Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5410

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 188
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 16 van de AWR.

Navorderingsaanslagen terecht opgelegd. Belanghebbenden hebben een herziene aangifte IB/PVV ingediend waarin zij een persoonsgebonden aftrekpost aan scholingsuitgaven in aanmerking hebben genomen. De inspecteur heeft naar aanleiding van de herziene aangiften de eerder opgelegde aanslagen ambtshalve verminderd. Nadien is de inspecteur ervan op de hoogte geraakt dat de in aanmerking genomen kosten zien op een korting van het brutoloon als gevolg van een arbeidsvoorwaardenakkoord van 2 maart 2010 van de politie, waarin is overeengekomen dat het inkomen van aspiranten met 50% tijdens de eerste leerkwartielen wordt verminderd. Naar het oordeel van de rechtbank beschikt de inspecteur daarmee als uitgangspunt over een nieuw feit. De rechtbank acht de uit de jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeiende rechtsregels met betrekking tot het ambtelijk verzuim ook van toepassing in gevallen als de onderhavige en overweegt dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door de aanslagen IB/PVV naar aanleiding van de herziene aangiften “ongezien” ter verminderen. In het kader van de bezwaarfase wordt niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de herziene aangiften, omdat sprake is van en formele beslissing en er was voor de inspecteur in het kader van de ambtshalve vermindering voorts geen reden om aan de juistheid van de in de herziene aangiften opgenomen aftrekposten te twijfelen, nu de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de herziene aangiften opgenomen gegevens juist waren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-12-2020
V-N Vandaag 2020/3034
FutD 2020-3622
V-N 2021/12.2.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 20/188 en 20/189

uitspraak van 4 november 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende 1,

en

[belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende 2,

samen te noemen: belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

- De uitspraak van de inspecteur van 10 december 2019 op het bezwaar van belanghebbende 1 tegen de aan haar voor het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.673, aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.47.01 (BRE 20/188).

- De uitspraak van de inspecteur van 2 december 2019 op het bezwaar van belanghebbende 2 tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.647, aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.57.01 (BRE 20/189).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbenden, vergezeld van hun gemachtigde [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur] . Met instemming van beide partijen zijn de zaken gelijktijdig behandeld.

Beide partijen hebben tevens ingestemd dat de uitspraken in één geschrift worden opgenomen.

1 Beslissing

Belanghebbende 1

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond (BRE 20/188).

Belanghebbende 2

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond (BRE 20/189).

2 Motivering

2.1.

Belanghebbende 1 heeft van 2012 tot en met 2015 de initiële politieopleiding gevolgd aan de politieacademie in [plaats] . In het arbeidsvoorwaardenakkoord van de politie van 2 maart 2010 is overeengekomen dat het inkomen van aspiranten met 50% tijdens de leerkwartielen wordt verminderd. Als gevolg daarvan is belanghebbende 1 in 2014 voor een bedrag van € 5.321 gekort op het brutoloon. In 2015 is zij gekort voor een bedrag van € 4.035 op het brutoloon.

2.2.

Op 6 oktober 2018 hebben belanghebbenden ieder een herziene aangifte IB/PVV ingediend. Belanghebbende 1 heeft een herziene aangifte gedaan voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.602. Daarbij heeft zij een bedrag van € 5.071 (inclusief de drempel) als persoonsgebonden aftrekpost aan scholingsuitgaven in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politieopleiding Allround Politiemedewerker”. Belanghebbende 2 heeft een herziene aangifte gedaan voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.862 en daarbij een bedrag van € 3.785 (inclusief de drempel) aan persoonsgebonden aftrek aan scholingsuitgaven voor zijn partner – belanghebbende 1 – in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politie opleiding”. Deze herziene aangiften zijn gedaan nadat de aanslag IB/PVV de desbetreffende jaren (hierna: de aanslagen) reeds waren opgelegd.

2.3.

De aanslagen zijn verminderd overeenkomstig de herziene aangiften. De inspecteur heeft daartoe aan ieder van belanghebbenden een biljet met dagtekening 6 november 2018 uitgereikt met de titel ‘uitspraak op bezwaar’. In de biljetten staat onder meer, woordelijk gelijkluidend, het volgende vermeld:

“U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (…). De inspecteur heeft het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn ontvangen. Hij verklaart het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk. (…) De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd (…).

2.4.

Op 3 december 2018 heeft een andere belastingplichtige de Belastingdienst gewezen op een bericht van de Nederlandse Politiebond van 28 november 2018, waarin onder meer staat vermeld:

“Onder politiemedewerkers wordt momenteel een mail rondgestuurd waarin ten onrechte wordt beweerd dat collega’s die in de jaren 2010 tot 2013 zijn ingestroomd als aspirant - de jaren van politieminister Ivo ('De Slager') Opstelten - een extra aftrekpost aan studiekosten kunnen opvoeren. Deze aftrekpost zou dan betrekking hebben op de tijdelijke halvering van het salaris tijdens de toenmalige schoolkwartielen.”

2.5.

Met dagtekening 29 juni 2019 zijn aan belanghebbenden de bestreden navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd, waarbij de aftrek van de geclaimde scholingsuitgaven is teruggenomen.

Geschil

2.6.

In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht aan belanghebbenden zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en of belanghebbenden een geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Niet in geschil is dat belanghebbenden op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen recht hebben op aftrek van de geclaimde scholingsuitgaven.

Beoordeling van het geschil

2.7.

Op basis van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

2.8.

De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur beroept zich hier op het feit dat ter zake van de scholing sprake is geweest van een korting op het brutoloon van belanghebbende 1 en derhalve geen sprake is van kosten die ten laste zijn gekomen van haar nettoloon. Dát feit maakt dat geen sprake is van kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Dit feit is als zodanig niet op te maken uit de herziene aangiften. De rechtbank acht aannemelijk dat de inspecteur met dit feit eerst bekend is geworden naar aanleiding van het in 2.4 vermelde bericht van 3 december 2018 van een andere belastingplichtige. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit. Dit is anders indien sprake zou zijn van een ambtelijk verzuim.

2.9.

Belanghebbenden stellen dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Zij hebben in dit verband – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de inspecteur gehouden was de herziene aangiften inhoudelijk te beoordelen en de in aanmerking genomen kosten nader te onderzoeken. De inspecteur had dan bekend kunnen zijn met het feit dat de kosten niet voor aftrek in aanmerking komen als scholingsuitgaven.

2.10.

De inspecteur heeft naar aanleiding van de herziene aangiften twee beslissingen genomen die zijn opgenomen in de in 2.3 vermelde biljetten, namelijk: (i) niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar en (ii) een ambtshalve vermindering van de aanslag. De eerste beslissing is een formele beslissing, waardoor in het kader van de bezwaarfase niet meer wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de herziene aangiften. De tweede beslissing is weliswaar onzuiver verwoord (‘aan uw bezwaar tegemoet te komen’) maar het gaat juridisch om een beslissing die is genomen op basis van de bevoegdheid die de inspecteur toekomt op grond van artikel 9.6, eerste lid, van de Wet IB 2001. Vast staat dat deze tweede beslissing is genomen zonder dat de herziene aangiften inhoudelijk zijn beoordeeld en de in aanmerking genomen kosten nader zijn onderzocht.

2.11.

Volgens vaste jurisprudentie mag de inspecteur in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld.1 Tot een nader onderzoek is de inspecteur in beginsel niet gehouden. Dit is anders wanneer de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.2

2.12.

De rechtbank acht deze regels ook van toepassing in gevallen als de onderhavige, waarin na het opleggen van de aanslag nog door de inspecteur een herziene aangifte wordt ontvangen op basis waarvan de aanslag ambtshalve wordt verminderd.

2.13.

Bij kennisneming met normale zorgvuldigheid van de herziene aangiften zou de inspecteur bemerkt hebben dat voor een, in verhouding tot de hoogte van de inkomsten van belanghebbenden, relatief aanzienlijk bedrag aan scholingsuitgaven in aftrek zijn gebracht. Dat zou voor de inspecteur echter nog geen reden behoeven te zijn om aan de juistheid van de in de herziene aangiften opgenomen aftrekposten in redelijkheid te twijfelen. De omstandigheid dat het om een relatief aanzienlijke bedrag gaat, neemt als zodanig niet weg dat de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de herziene aangiften opgenomen gegevens juist zijn. Dat wordt niet anders dan indien de omschrijving in de herziene aangiften (‘Initiële politieopleiding’) erbij wordt betrokken. Het betoog van belanghebbenden dat de inspecteur erop bedacht had moeten zijn dat de initiële politieopleiding wordt bekostigd door het Rijk en daarom nooit sprake kan zijn van aftrekbare scholingsuitgaven, gaat uit van een te hoge norm wat betreft kennis die de inspecteur zou moeten hebben van (bekostiging van) opleidingen, in het kader van een kennisname van een aangifte met een normale zorgvuldigheid. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur, door de aanslagen naar aanleiding van de herziene aangiften “ongezien” ambtshalve te verminderen, een ambtelijk verzuim heeft begaan.

2.14.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt ook. Met het ambtshalve verminderen van de aanslagen is in dit geval niet het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de in aanmerking genomen kosten aftrekbaar waren. Dat had anders kunnen zijn indien belanghebbenden uitdrukkelijk en gemotiveerd de aftrekbaarheid van de scholingsuitgaven aan de orde hadden gesteld. Maar dat is hier niet het geval.

2.15.

De navorderingsaanslagen zijn dus terecht aan belanghebbenden opgelegd. De beroepen zijn dan ook ongegrond verklaard.

2.16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is op 4 november 2020 gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Deze uitspraak is enkel ondertekend door de griffier omdat de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Vgl. Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165; Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082.

2 Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184