Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5486

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
02-086723-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Overtreding 6 WVW. Bestuurder is zonder rijbewijs en na het drinken van een halve krat bier de weg opgegaan en heeft een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij zijn passagier lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft na het ongeval geen medewerking verleend aan een ademonderzoek. Veroordeling tot een taakstraf van 140 uur, een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden: meldplicht en meewerken aan alcoholcontrole. Voor rijden zonder rijbewijs schuldig verklaring zonder straf.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/086723-18

vonnis van de meervoudige kamer van 11 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum en plaats]

wonende te [adres 1]

raadsvrouw mr. S. Brinkman, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging ten aanzien van feit 2 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1 primair: met een auto door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor zijn passagier (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen

feit 1 subsidiair: gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt.

feit 2: geen medewerking heeft verleend aan een ademonderzoek

feit 3: een auto heeft bestuurd zonder dat hij in het bezit was van een rijbewijs.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde feit 1 en de feiten 2 en 3 heeft begaan. Naar het oordeel van de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gereden, waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. Uit de medische verklaring blijkt dat zijn passagier daarbij onder andere een gebroken sleutelbeen heeft opgelopen. Dit letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, althans een letsel waaruit de tijdelijke verhindering van werkzaamheden is ontstaan. Verdachte heeft bekend dat hij zonder geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol heeft gereden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de betrokken hulpofficier blijkt dat verdachte niet mee wilde werken aan enig alcoholonderzoek.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. De verdediging heeft echter vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of dat er tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden van het slachtoffer is ontstaan. Het subsidiair tenlastegelegde feit 1 kan wel bewezen worden. De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat op 10 januari 2018 om 02:16 uur op de Goirleseweg te Tilburg een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is met een door hem bestuurde Ford Focus van de weg geraakt en in botsing gekomen met een lantaarnpaal en een boom en vervolgens in de tuin van een woning tot stilstand gekomen. Ten gevolge van het ongeval heeft zijn passagier lichamelijk letsel opgelopen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Daarvan is pas sprake bij minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of sprake is van een dergelijke (mate van) schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

De rechtbank stelt vast dat er tijdens het omgevingsonderzoek ten aanzien van de weg, het wegdek en de ter plaatse geldende verkeersmaatregelen geen omstandigheden werden geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben. Verdachte heeft bekend dat hij de auto bestuurde na het drinken van een halve krat met 24 flesjes bier. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol een negatief effect heeft op de alertheid en het rijgedrag van een bestuurder en de hoeveelheid alcohol in twaalf flesjes bier is aanzienlijk. Bovendien had verdachte geen rijbewijs. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat het ongeval enkel is veroorzaakt doordat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Er is daarom sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Zijn passagier, werkzaam als magazijnmedewerker, heeft door dit ongeval onder andere een kneuzing van zijn borstkas, wonden aan zijn rechter- en linkerhand en een gebroken sleutelbeen opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat voor een magazijnmedewerker zodanig lichamelijk letsel dat daaruit “tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan”. Ook feit 1 primair kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

primair
op 10 januari 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Ford Focus), daarmede rijdende over de weg, de Goirleseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, na het gebruik van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, de macht/controle over het stuur van het door hem bestuurde motorrijtuig te verliezen, waardoor het door hem bestuurde motorrijtuig van de rijbaan van die weg is geraakt en in botsing is gekomen met een lichtmast en met een boom en vervolgens tot stilstand is gekomen in een tuin van een woning, gelegen aan de [adres 2] , waardoor [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

feit 2
op 10 januari 2018 te Tilburg, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (personenauto, Ford Focus) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

feit 3
op 10 januari 2018 te Tilburg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Ford Focus) heeft gereden op de weg, de Goirleseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor de feiten 1 en 2 op te leggen een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 30 maanden. Voor feit 3 vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen één week hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met het strafblad van verdachte, met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging bepleit om uitsluitend een taakstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte is in de nacht van 9 op 10 januari 2018 zonder rijbewijs en na het drinken van een halve krat bier de weg opgegaan. Hij heeft vervolgens een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij zijn passagier lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gezien de na het ongeval gemaakte foto’s van de auto is het een wonder dat verdachte en zijn passagier het ongeluk hebben overleefd. Verdachte mag ook van geluk spreken dat er zich op het moment van het ongeval geen andere weggebruikers in zijn buurt bevonden. Verdachte heeft na het ongeval geen medewerking verleend aan een ademonderzoek.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Bij een aanmerkelijke mate van schuld met lichamelijk letsel als gevolg en een alcoholgebruik van meer dan 570 µg/l, welk gebruik correspondeert met het drinken van twaalf flesjes bier, past in beginsel 140 uur taakstraf, subsidiair 70 dagen hechtenis, en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden.

In dit geval weegt de rechtbank als strafverzwarend mee dat verdachte nog geen drie maanden voor dit ongeval was veroordeeld tot een stevige geldboete en een rijontzegging van acht maanden voor rijden onder invloed van alcohol. Dat dat vonnis niet onherroepelijk is, doet niet af aan de conclusie van de rechtbank dat dat strafproces blijkbaar onvoldoende indruk op verdachte heeft gemaakt. Het heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw in levensgevaarlijke omstandigheden de weg op te gaan.

In het voordeel van verdachte zou de rechtbank rekening moeten houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De desbetreffende veroordeling door de politierechter op 25 juli 2019 ziet echter op het rijden onder invloed van alcohol en het rijden zonder rijbewijs op 25 april 2019, nota bene een jaar nadat het onderhavige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat, indien deze zaken gelijktijdig zouden zijn berecht, de uitkomst voor verdachte er niet gunstiger had uitgezien en het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een reële optie was geweest.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals genoemd in artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 11 oktober 2020. Daaruit komt naar voren dat verdachte, naar eigen zeggen, een zogenaamde “bingedrinker” was. Hij dronk niet dagelijks, maar als hij dronk, kende hij geen grenzen en werd hij dusdanig dronken dat hij impulsief en ondoordacht handelde. Sinds zes maanden zou hij volledig abstinent zijn van alcohol. Omdat verdachte er geen moeite mee heeft om alcohol te laten staan, heeft hij geen behoefte aan hulp en begeleiding op dit gebied. De reclassering adviseert om nu nog een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Bij een soortgelijk feit in de toekomst zou dat anders komen te liggen.

Op de zitting heeft verdachte aangegeven dat zijn alcoholgebruik niet door de reclassering is gecontroleerd. Desgevraagd heeft hij verklaard bereid te zijn mee te werken aan de controle op zijn alcoholgebruik middels urinecontroles. Hoewel de reclassering dergelijke controles niet heeft geadviseerd, ziet de rechtbank daar voor deze verdachte én de samenleving wel degelijk een meerwaarde in. Verdachte, die nog steeds niet over een rijbewijs beschikt, heeft immers erkend dat hij onder invloed van alcohol was op de momenten dat hij besloot een auto te gaan besturen en heeft zich door eerdere veroordelingen daarvan niet laten weerhouden. Een volgende keer rijden onder invloed moet zo optimaal mogelijk voorkomen worden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden een passende straf is. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opleggen om verdachte ervan te weerhouden om wederom onder invloed van alcohol een auto te besturen. Daarbij zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden opleggen dat verdachte zich zal melden bij de reclassering en mee zal werken aan controle op zijn alcoholgebruik middels urinecontroles.

Voornoemde straf ziet op de misdrijven van feit 1 en feit 2 en doet ook voldoende recht aan de overtreding van feit 3. Voor die overtreding is echter voorgeschreven dat de rechtbank een aparte beslissing moet nemen. Daarom zal de rechtbank verdachte voor dat feit schuldig verklaren zonder straf op te leggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 163, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

feit 2: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

feiten 1 en 2

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

meldplicht

* dat veroordeelde zich binnen twee dagen na het ingaan van de proeftijd dient te melden bij de reclassering op de locatie Alleenhouderstraat 25 te 5041 LC Tilburg (telefoonnummer 088 8041505) en zich dient te blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* dat verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

meewerken aan alcoholcontrole

* dat veroordeelde zich dient te houden aan de richtlijnen van de reclassering aangaande alcoholgebruik, waarbij veroordeelde hierop gecontroleerd zal worden middels urinecontroles;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 18 maanden;

feit 3

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Brouwer, voorzitter, mr. Los en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Van der Gaag, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 november 2020.

Bijlage I

De tenlastelegging (met inachtneming van de wijziging overeenkomstig artikel 313 Wetboek van Strafvordering)

Feit 1

primair
hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Ford Focus), daarmede rijdende over de weg, de Goirlesweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onnadenkend en/of onoplettend, na het gebruik van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcoholhoudende drank de macht/controle over het stuur van het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verloren, althans niet bij voortduring het verloop van de rijbaan van die weg heeft gevolgd, (mede) waardoor het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig van de rijbaan van die weg is geraakt en/of in aanrijding/botsing is gekomen met een lichtmast en/of met een boom en/of (vervolgens) tot stilstand is gekomen in een tuin van een woning, gelegen aan de [adres 2] , waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een aantal gebroken ribben en/of een gebroken sleutelbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair

hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk/type: Ford Focus), daarmee rijdende op de weg, de Goirleseweg, na het gebruik van alcoholhoudende drank de macht/controle over het stuur van het door hem, verdachte bestuurde voertuig heeft verloren, althans niet bij voortduring het verloop van de rijbaan van die weg heeft gevolgd, (mede) waardoor het door hem, verdachte, bestuurde voertuig van de rijbaan van die weg is geraakt en/of in aanrijding/botsing is gekomen met een lichtmast en/of met een boom en/of (vervolgens) tot stilstand is gekomen in een tuin van een woning, gelegen aan de [adres 2] , door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Feit 2
hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Tilburg, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig (personenauto, Ford Focus) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;


De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
( art 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)

Feit 3
hij op of omstreeks 10 januari 2018 te Tilburg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type: Ford Focus) heeft gereden op de weg, de Goirleseweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
( art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018008326 van de eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 51.

Verdachte heeft voor de feiten 2 en 3 een bekennende verklaring afgelegd en door de verdediging is geen vrijspraak bepleit. Daarom kan op grond van de wet voor die feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Feit 1 primair

1.1

De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 28 oktober 2020,

inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben op 10 januari 2018 in Tilburg van de weg geraakt met een door mij bestuurde auto waar [slachtoffer] als passagier in zat. Ik had een halve krat bier op en geen rijbewijs.

1.2.

Het proces-verbaal aanrijding op de pagina 5 e.v., inhoudende, zakelijk

weergegeven:

p.5

Locatie ongeval

Datum : 10 januari 2018

Omstreeks : 02:16 uur

Adres : Goirleseweg

Plaats : Tilburg

Soort weg : een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer

openstaande weg

Vermoedelijke toedracht

De bestuurder reed over de Goirleseweg te Tilburg, in de gemeente Tilburg in de

richting van Ringbaan-Zuid. Hij had hierbij zijn voertuig niet voldoende onder controle en kwam hierbij in botsing met een lichtmast en daarna met een boom. Het voertuig kwam hierna met grote schade tot stilstand in de voortuin van een woning aan de [adres 2]

p.6

Verdachte

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [voornamen]

Geboren : [geboortedatum]

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

[verdachte] was de bestuurder van een personenauto, merk Ford, kenteken [kenteken] .

p.7

Betrokken voertuig Personenauto [kenteken] Ford Focus

1.3.

Het proces-verbaal sporenonderzoek op pagina 10 e.v., inhoudende, zakelijk

weergegeven:

p.10

Aanleiding tot instellen onderzoek

Op woensdag 10 januari 2018, omstreeks 03.00 uur kreeg ik, van de Forensisch

Coördinator van het team Forensische Opsporing, het verzoek een onderzoek in te

stellen naar een verkeersongeval met letsel op de Goirleseweg te Tilburg.

Aldaar zou omstreeks 02.16 uur (tijdstip melding) die dag een verkeersongeval hebben

plaatsgevonden waarbij een personenauto tegen een lantaarnpaal en boom was aangereden

om daarna in een tuin te eindigen.

Plaats Ongeval

Ik zag dat het tijdens mijn onderzoek ter plaatse nacht en droog was en zag dat de weg

licht vochtig was. Ik heb, gezien de aangetroffen omstandigheden, geen reden om aan te nemen dat het weer tijdens het ongeval anders zou zijn geweest.

Tijdens het omgevingsonderzoek werden door mij ten aanzien van de weg, het wegdek, de

ter plaatse geldende verkeersmaatregelen en de wegbeheerder, geen omstandigheden

geconstateerd die het ongeval veroorzaakt of mede veroorzaakt zouden kunnen hebben.

1.4.

De geneeskundige verklaring op pagina 33, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] , onderzocht op 10 januari 2018.

Uitwendig waargenomen letsel onder andere kneuzing van zijn borstkas, wonden aan zijn rechter- en linkerhand en een gebroken sleutelbeen.

1.5.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , pagina 35 en 36, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik werk in 's Hertogenbosch in het Jumbo magazijn.

Feit 2

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 28 oktober 2020;

- het proces-verbaal bevindingen op pagina 24 van voornoemd eindproces-verbaal.

Feit 3

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 28 oktober 2020;

- het proces-verbaal bevindingen op pagina’s 46 en 47 van voornoemd eindproces-verbaal.