uitwisseling van brieven tot gevolg. Rechtszekerheid moet worden behouden, maar het aantal formele bezwaren moet omlaag.

Zo wordt op dit moment gewerkt aan een nieuwe voorziening om langs digitale weg bezwaar in te dienen. Onderdeel van de nieuwe voorziening is een module die de burger meer duidelijkheid kan geven over het nut en de noodzaak om bezwaar in te dienen, en die aangeeft of er ook een andere route is voor wat hij wil bereiken (bijvoorbeeld een verzoek om uitstel van betaling indienen). Verder zal in de nieuwe voorziening het verloop van een ingediend bezwaar zichtbaar zijn. Met deze nieuwe voorzieningen worden de transparantie voor de belanghebbende en de efficiency aan de kant van de Belastingdienst verhoogd

Naast het realiseren van voorzieningen voor het vlotter en eenvoudiger afhandelen van bezwaarschriften is bezien of in bepaalde gevallen een alternatief kan worden geboden voor de relatief ‘zware’ bezwaarprocedure, zonder dat dit ten koste gaat van de rechtsbescherming. Dit is met name wenselijk bij de aanvulling van de aangifte inkomstenbelasting net voor, dan wel na de vaststelling van de aanslag. Als belastingplichtigen ontdekken dat ze een aftrekpost zijn vergeten bij hun aangifte inkomstenbelasting, dienen ze vaak als aanvulling een nieuwe, digitale aangifte in. Als deze aanvulling binnenkomt als de initiële aangifte ver in het verwerkingsproces zit of nadat de aanslag is vastgesteld op basis van de initiële aangifte, dan kan de aanvulling niet meer bij de aangifte worden gevoegd. De Belastingdienst behandelt deze aanvulling in dat geval als een bezwaarschrift. Dit levert vaak vragen van de burger op. Hij heeft immers in zijn beleving geen bezwaar ingediend, maar een verbeterde aangifte. Indien contact wordt opgenomen omdat er onduidelijkheden zijn of de aanvulling niet opgevolgd kan worden, moet aan de belanghebbende worden uitgelegd dat de aanvulling door de Belastingdienst als een bezwaarschrift is aangemerkt, omdat de belanghebbende anders geen rechtsbescherming zou hebben.

De verdergaande automatisering in combinatie met artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 biedt inmiddels echter mogelijkheden om dit proces te stroomlijnen met behoud van rechtsbescherming.

Aanvullingen die via MijnBelastingdienst worden doorgegeven zullen in beginsel de routing gaan volgen van een verzoek om ambtshalve vermindering, in de vorm van een aangepaste aangifte. Dit zal duidelijk op de website worden aangegeven. Een onjuiste aanslag wordt door de inspecteur verminderd. Indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen dan doet de inspecteur dat bij een voor bezwaar (en vervolgens beroep) vatbare beschikking. Voor de belastingplichtige heeft dit als voordeel dat op een primaire afwijzing van de aanvulling altijd nog een bezwaarfase komt voordat naar de rechter moet worden gegaan.

Uitsluitend een aanvulling in de vorm van een ‘nieuwe’ aangifte volgt de routing van de ambtshalve vermindering, zoals hierboven beschreven. Hetzelfde geldt voor aangiften die alsnog worden ingediend naar aanleiding van een aanslag die, wegens het uitblijven van een tijdige aangifte, ambtshalve is vastgesteld. Belastingplichtigen die deze routing niet willen volgen, kunnen ook kiezen voor een rechtstreeks bezwaartraject. Belastingplichtigen moeten dan wel een bezwaarschrift indienen dat van gronden is voorzien, zoals de wet vereist.

Bijlage 2

Vaktechnische toelichting project deformalisering IH

Vaktechnische toelichting project deformalisering IH; inleiding

In de 19e Halfjaarsrapportage (HJR) van april 2017 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer is aangegeven dat aanvullingen en bezwaren tegen AH-aanslagen o.b.v. art. 9.6 IB voortaan als verzoek ambtshalve verminderingen zullen worden gaan behandeld. In dit memo wordt uitgelegd waarom de Belastingdienst dat gaat doen, waarom dat mogelijk is, en tevens wat de fiscale regels rondom art. 9.6 IB zijn.

Waarom worden aanvullingen niet langer als bezwaar behandeld?

Door aanvullingen op de aangifte inkomstenbelasting die binnenkomen net voor, dan wel na de vaststelling van de aanslag te routeren langs ambtshalve vermindering wordt een alternatief gerealiseerd voor de relatief ‘zware’ bezwaarprocedure zonder dat dit te koste gaat van de rechtsbescherming. In de 19 HJR is het als volgt verwoord: (…)

Waarom heeft de Belastingdienst tot op heden aanvullingen als bezwaar behandeld?

Deze werkwijze is gebaseerd op al oudere jurisprudentie. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 2 december 1992 in de zaken nrs. 27 590 en 27 896, BNB 1993/91 en 92, overwogen dat, ingeval in verband met het tijdstip van ontvangst van een aanvulling op een aangifte die tot een lager belastingbedrag leidt, de aanslag is vastgesteld zonder dat met die aanvulling rekening is gehouden, de Inspecteur, die met de aanvulling geen of slechts ten dele rekening wil houden zonder een en ander, als in vermelde arresten omschreven, aan de belastingplichtige mee te delen, niets anders overblijft dan het doen van uitspraak als ware de aanvulling op de aangifte een bezwaarschrift. Sinds jaar en dag is deze jurisprudentie leidraad voor de Belastingdienst: ieder inhoudelijk bericht dat een belastingplichtige stuurt over een aanslag nadat deze is vastgesteld, wordt als bezwaar gezien.

En waarom kunnen we nu dat dan anders gaan doen?

Alhoewel deze oude jurisprudentie steeds als leidraad is gebruikt, blijkt er bij nadere beschouwing ruimte te zitten in de formulering van de Hoge Raad. De HR overweegt immers “dat, ingeval in verband met het tijdstip van ontvangst van een aanvulling op een aangifte die tot een lager belastingbedrag leidt, de aanslag is vastgesteld zonder dat met die aanvulling rekening is gehouden, de Inspecteur, die met de aanvulling geen of slechts ten dele rekening wil houden zonder een en ander, als in vermelde arresten omschreven, aan de belastingplichtige mee te delen, niets anders overblijft dan het doen van uitspraak als ware de aanvulling op de aangifte een bezwaarschrift.” De HR zegt dus dat als met een aanvulling bij de aanslag geen rekening is gehouden, en de inspecteur die aanvulling niet of slechts deels wil volgen, dat hij dan een uitspraak moet doen als ware de aanvulling een bezwaar. Het is niet zo dat de HR de aanvulling direct als een bezwaar kwalificeert. Hij zegt alleen: in de omstandigheid dat de aanvullingen niet (geheel) wordt gevolgd, moet de aanvulling als een bezwaar worden behandeld. A contrario kan worden geredeneerd: als hij de aanvulling wel geheel volgt, hoeft de aanvulling niet per se als bezwaar te worden afgedaan.

Belangrijk is dat deze jurisprudentie dateert van voor de huidige bepaling art. 9.6 IB, lid 3: “Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking.”

Ten tijde van de arresten in 1993 bestond er nog geen andere route dan de uitspraak op bezwaar om een beslissing van de inspecteur op een aanvulling bij de rechter aan te kunnen vechten. Toepassing van art. 9.6 IB geeft die route wel. En art. 9.6 IB is sowieso nu al van toepassing: alle aanvullingen die te laat worden ingediend, en die niet worden gevolgd, krijgen nu een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, en een voor bezwaar vatbare beschikking op de inhoud.

Samenvattend: de oude fiscaal formeelrechtelijke interpretatie heeft het vreemde gevolg dat bij het niet (geheel) volgen van een aanvulling de burger meteen naar de rechter moet. Awb-technisch is dit vreemd. Art. 9.6 IB, dat ten tijde van de oude jurisprudentie nog niet bestond, biedt een betere route: het niet volgen van een aanvulling leidt tot een voor bezwaar vatbare beschikking. De route naar de rechter is daarmee ook veilig gesteld, maar hoeft niet direct gemaakt te worden.

1 Dat wil zeggen: een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001.

2 Bijlage bij Kamerstukken 2016/2017, 31 066, nr. 355.

3 Naar de rechtbank begrijpt volgt dit uit de inleidende paragraaf van het memo waarin wordt gesproken over ‘tegen AH-aanslagen’.

4 Bijv. HR 7 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4247, HR 20 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2824, en HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9872.

5 HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4196.

6 Kamerstukken II, 2012/13, 33 714, nr. 2, artikel IV, onderdelen K en M.

7 Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2020:1080.

8 Vgl. ECLI:NL:GHARL:2019:6527.

9 Vgl. HR 7 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6059.

10 Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, rov. 4.6.4.3.