Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5490

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8767 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8767 PW VV

uitspraak van 9 november 2020 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. P.W. Masseling,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 2 oktober 2020 bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetalen van haar uitkering op grond van de Participatiewet. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoekschrift is op 5 oktober 2020 op de rechtbank ontvangen en in kopie aan het college gestuurd.

In een brief van 8 oktober 2020 heeft het college aan de voorzieningenrechter meegedeeld dat de betaling alsnog heeft plaatsgevonden.

Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. De voorzieningenrechter merkt het niet uitbetalen van uitkering op grond van de Participatiewet aan als het nalaten van een handeling die strekt tot uitvoering van het besluit tot verlening van bijstand. Op grond van artikel 79 van de Participatiewet staan tegen een dergelijk nalaten de rechtsmiddelen van de Awb open.

3. Het college meent dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling omdat in het verzoek om voorlopige voorziening herhaaldelijk wordt gesproken over het uitblijven van een betaling over de maand oktober 2020. Toen het verzoek werd ingediend bestond nog geen aanspraak op die uitbetaling.

De voorzieningenrechter heeft de aanduiding ‘oktober 2020’ niet in het verzoekschrift aangetroffen. Het verzoek is ingediend in samenhang met het bezwaarschrift van 2 oktober 2020. In dat bezwaarschrift wordt gevraagd om betaling van de uitkering over de maand oktober 2020, maar uit de beschrijving van het procedureverloop en de feiten, alsmede uit de overgelegde volmacht, blijkt zonneklaar dat het bezwaar gericht is tegen het niet uitbetalen van uitkering over de maand september 2020.

De voorzieningenrechter vat daarom het verzoek om voorlopige voorziening op als betrekking hebbend op de maand september 2020.

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de brief van 8 oktober 2020 dat het college in ieder geval gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Van betekenis is dat tot betaling is overgegaan nadat een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

5. Nu het college aan verzoekster is tegemoetgekomen, is er in beginsel aanleiding om het college ook te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht. Nu geen betaling van griffierecht heeft plaatsgevonden zal die veroordeling achterwege worden gelaten.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 9 november 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.