Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5443

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
02/051486-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 WVW. Ongeval tussen auto en fietser, waarbij de fietser zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is, ondanks het feit dat hij zich bewust was van de beslagen ruiten van de auto en het gevaar hiervan, blijven doorrijden. Hierdoor heeft hij de fietser niet gezien en is in botsing met de fietser gekomen. Verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/051486-20

vonnis van de meervoudige kamer van 6 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Snoeks, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt. Dit is in verschillende juridische varianten ten laste gelegd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), zoals primair ten laste gelegd. Door met beslagen en slechts gedeeltelijk ijsvrij gemaakte ruiten te blijven rijden kon verdachte zich er niet voldoende van vergewissen dat de weg voor hem vrij was. Verdachte heeft derhalve aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden. De officier van justitie baseert zich hierbij op het proces-verbaal aanrijding misdrijf, de foto’s van de auto van verdachte en situatie ter plaatse en de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en ter zitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde en wijst daarbij op het feit dat het blijven besturen van een auto terwijl deze beslagen ruiten had, waarbij het grootste deel van de ruiten - in elk geval de voorruit aan de bestuurderszijde - ijsvrij was gemaakt, geen gedraging oplevert zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Er is enkel sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

De verdediging is subsidiair van mening dat het gedrag van verdachte, zijnde het besturen van een auto met beperkt zicht doordat de ruiten beslagen waren, eerder valt aan te merken als een overtreding van artikel 5 WVW dan overtreding van artikel 6 WVW.

De verdediging heeft - indien de rechtbank wel komt tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW - meer subsidiair aangevoerd dat slechts sprake is van de lichtste vorm van schuld.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast, dat verdachte op 30 november 2019 als bestuurder van een auto heeft gereden terwijl de binnenzijde van de ruiten van deze auto beslagen waren waardoor het zicht vanuit de auto op de weg werd beperkt. Hierdoor heeft verdachte zijn auto niet tijdig tot stilstand kunnen brengen waardoor hij in botsing is gekomen met een fietser vanuit tegengestelde richting, zijnde [slachtoffer] . Als gevolg van deze botsing heeft [slachtoffer] het in de tenlastelegging opgenomen zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Aan de orde is de vraag hoe deze gedraging moet worden gekwalificeerd. Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Van schuld in deze zin is pas sprake bij een zeer, dan wel aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Verdachte was zich bewust van de beslagen ruiten. Hij heeft hierover bij de politie verklaard, dat de ramen van de auto bevroren waren en dat hij de helft van de voorruit, aan de bestuurderszijde, ijsvrij had gemaakt. Toen hij begon te rijden begon het raam weer te beslaan en is hij doorgereden omdat dit weg zou gaan als de auto op temperatuur zou komen. De auto was volgens verdachte nog niet voldoende warm waardoor de verwarming nog niet goed werkte. Ter zitting heeft verdachte voorts onder meer verklaard dat, indien de aanrijding niet zou zijn gebeurd, hij waarschijnlijk kort na de plaats van de aanrijding wel stil zou zijn gaan staan om zijn ruiten condensvrij te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat hij zich bewust was van het gevaar van rijden met beslagen ruiten. Ondanks het feit dat hij zich bewust was van de beslagen ruiten en het gevaar hiervan is hij blijven rijden. Door met slecht zicht toch te rijden, heeft verdachte de hem tegemoetkomende fietser die rechtdoor reed niet gezien en heeft hij niet voor de fietser gestopt. Hij is in plaats van te stoppen linksaf geslagen en is in botsing met de fietser gekomen. Gelet op voorgaande heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, zodat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 30 november 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Sint Ceciliastraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en

onoplettend, terwijl het zicht vanuit het door verdachte bestuurde motorrijtuig werd beperkt, verdachtes motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor aan een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schouderblad breuk en een sleutelbeenbreuk en 3 gebroken ribben en een gebroken rug en een gebroken linker pols en een gebroken linker oogkas en een gebroken neus en een breuk in het

schedeldak werd toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW op te leggen een taakstraf van 90 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld zich bij bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te kunnen vinden in de strafeis van de officier van justitie, met dien verstande dat - rekening houdend met de verantwoordelijkheid en betrokkenheid die verdachte heeft getoond - de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk dient te worden opgelegd, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag. Terwijl de ruiten van zijn auto beslagen waren, waardoor het zicht op de weg voor hem werd beperkt, is verdachte blijven rijden. Hierdoor heeft verdachte een onaanvaardbaar risico genomen en de verkeersveiligheid van medeweggebruikers op ernstige wijze in gevaar gebracht. Dat risico heeft zich verwezenlijkt doordat er een ongeval heeft plaatsgevonden, waarbij het destijds 73-jarige slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer draagt de gevolgen van dit ongeluk nu, bijna een jaar later, nog steeds met zich.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, die weergeven welke straffen kunnen worden opgelegd in soortgelijke zaken. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, geven deze oriëntatiepunten een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden aan.

Verdachte is blijkens een op zijn naam staand uittreksel Justitiële Documentatie eerder onherroepelijk veroordeeld voor verschillende feiten, waaronder ook enkele verkeersovertredingen. Zo zijn aan verdachte straffen opgelegd wegens een aanzienlijke overtreding van de maximumsnelheid en een overtreding van artikel 5 WVW. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen voor het veroorzaken van het ongeval. Verdachte heeft na het ongeval het slachtoffer in het ziekenhuis opgezocht en zijn excuses aangeboden. Ook hierna heeft hij nog een keer telefonisch contact opgenomen met het slachtoffer om te vragen hoe het met hem ging.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor verdachte – gezien het vooruitzicht op werk en de zorg voor zijn dochter en moeder – een dermate verstoring van zijn leven teweeg zal brengen dat de belangen van verdachte zwaarder dienen te wegen dan het maatschappelijk belang. De rechtbank zal om die reden een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Daarnaast is de rechtbank wel van oordeel dat de ernst van het feit in de strafmaat voldoende tot uitdrukking dient te komen. De rechtbank is derhalve, alles overwegend, van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Beudeker, voorzitter, mr. Schuur en mr. Fontein, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

6 november 2020.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I - De tenlastelegging

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over

de weg, de Sint Ceciliastraat zich zodanig heeft gedragen dat een aan

zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, terwijl het zicht vanuit het door verdachte bestuurde

motorruituig (ernstig) werd beperkt, verdachtes motorrijtuig niet tot

stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze

vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar

lichamelijk letsel, te weten een schouderblad breuk en/of een

sleutenbeenbreuk en/of 3, althans één of meer gebroken rib(ben) en/of

en/of een gebroken rug en/of een gebroken linker pols en/of een

gebroken linker oogkas en/of gebroken neus en/of een breuk in het

schedeldak, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 november 2019 te Tilburg als bestuurder van een

voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Sint

Ceciliastraat, terwijl het zicht vanuit het door verdachte bestuurde

motorruituig (ernstig) werd beperkt, verdachtes motorrijtuig niet tot

stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en

deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op

die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )

Bijlage II - De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2019287938-1 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

1. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf met proces-verbaalnummer PL2000-2019287938-1 met de daarbij opgenomen bijlagen, opgenomen in voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 30 november 2019, omstreeks 9.15 uur, reed [verdachte] in een Fiat Punto met kenteken [kenteken] [verdachte] reed in de [kenteken] over de Sint Ceciliastraat te Tilburg, komende uit de richting van de Hart van Brabantlaan en gaande in de richting van de Boomstraat. [slachtoffer] reed op een fiets, over de Sint Ceciliastraat, komende uit de richting van de Boomstraat en gaande in de richting van de Hart van Brabantlaan. Ter hoogte van de Elzenstraat, wilde [verdachte] deze, vanaf zijn positie gezien, linksaf in rijden. Daarbij gaf hij geen voorrang aan [slachtoffer] , waardoor een aanrijding ontstond en [slachtoffer] hierbij met zijn fiets ten val kwam. Door deze aanrijding raakte [slachtoffer] zwaar gewond.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2000-2019287938-4, opgenomen in voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag omstreeks 9.20 uur dat de voorruit van het voertuig aan de zijde van de bestuurder helemaal beslagen was. Ik, verbalisant, zag dat er op de zij- en achterruiten een laag condens zat waardoor deze ramen niet doorzichtig waren.

3. Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer met proces-verbaalnummer PL2000-2019287938-6, opgenomen in voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik reed zaterdag op mijn fiets over de Sint Ceciliastraat te Tilburg. Ik kwam vanaf de Boomstraat. Ik zag een auto aankomen vanuit de Hart van Brabantlaan. Ik zag dat de auto opeens linksaf sloeg. Ik wilde daar rechtdoor fietsen. Ik voelde dat ik geraakt werd door die auto. Voor mijn gevoel werd mijn knie geraakt. Ik werd van mijn fiets af geslingerd. In het ziekenhuis bleek ik het volgende letsel te hebben; een hoofdwond waar 19 hechtingen in zitten, een gebroken schouderblad, sleutelbeen links, 3 ribben links, gebroken rug, gebroken linker pols, gebroken linker oogkas, gebroken neus en een breuk in het schedeldak.

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte met proces-verbaalnummer PL2000-2019287938-2, opgenomen in voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zag de fietser te laat en kon hem niet meer ontwijken waardoor hij tegen de linker voorkant van mijn auto kwam. Mijn ramen van de auto waren vanmorgen bevroren. Ik heb de voorruit half gekrabd, de helft van de bestuurderszijde heb ik ijsvrij gemaakt. Toen ik ging rijden begon het raam weer te beslaan, ik ben doorgereden omdat dit weg zou gaan als de auto op temperatuur zou komen. De auto was nog niet voldoende warm waardoor de verwarming

nog niet goed werkt

5. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 23 oktober 2020, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik zat fout, ik had die man voorrang moeten verlenen.

Als ik die man niet had geraakt denk ik dat ik kort daarna was gestopt om mijn ruit af te doen.