Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5413

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting / resultaat uit overige werkzaamheden, formele geschilpunten, immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij belanghebbende ten onrechte een ROW-correctie heeft toegepast, omdat de inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat als aanvangsmoment van de redelijke termijn heeft te gelden het moment van indiening van het verzoek tot herziening van de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw. De rechtbank acht dit aanvangsmoment in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad – waarin als uitgangspunt geldt dat het aanvangsmoment van de redelijke termijn het moment van ontvangst van bezwaar is – omdat de rechtbank, mede gelet op een conclusie van A-G Wattel, ervan uitgaat dat deze jurisprudentie als achtergrond de jurisprudentie van het EHRM heeft. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de redelijke termijn eerder aanvangt dan het moment waarop het geschil aanhangig wordt gemaakt bij een rechter indien een (wettelijk verplichte) “voorprocedure” moet worden doorlopen. In het onderhavige geval moest belanghebbende eerst de verzoekprocedure om herziening van de voorlopige aanslagen en de bezwaarfase tegen de (afwijzende) beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen, zijnde (wettelijk verplichte) voorprocedures, doorlopen, voordat hij beroep kon instellen bij een bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2020
V-N Vandaag 2020/3001
FutD 2020-3628
FutD 2020-3627
NTFR 2020/3730
V-N 2021/4.24.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/5469, 19/5470, 20/7470 en 20/7471

uitspraak van 4 november 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

- De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 24 september 2019 op de bezwaren van belanghebbende tegen de afwijzende beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 en de bij gelijktijdige beschikking in rekening gebrachte belastingrente, met aanslagnummer [aanslagnummer] .H.60.2 (BRE 19/5469), alsmede tegen de afwijzende beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet (hierna: Zvw) voor het jaar 2016, met aanslagnummer [aanslagnummer] .W.60.01.4 (BRE 19/5470).

- De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 10 juni 2020 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2016 opgelegde definitieve aanslag IB/PVV, met aanslagnummer [aanslagnummer] .H.66.1 (BRE 20/7470) en de voor het jaar 2016 opgelegde definitieve aanslag Zvw, met aanslagnummer [aanslagnummer] .W.66.01.4 (BRE 20/7471).

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2020 te Roermond. Aldaar zijn de zaken van belanghebbende met zaaknummers BRE 19/5469 en 19/5470 gelijktijdig behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Hierin is vermeld welke personen aanwezig zijn geweest. Een kopie van het proces-verbaal is op 27 augustus 2020 aan partijen toegestuurd.

De rechtbank heeft, in overleg met partijen, het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat om de inspecteur in de gelegenheid te stellen, in het kader van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nadere stukken in te dienen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld het reeds ingestelde beroep tegen de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2016 nader te motiveren, zodat de beroepen gelijktijdig met de beroepen tegen afwijzende beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen kunnen worden behandeld. De inspecteur heeft voorts de gelegenheid gekregen om een verweerschrift tegen deze beroepen in te dienen.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 21 oktober 2020 te Roermond. Aldaar zijn de zaken met zaaknummers BRE 19/5469, 19/5470, 20/7470 en 20/7471 gelijktijdig behandeld. Ter zitting zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en zijn gemachtigde mr. J.M.S. Nass, verbonden aan Nass & Nass Advocaten en Belastingadviseurs te Gulpen, tot bijstand vergezeld van P.H.J. Nass. De inspecteur heeft zich laten vertegenwoordigen door [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de voorlopige aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 9.683;

  • -

    vermindert de voorlopige aanslag Zvw 2016 tot een bijdrage inkomen van € 0;

  • -

    vermindert de definitieve aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 9.683;

  • -

    vermindert de definitieve aanslag Zvw 2016 tot een bijdrage inkomen van € 0;

  • -

    wijzigt de bij deze belastingaanslagen in rekening gebrachte dan wel vergoede belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar en beroep ten bedrage van € 3.742;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem vergoedt tot een bedrag van € 95;

  • -

    beslist dat voor zover de toegekende proceskostenvergoeding niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

2 Motivering

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 mei 2016 [A BV] (hierna: de BV) opgericht en op diezelfde dag ingeschreven bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op 28 november 2017 is de BV weer uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Gedurende deze periode stond belanghebbende ingeschreven als enig aandeelhouder van de BV.

2.2.

Op 15 juni 2016 is door belanghebbende, in hoedanigheid van verkoper, en [A] , in hoedanigheid van koper, een “overname-overeenkomst” ondertekend. Daarin is (onder meer) het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 1. Titel en object

1. Verkoper verkoopt aan koper, en koper koopt van verkoper, per 15 juni 2016, alle aandelen in het bedrijf [A BV]

Artikel 2. Levering en risico-overgang

1. De eigendomsoverdracht geschiedt per omgaande, zijnde 15 juni 2016.

Koper verplicht zich de navolgende zaken te regelen:

Uitschrijven van [belanghebbende] als eigenaar en directeur van [A BV] via notaris en bij de Kamer van Koophandel;

Wijzigen van de gegevens van [belanghebbende] bij de bank en alle overige instanties;

Koper is vanaf het moment van ondertekenen van deze overeenkomst financieel en juridisch verantwoordelijk voor [A BV] . [belanghebbende] treedt i.v.m. zijn ziekte direct terug als directeur en eigenaar van [A BV] (…)”

2.3.

Er heeft geen levering van de aandelen in de BV door belanghebbende aan [A] plaatsgevonden.

2.4.

In de periode van 26 mei 2016 tot en met 20 oktober 2016 hebben er contante stortingen naar een totaal bedrag van € 67.110 plaatsgevonden op de bankrekening van de BV.

2.5.

Op 3 juli 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en twee controlerend ambtenaren van de Belastingdienst. Tijdens dit gesprek heeft ook telefonisch contact plaatsgevonden met de adviseur van belanghebbende, [adviseur] . Naar aanleiding van het gesprek is belanghebbende verzocht meer informatie te verstrekken over (onder meer) de contante stortingen die hebben plaatsgevonden op de bankrekening van de BV. Belanghebbende heeft tijdens het gesprek onder meer gemeld dat hij geen aandeelhouder van de BV meer was.

2.6.

Met dagtekening 8 september 2017 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 95.977, waaronder begrepen een resultaat uit overige werkzaamheden van € 67.110. Met dagtekening 8 september 2017 is ook de voorlopige aanslag Zvw voor het jaar 2016 naar het (maximale) bijdrage-inkomen van € 52.763 vastgesteld.

2.7.

De inspecteur heeft op 19 november 2017 van belanghebbende ontvangen de aangifte IB/PVV voor het jaar 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.863, bestaande uit belastbare winst uit onderneming van € 19.004 negatief, een Ziektewetuitkering van € 5.006, een periodieke uitkering van SRLEV NV van € 1.346 en een WIA-uitkering van € 22.515.

2.8.

Bij brief met dagtekening 22 januari 2018 heeft belanghebbende ter zake van de voorlopige aanslagen herzieningsverzoeken ingediend. De inspecteur heeft de verzoeken afgewezen. Op 14 mei 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de afwijzende beschikkingen op de herzieningsverzoeken, welke bij uitspraken op bezwaar zijn afgewezen.

2.9.

Met dagtekening 11 oktober 2019 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.973. Gelijktijdig heeft de inspecteur de definitieve aanslag Zvw voor het jaar 2016 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 48.106. Het belastbaar inkomen uit werk en woning onderscheidenlijk het bijdrage-inkomen komt overeen met de aangifte echter met een correctie van € 67.110 voor een resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: de ROW-correctie).

2.10.

Tegen de definitieve aanslagen heeft belanghebbende op 15 november 2019 bezwaar gemaakt. Het bezwaar tegen de definitieve aanslagen is eveneens afgewezen.

Geschil

2.11.

Tussen partijen is in geschil de ROW-correctie die in aanmerking is genomen bij de belastingaanslagen.

2.12.

Partijen zijn het erover eens dat indien de ROW-correctie niet terecht is, de belastingaanslagen IB/PVV en Zvw dienen te worden vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2016, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.863 respectievelijk een bijdrage-inkomen van nihil.

Verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken

2.13.

Belanghebbende heeft geklaagd over de (te) late indiening van het verweerschrift in de zaken betreffende de voorlopige aanslagen. Tijdens de (eerste) zitting hebben partijen op dit punt overeenstemming bereikt in die zin dat de pleitnota in die zaken wordt aangemerkt als een conclusie van repliek in het kader van de toekenning van de proceskostenvergoeding.

2.14.

Verder heeft belanghebbende erover geklaagd dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken (hierna: 8:42-stukken) heeft ingebracht. De rechtbank heeft bij de eerste zitting de inspecteur in de gelegenheid gesteld alle 8:42-stukken alsnog in te brengen in het geding. Deze stukken zijn op 31 augustus 2020 door de rechtbank ontvangen. De inspecteur heeft geen stukken met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van de adviseur van belanghebbende, [adviseur] en een door [A] aangenomen werknemer van de BV, [B] ingebracht. Volgens belanghebbende zijn dat wel 8:42-stukken.

De rechtbank overweegt als volgt. De strafrechtelijke onderzoeken zijn voor de inspecteur aanleiding geweest om onderzoek te doen naar de contante stortingen op de bankrekening van de BV. De rechtbank acht echter geloofwaardig de verklaring van de inspecteur dat de inspecteur – waaronder begrepen de controlemedewerker – de stukken met betrekking tot de strafrechtelijke onderzoeken niet als zodanig tot zijn beschikking heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat artikel 8:42 van de Awb in zoverre niet is geschonden. Wel heeft de inspecteur ter zitting gemeld dat er een aantekening is gemaakt inzake de melding van het strafrechtelijk onderzoek, met name de contante storingen, aan de Belastingdienst. Die aantekening zou de inspecteur nog nasturen, maar dat heeft hij niet gedaan. In zoverre is artikel 8:42 van de Awb geschonden. Gelet op wat hierna overwogen over de ROW-correctie ziet de rechtbank geen aanleiding om daaraan afzonderlijke gevolgen te verbinden. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan het niet-inbrengen van het bezwaarschrift tegen de definitieve aanslagen gevolgen te verbinden, reeds omdat belanghebbende daardoor niet in zijn verdediging is geschaad.

2.15.

Belanghebbende heeft erover geklaagd dat de inbreng van de stukken op 31 augustus 2020 zodanig laat is dat hij in zijn verweermogelijkheden is geschaad. Dit geldt met name voor de bankafschriften waarop de ROW-correctie is gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat de stukken in elk geval wat betreft de beroepsfase niet te laat zijn ingebracht in de procedure voor de definitieve aanslagen. Het pijnpunt zit er (echter) kennelijk in dat de stukken ook niet eerder zijn overgelegd in de bezwaarfase. Dat kan als zodanig echter hooguit tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar leiden, wat – zie hierna – reeds om een andere reden gebeurt.

Schending van artikel 10:3 van de Awb en het hoorrecht

2.16.

Partijen zijn het erover eens dat de uitspraken op de bezwaren vernietigd moeten worden, omdat artikel 10:3, derde lid, van de Awb is geschonden onderscheidenlijk ten onrechte niet is gehoord. De beroepen zijn derhalve reeds om formele redenen gegrond. De rechtbank komt niet toe aan de behandeling van het door belanghebbende gedane beroep op schending van verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de bezwaarfasen.

2.17.

Partijen hebben ter zitting aangegeven dat zij geen terugwijzing van de zaken naar de inspecteur wensen. Gelet hierop zal de rechtbank zelf in de zaken voorzien.

Unierechtelijk verdedigingsbeginsel

2.18.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden, doordat hij – in de kern weergegeven – voorafgaand aan het vaststellen van de aanslagen niet is gehoord. Dit standpunt wordt verworpen. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is in deze situatie niet van toepassing, omdat deze situatie niet onder de werkingssfeer van het Unierecht valt.1 Er is geen sprake is van een bezwarend besluit dat is gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan Unierechtelijke voorschriften, en evenmin aan de orde is of de toepassing van de nationale belastingwetgeving een – al dan niet gerechtvaardigde - beperking inhoudt van de unierechtelijke verkeersvrijheden.

Zijn de belastingaanslagen tot te hoge bedragen vastgesteld?

2.19.

Ter zitting heeft de inspecteur geconcludeerd dat bij de uitspraken op bezwaar betreffende de voorlopige aanslagen ten onrechte geen rekening is gehouden met de in de aangifte aangegeven (negatieve) winst uit onderneming, en dat de voorlopige aanslagen derhalve moeten worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.973 onderscheidenlijk een aanslag tot een bijdrage-inkomen van € 48.106.

Daarnaast heeft de inspecteur ter zitting de juistheid van het standpunt van belanghebbende bevestigd dat de ROW-correctie in elk geval € 1.500 te hoog is, en de definitieve aanslagen dienovereenkomstig moeten worden verminderd.

2.20.

De inspecteur heeft de ROW-correctie – in de kern weergegeven – gebaseerd op het volgende. In de periode van 26 mei 2016 tot en met 20 oktober 2016 zijn contant gelden zijn gestort op de bankrekening van de BV. In de periode waarin de contante stortingen plaatsvonden was belanghebbende directeur en enig aandeelhouder van de BV. De aandelen zijn nooit aan [A] overgedragen. De gelden kunnen dus enkel afkomstig zijn van belanghebbende. Omdat een andere bron bij belanghebbende onbekend is, moet wel sprake zijn van inkomsten die buiten het zicht van de Belastingdienst zijn gehouden, zo begrijpt de rechtbank het betoog.

2.21.

Belanghebbende stelt zich – in de kern weergegeven – op het standpunt dat de gelden bij hem ten onrechte als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking zijn genomen, omdat hij de contante stortingen op de bankrekening van de BV niet heeft gedaan. Belanghebbende voert ter onderbouwing van zijn standpunt aan dat hij kort na inschrijving van de BV in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ziek is geworden en daardoor zijn onderneming in de BV niet kon opstarten. [A] , een voor belanghebbende onbekende persoon, heeft kort nadat belanghebbende ziek is geworden contact gezocht met belanghebbende om de BV over te nemen. De adviseur van belanghebbende heeft daartoe een overnameovereenkomst opgesteld, welke belanghebbende en [A] , in het bijzijn van de adviseur, hebben ondertekend. Belanghebbende ging ervan uit dat hij geen aandeelhouder meer was. [A] is echter de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst niet nagekomen, waardoor de aandelen niet aan [A] zijn geleverd. [A] was echter wel in het bezit van de (inlog)gegevens van de bankrekening van de BV, aldus nog steeds belanghebbende.

2.22.

Als uitgangspunt is het door de inspecteur aangevoerde scenario over de herkomst van de gelden die contant zijn gestort op de bankrekening van de BV meer dan plausibel. Toch acht de rechtbank alles afwegende de inspecteur niet in de bewijslast geslaagd. Dat is gebaseerd op het hierna volgende in onderlinge samenhang bezien.

De inspecteur heeft geen (positief) bewijs aangedragen waaruit blijkt dat belanghebbende de contante stortingen heeft gedaan. Uit het door de inspecteur overgelegde overzicht van de mutaties op de bankrekening van de BV blijkt enkel dat er contante stortingen hebben plaatsgevonden, maar niet wie deze stortingen heeft gedaan.

Bovendien heeft belanghebbende met betrekking tot een aantal van de gedane contante stortingen gemotiveerd gesteld dat hij die niet zelf gedaan kán hebben omdat hij toen ergens anders was. Dat is als zodanig niet door de inspecteur betwist. Wel heeft de inspecteur daartegenover gesteld dat niet uitgesloten kan worden dat iemand anders de stortingen voor belanghebbende heeft gedaan.

Mede gelet op de in 2.21 weergeven verklaring van belanghebbende dat [A] in het bezit was van de gegevens van de bankrekening van de BV, is het denkbaar dat een ander dan belanghebbende de contante stortingen heeft gedaan.

Belanghebbende heeft gedurende de hele procedure – vanaf het in 2.5 vermelde –gesprek vrij consistent verklaard overeenkomstig wat is vermeld in 2.21, ook op met name de eerste zitting. Aan de inspecteur kan worden toegegeven dat wat belanghebbende vertelt, op het eerste gezicht vrij onwaarschijnlijk overkomt. Dat pleit echter niet zonder meer tegen belanghebbende, gegeven het verderop aan de orde komende scenario dat misbruik is gemaakt van belanghebbende.

Tussen partijen staat vast dat belanghebbende een overeenkomst heeft gesloten met [A] ; de inspecteur heeft gemeld de authenticiteit van de in 2.2 vermelde overeenkomst niet te betwisten. Ter zitting heeft de inspecteur zich wel op het standpunt gesteld dat in werkelijkheid sprake is van een schijnovereenkomst. Dat kan niet worden uitgesloten, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aannemelijk, althans de rechtbank acht niet zonder meer aannemelijk dat wat in de overeenkomst is vermeld niet overeenkwam met wat belanghebbende wilde of wat aan hem was voorgespiegeld. De inspecteur heeft ook niet uiteengezet wat het belang van belanghebbende zou kunnen zijn bij een schijnovereenkomst. Uitgaande van het scenario dat de inspecteur verdedigt – belanghebbende heeft gelden gestort die door hem zijn behaald met ‘zwarte inkomsten’ – is onduidelijk wat de zin ervan zou zijn voor belanghebbende om de overeenkomst te sluiten en vervolgens aan de overeenkomst geen uitvoering te geven, waardoor in de rechtsverhoudingen tot de BV niets wijzigt.

De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat mogelijkerwijs misbruik is gemaakt van de zwakke (geestes-)toestand van belanghebbende. Gelet op de indruk die de rechtbank van belanghebbende ter zitting heeft gekregen en de door belanghebbende overgelegde medische verklaringen acht de rechtbank dit geenszins een irreëel scenario. Wel is het zo dat niet gezegd kan worden dat het scenario dat belanghebbende als stroman is gebruikt, aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank heeft op basis van zowel de stukken als de uitlatingen ter zitting de indruk gekregen dat voor de inspecteur doorslaggevend is dat de aandelen in de BV niet zijn overdragen.2 Dat is echter niet waar het in deze zaak draait: het gaat erom – in het kader van bewijs of belanghebbende inkomsten uit overige werkzaamheden heeft behaald – of belanghebbende de contante stortingen heeft gedaan. De inspecteur heeft echter door de focus op de kwestie of de aandelen wel of niet zijn overgedragen, andere scenario’s voor de contante stortingen niet (kenbaar) onderzocht, hoewel belanghebbende van meet af aan heeft ontkend de contante stortingen te hebben gedaan. Bovendien, hoewel de informatie over de contante stortingen afkomstig was van een strafrechtelijk onderzoek naar andere personen dan belanghebbende, heeft de inspecteur daar verder geen navraag naar gedaan bij de betrokkenen bij het strafrechtelijk onderzoek. Ook niet toen bleek dat die personen ook hier een rol speelden (de meergenoemde adviseur en de in 2.15 genoemde werknemer). De inspecteur heeft evenmin (derden-)onderzoek gedaan bij degenen die betalingen ontvingen vanaf de bankrekening van de BV, bijvoorbeeld ter verificatie van de stelling van belanghebbende dat hij verder niet meer bij de BV betrokken was. Het gebrek aan onderzoek – ter toetsing van mogelijke alternatieve scenario’s – weegt de rechtbank ten nadele van de inspecteur mee, mede gelet op zijn onderzoeksplicht.

De rechtbank komt tot het oordeel dat weliswaar het “stromanscenario” niet aannemelijk is gemaakt en het verhaal van belanghebbende ook allerlei vragen oproept, maar dat het scenario waarvan de inspecteur uitgaat evenmin aannemelijk is gemaakt. Dat scenario wordt met te weinig concreet bewijs ondersteund en er is te veel twijfel, om te kunnen oordelen dat het scenario meer aannemelijk is dan de mogelijkheid dat de contante stortingen door een ander zijn gedaan. Aangezien op de inspecteur de bewijslast rust dat het inkomen van belanghebbende hoger is dan aangegeven, komt de onduidelijkheid over de feiten voor zijn risico. De inspecteur heeft daarom ten onrechte een resultaat uit overige werkzaamheden van € 67.110 bij belanghebbende in aanmerking genomen.

2.23.

De conclusie luidt dat de belastingaanslagen overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV moeten worden verminderd (zie ook 2.11).

Immateriële schade

2.24.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft het volgende te gelden.3 De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar. Bij overschrijding van de redelijke termijn bestaat recht op vergoeding van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn wordt overschreden. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient de overschrijding te worden toegerekend aan de bezwaar- en beroepsfase. Bij deze toerekening heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

2.25.

De rechtbank is van oordeel dat de zaken met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen en de zaken met betrekking tot de definitieve aanslagen met elkaar samenhangen, omdat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en in beroep uiteindelijk gelijktijdig zijn behandeld en beslist. Dat de eerste zitting alleen zag op de voorlopige aanslagen maakt dat niet anders, omdat die omstandigheid niet wegneemt de behandeling in beroep van de aanslagen volledig is samengevallen met de behandeling van de voorlopige aanslagen. De omstandigheid dat in de bezwaarfase de behandeling niet gelijktijdig is geweest, kan evenmin tot een ander oordeel leiden.4 Deze bijzondere omstandigheid brengt mee dat bij het bepalen van de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip waarop belanghebbende voor het eerst een rechtsmiddel heeft aangewend en voor de vaststelling van het bedrag van de immateriële schadevergoeding voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.5

2.26.

Uitgangspunt in de jurisprudentie van de Hoge Raad is dat de in aanmerking te nemen termijn aanvangt op het moment van ontvangst van het bezwaar. Mede gelet op een conclusie van A-G Wattel gaat de rechtbank ervan uit dat dit uitgangspunt de volgende achtergrond heeft.6 Hoofdregel in de jurisprudentie van het EHRM is dat de termijn aanvangt op het moment waarop het geschil aanhangig wordt gemaakt bij de rechter.7 De termijn vangt echter eerder aan, indien een (wettelijk verplichte) “voorprocedure” doorlopen moet worden voordat beroep op de rechter openstaat.8 Zo een verplichte voorprocedure is de bezwaarfase.

Hier doet zich het geval voor dat belanghebbende voordat hij beroep kon instellen bij de bestuursrechter tegen de voorlopige aanslagen, eerst de (wettelijk verplichte) verzoekprocedure om herziening van de voorlopige aanslagen moest doorlopen en vervolgens de bezwaarfase tegen de (afwijzende) beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen. Gelet op de voormelde veronderstelde achtergrond is het in lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad om dan in zo’n geval als aanvangsmoment van de in aanmerking te nemen termijn het moment van het indienen van het herzieningsverzoek aan te merken. De inspecteur heeft in beroep niet voldoende gemotiveerd bestreden dat de aangifte voor het jaar 2016 had moeten worden aangemerkt als herzieningsverzoek van de voorlopige aanslagen.

2.27.

De rechtbank stelt vast dat vanaf de dag dat belanghebbende het herzieningsverzoek heeft gedaan (17 november 2017) tot en met de uitspraak van de rechtbank (4 november 2020), er afgerond 36 maanden zijn verstreken. De rechtbank ziet geen reden om van het uitgangspunt van een redelijke termijn van twee jaar af te wijken, waardoor de overschrijding van de redelijke termijn 12 maanden bedraagt. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van 2 x € 500 is € 1.000.

2.28.

Voor de verdeling daarvan tussen de bestuurlijke fase (verzoek- en bezwaarfase) en de beroepsfase geldt het volgende. De bestuurlijke fase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de laatste uitspraak op bezwaar,9 dus 10 juni 2020. De vergoeding van de immateriële schade is derhalve volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase.

Proceskosten

2.29.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.30.

Bij het vaststellen van de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) gaat de rechtbank er van uit dat de zaken met zaaknummers 19/5469 en 19/5470 samenhangen in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit. Deze zaken zijn gelijktijdig bij de inspecteur en bij de rechtbank aangebracht. Voorts zijn de in het bezwaar- en het beroepschrift opgenomen en ter zitting aangevoerde gronden (nagenoeg) gelijkluidend. Verder kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe in de zaken met zaaknummers 20/7470 en 20/7471. Ook ten aanzien van deze zaken gaat de rechtbank er van uit dat de zaken samenhangen in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit. In totaal wordt dus tweemaal een proceskostenvergoeding toegekend.

2.31.

De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zaken met zaaknummers 19/5469 en 19/5470 vast op € 2.097 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 261; 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 0,5 punt voor een conclusie van repliek,10 1 punt voor de eerste zitting, 0,5 punt voor de tweede zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reis- en verblijfskosten wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 71,68 voor beide zittingen.

2.32.

Met betrekking tot de zaken met zaaknummers 20/7470 en 20/7471 heeft de inspecteur ter zitting ingestemd met het toekennen van een extra 0,5 punt, omdat eerder het bezwaar tegen de definitieve aanslagen IB/PVV en Zvw ten onrechte is doorgezonden aan de rechtbank en belanghebbende een proceshandeling heeft moeten verrichten om dat recht te zetten. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zaken met zaaknummers 19/5469 en 19/5470 vast op € 1.573,50. (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, met een waarde per punt van € 261; 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de hiervoor vermelde bijzondere omstandigheid, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). De reiskosten zijn hiervoor al in aanmerking genomen.

2.33.

In totaal worden de kosten vastgesteld op (afgerond) € 3.742 ( € 2.097 + € 71,68 + € 1.573,50).

Rente over de proceskostenvergoeding in beroep

2.34.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van de toegekende proceskostenvergoeding. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist wordt dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de toegekende proceskostenvergoeding niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.11

Deze uitspraak is op 4 november 2020 gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Deze uitspraak is enkel ondertekend door de griffier omdat de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. HR 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2082.

2 Vgl. ook de omschrijving van het standpunt van de inspecteur in de verweerschriften: “Ik ben van mening dat belanghebbende in de betreffende periode nog steeds aandeelhouder en bestuurder van [A BV] was. Daarom heeft de inspecteur terecht het totaal van de contante stortingen als ROW bij belanghebbende in aanmerking genomen.”

3 Vgl. het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

4 HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.

5 Zie HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.

6 Conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2011:BO5046, onderdeel 8.1.

7 EHRM 23 april 1987, nr. 9616/81 (Erkner en Hofauer v Austria).

8 Vgl. EHRM 19 april 2007, nr. 63235/00 (Vilho Eskelinen e.a. v Finland).

9 Vgl. HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.

10 Zie 2.13.

11 Vlg. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.