Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5314

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
02/820424-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling in vereniging de dood ten gevolge hebbend door met kracht te slaan en stompen tegen onder meer hoofd en nek en te schoppen tegen het lichaam. Door het geweld is de wervelslagader van het slachtoffer gescheurd met een dodelijke bloeding in de hersenen tot gevolg. Aangeboren vaatafwijking waardoor geringe geweldsinwerking al tot de slagaderscheuring kon leiden. Voorwaardelijk opzet op zware mishandeling. Causaal verband tussen geweldsinwerking, slagaderbloeding en overlijden van het slachtoffer. Overschrijding redelijke termijn. Strafoplegging: een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-820424-17

vonnis van de meervoudige kamer van 2 november 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag verdachte] 1988, te [geboorteplaats verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] ,

raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 en 5 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Nabestaanden mevrouw [naam 1] , mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] hebben gebruik gemaakt van hun spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan doodslag, dan wel aan zware mishandeling die de dood tot gevolg heeft gehad of aan mishandeling die de dood tot gevolg heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de primair tenlastegelegde doodslag in vereniging. Niet bewezen kan worden dat verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en zijn medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) zo hard hebben geslagen en/of geschopt dat zij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] hebben aanvaard.

De subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling in vereniging met de dood ten gevolge kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen worden. Dat volgt uit het overlijden van [slachtoffer] , de in de sectie beschreven letsels en de daarmee verband houdende conclusies van de NFI-deskundige dat het geweld substantieel is geweest. Daarbij komt de uitgebreidheid van de letsels aan de rechterzijde van het hoofd en de hals die door heftiger geweld zijn ontstaan dan slechts tikken of klappen. Samen met de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] - waaruit volgt dat sprake is geweest van schoppen en slaan door beide verdachten - betekent het dat de gedragingen van verdachten zozeer waren gericht op zware mishandeling, dat het niet anders kan zijn dan dat zij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel willens en wetens hebben aanvaard.

Het dossier biedt aanknopingspunten voor voorbedachte rade op mishandeling, maar niet op zware mishandeling. Daarvan dient verdachte te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de doodslag in vereniging en van de zware mishandeling in vereniging.

De getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 4] en [getuige 5] zijn volgens de verdediging onvoldoende betrouwbaar om te worden gebruikt voor het bewijs. Zij verklaren handelingen te hebben waargenomen die zij door hun posities in biljartcentrum [biljartcentrum] (hierna: [biljartcentrum] ) niet hebben kunnen waarnemen. Hun waarnemingen van geweld tegen [slachtoffer] toen hij buiten [biljartcentrum] tegen een raam (hierna: het raam) in elkaar zakte en uiteindelijk op de grond terecht kwam, stemmen ook niet overeen met de waarnemingen van getuige [getuige 3] , het enige lid van biljartteam [biljartteam] dat wel goed zicht op het raam had. Die getuige verklaart dat de verdachten weg liepen toen [slachtoffer] in elkaar zakte. Dat sluit aan bij de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] . Die verdachtenverklaringen worden ook ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] , die het dichtst bij het raam zaten. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 6] en [getuige 7] blijkt niet dat verdachten dusdanig intens geweld tegen [slachtoffer] hebben gebruikt dat daardoor (op zijn minst genomen) de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft bestaan, noch dat er een reële kans bestond dat het geweld tot zwaar lichamelijk letsel zou leiden. Het gebruik van heftig geweld is volgens de geraadpleegde deskundigen niet noodzakelijk geweest om tot een scheur van de rechter wervelslagader van [slachtoffer] te komen.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling in vereniging met de dood ten gevolge. Van voorbedachte rade is daarbij echter geen sprake geweest. De vriendin van [verdachte] , die zegt dat [verdachte] en [medeverdachte] naar [biljartcentrum] kwamen om [slachtoffer] binnen klappen te geven, heeft hen verkeerd begrepen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Verdachten hebben bekend op 13 januari 2017 in Tilburg voor biljartcentrum [biljartcentrum] geweld te hebben gebruikt tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] is een dag later overleden.

Om uit te leggen welke feitelijke geweldshandelingen en welke juridische variant op de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, staat de rechtbank in deze bijzondere overwegingen stil bij de volgende aspecten:

4.3.2.1 De feitelijke geweldshandelingen en hun intensiteit;
4.3.2.2 Het opzet;
4.3.2.3 De voorbedachte rade;
4.3.2.4 De dood ten gevolge

4.3.2.1 De feitelijke geweldshandelingen en hun intensiteit

Om vast te stellen wat de feitelijke geweldshandelingen van verdachten en de intensiteit daarvan zijn geweest, heeft de rechtbank gebruik gemaakt van verklaringen (A), de waarnemingen van de rechtbank op de ter zitting getoonde camerabeelden van buiten [biljartcentrum] (B) en de bij het slachtoffer vastgestelde letsels (C). Deze bewijsmiddelen zullen overigens - in meer of mindere mate - ook nog aangehaald worden bij het opzet, de voorbedachte rade en de dood ten gevolge.

A. De verklaringen

Welke getuigenverklaringen zijn bruikbaar?

Het onderzoek bij de rechter-commissaris en het pleidooi van de verdediging heeft grotendeels in het teken gestaan van de vraag welke getuigenverklaringen betrouwbaar genoeg zijn om te gebruiken voor het bewijs. Daarbij gaat het om de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] , die tijdens het incident aan een tafeltje zaten dicht bij het raam waarvoor een deel van de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden, en getuigen van biljartteam [biljartteam] , die aan een tafeltje verder weg zaten en/of stonden, dan wel aan het biljarten waren. Kort samengevat is volgens de verdediging van biljartteam [biljartteam] alleen getuige [getuige 3] betrouwbaar, terwijl de officier van justitie zijn standpunt met name baseert op getuige [getuige 1] van biljartteam [biljartteam] en ook de verklaringen van de vier andere leden van dat team voor het bewijs gebruikt.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar om te gebruiken voor het bewijs. Uit het verhoor Van [getuige 1] bij de rechter-commissaris en de bij pleidooi getoonde camerabeelden volgt dat [getuige 1] zich ten tijde van het incident bevindt aan de lange zijde van het biljart - evenwijdig aan de buitenmuur waarin zich het raam bevond. Die positie biedt niet het zicht op het raam van [biljartcentrum] dat nodig is om de waarnemingen te kunnen doen die [getuige 1] verklaart te hebben gedaan. Dat wordt bevestigd doordat het door [getuige 1] gegeven dadersignalement van een licht getinte man met een Marokkaans of Turks uiterlijk en een volle baard van een paar weken in het geheel niet overeenkomt met het uiterlijk van verdachten.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat alleen [getuige 3] zonder twijfel een betrouwbare getuige is. Op ter zitting getoonde beelden uit [biljartcentrum] is te zien dat [getuige 3] zich bevond aan een statafel op enige afstand van het raam, maar dat hij door zijn lengte en staande positie een goed zicht op het raam had. Zijn waarnemingen sluiten bovendien aan bij de op zitting getoonde beelden van buiten [biljartcentrum] en de signalementen van verdachten. [getuige 3] had blijkbaar al zicht op de geweldshandelingen voordat [slachtoffer] het raam raakte. Tussendoor heeft hij even geen zicht op het incident gehad, omdat de betrokkenen achter een muur van [biljartcentrum] uit zijn zicht verdwenen. Tot slot heeft hij een passende beschrijving gegeven van de auto waarin beide verdachten na het incident zijn weggereden. De rechtbank concludeert dan ook dat [getuige 3] ten tijde van het incident constant zicht op het raam heeft gehad en gehouden.

Welke verklaringen gebruikt de rechtbank voor het bewijs?

Gelet op wat hiervoor is overwogen, gebruikt de rechtbank alleen de getuigenverklaring van [getuige 3] voor het bewijs van de feitelijke geweldshandelingen en hun intensiteit. De rechtbank gebruikt de verklaring die [getuige 3] op 28 januari 2017 heeft afgelegd bij de politie, omdat die kort na het incident is afgelegd. Zijn verklaring bij de rechter-commissaris is pas bijna twee jaar later afgenomen. Naast de verklaring van [getuige 3] gebruikt de rechtbank ook de politieverklaring van [verdachte] van 12 juli 2017, waarnaar hij op zitting grotendeels heeft verwezen, voor het bewijs. Die wordt hierna (en in de bewijsmiddelen) als eerste weergegeven.

De politieverklaringen van [medeverdachte] zijn naar het oordeel van de rechtbank enkel een reactie op wat hem beetje bij beetje bekend werd uit voorafgaande verklaringen van [verdachte] over het handelen van [medeverdachte] . In zijn eigen verklaringen heeft [medeverdachte] zijn rol zo klein mogelijk gehouden. Die verklaringen hebben voor de rechtbank dan ook geen bewijswaarde.

A.1 Verklaring verdachte [verdachte]

heeft verklaard dat hij, ter hoogte van de auto waarmee hij en [medeverdachte] naar [biljartcentrum] waren gekomen, recht tegenover [slachtoffer] stond die een glas vast had. [verdachte] heeft vrijwel meteen twee keer geprobeerd het glas uit zijn de hand van [slachtoffer] te tikken, waarop [slachtoffer] hem duwde. Daarop sloeg [medeverdachte] [slachtoffer] , waarna [slachtoffer] weg liep. [verdachte] wilde [slachtoffer] vervolgens met zijn rechtervuist in zijn gezicht slaan, maar raakte hem boven op zijn rug, bij zijn nek. Daarna heeft hij [slachtoffer] met zijn rechtervuist op het gezicht geslagen, waarbij hij [slachtoffer] op de rechterkant van zijn gezicht, op zijn kaak, heeft geraakt. [slachtoffer] stond op dat moment met zijn rug naar [verdachte] . [medeverdachte] kwam toen voor [verdachte] langs en trapte [slachtoffer] zijwaarts op de zijkant van zijn rug. [slachtoffer] sjokte of huppelde na de trap van [medeverdachte] naar de stoep voor [biljartcentrum] . Tijdens het verplaatsen vielen er nog meer klappen. Op de stoep deed [slachtoffer] zijn handen omhoog om zich te verdedigen en hij probeerde te slaan. Als reactie daarop wilde [verdachte] hem met zijn linkervuist op de zijkant van zijn gezicht slaan, maar omdat [slachtoffer] wegdraaide, raakte [verdachte] hem op de lip. Daarop is [slachtoffer] richting het raam gestapt. Daarna raakte [verdachte] met zijn rechtervuist [slachtoffer] op zijn neus. Toen viel [slachtoffer] tegen het raam aan en zakte in elkaar. Dat beeld zal [verdachte] nooit vergeten. Hij is toen bij [slachtoffer] gaan staan en heeft gevraagd of het zo genoeg was. Daar reageerde [slachtoffer] eigenlijk niet meer op.

A.2 Getuige [getuige 3]

heeft verklaard dat hij vanuit zijn linkerhoek zag dat er drie man buiten bij het raam liepen. De man die achter de twee andere personen liep, haalde plotseling uit met zijn vuist en raakte de man die in het midden liep op zijn rug of zijn hoofd. Daarna verdwenen ze rechts achter de muur naast het raam. Vervolgens zag hij een man met gebalde vuisten van rechts komen en die stond met zijn rug tegen het raam. De man nam een soort verdedigingshouding aan. Dit was dezelfde persoon die in eerste instantie was geslagen door de andere man. Het latere slachtoffer stond in het midden van het glazen raam. De twee personen kwamen op de man af en sloegen en schopten hem beiden, in ieder geval op het bovenlichaam. De getuige zag dat de man zijn armen voor zijn hoofd hield, en vervolgens in elkaar zakte. Daarna liepen de mannen weg.

De verklaringen van [verdachte] en [getuige 3] passen binnen de hierna genoemde waarneming die de rechtbank zelf heeft gedaan op de op zitting getoonde beelden van buiten [biljartcentrum] .

B. De eigen waarneming van de rechtbank op de beelden buiten [biljartcentrum]

Op zitting zijn beelden van buiten [biljartcentrum] getoond, afkomstig van een beveiligingscamera van [bedrijf] . Daarop heeft de rechtbank waargenomen dat [slachtoffer] buiten naar rechts loopt, weg van [biljartcentrum] , en dat de auto met [verdachte] en [medeverdachte] hem eerst naar links voorbij rijdt richting [biljartcentrum] , dan kort uit beeld verdwijnt en vervolgens achteruit teruggereden komt. Op dat moment komt er vanaf links al een persoon naar [slachtoffer] - die zich inmiddels omgedraaid heeft - lopen. Als die twee dicht bij elkaar staan, stapt de bestuurder uit en loopt langs de achterkant van de auto naar de beide andere personen. Vrijwel meteen daarna, om 22:40:03 uur (cameratijd, werkelijke tijd 22:34:03 uur) zijn de eerste fysieke handelingen tegen [slachtoffer] waar te nemen. [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer] verplaatsen zich dan naar links in de richting van de ingang van [biljartcentrum] , maar verdwijnen daarbij uit beeld. Om 22:40:42 (cameratijd, werkelijke tijd 22:34:42 uur) komen [verdachte] en [medeverdachte] weer in beeld. Zij lopen vanuit de richting van [biljartcentrum] samen terug naar de auto waarmee ze gekomen zijn en rijden weg.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte] samen [slachtoffer] hebben opgezocht en ook weer samen de plaats delict hebben verlaten. In de tussentijd hebben zij gedurende ongeveer 39 seconden samen opgetrokken tegen [slachtoffer] .

Tussenconclusie over de feitelijke geweldshandelingen

De rechtbank neemt de verklaringen van [verdachte] en [getuige 3] in onderlinge samenhang bezien als basis voor de bewezenverklaring van de feitelijke geweldshandelingen. Daarbij valt op dat [getuige 3] over meer geweld heeft verklaard op het moment dat [slachtoffer] bij het raam van [biljartcentrum] staat dan dat [verdachte] heeft verklaard. De rechtbank heeft echter geen aanleiding om aan dit deel van de verklaring van [getuige 3] te twijfelen, terwijl [verdachte] er belang bij heeft om het door hem en [medeverdachte] uitgeoefende geweld te minimaliseren. Met de verdediging gaat de rechtbank er vanuit dat [medeverdachte] en [verdachte] geen geweld meer tegen [slachtoffer] hebben gebruikt nadat hij tegen het raam in elkaar zakte.

Gelet op voornoemde verklaringen en eigen waarneming acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] zich tezamen en in vereniging hebben schuldig gemaakt aan het meermalen slaan en stompen op het hoofd, de hals, de nek en het lichaam van [slachtoffer] en het meermalen schoppen en trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] . Van schoppen tegen het hoofd en/of de hals en/of de nek zullen [verdachte] en [medeverdachte] worden vrijgesproken.

Het hiervoor genoemde bewezen verklaarde geweld wordt ook bevestigd door de bij [slachtoffer] vastgestelde letsels, die hierna worden besproken.

C. De bij het slachtoffer vastgestelde letsels

Uit bijlage 1 bij het pathologisch rapport van 8 september 2017 blijkt dat er aan het hoofd en de hals/nek van [slachtoffer] meerdere bloeduitstortingen waren. Aan het hoofd rechts zijwaarts, ter hoogte van de wang en de hals rechts zijwaarts was een zwelling, vast aanvoelend in een gebied van circa 11 bij 10 centimeter door bloeduitstorting. Het bovenste ooglid van het rechteroog toonde rode verkleuring door bloeduitstorting in een gebied van circa 2 bij 1 centimeter. Onderwaarts van het linkeroog, hoog aan de linkerwang, was een rode huidverkleuring door bloeduitstorting in een gebied van circa 2 bij 1 cm. Er was ook verscheuring van de onderlip in een gebied van circa 6 x 2 cm, waarbij beide bovenste voortanden los waren met omgevende bloeduitstorting.

In de weke delen van de schedelhuid links achter was een bloeduitstorting in een gebied van circa 4 bij 2 centimeter. De rechter schuine halsspier toonde in een gebied van circa 6 bij 3 centimeter diffuse bloeduitstorting. Hoog aan de hals, op de overgang naar het gelaat, was bloeduitstorting in een gebied van circa 10 bij 6 centimeter. Er was bloeduitstorting aan de top van de schildklier aan rechterzijde, een gebied van 2 bij 2 centimeter. Laag voor aan de hals en hoog aan de borstkas was in de weke delen een bloeduitstorting van circa 8 bij 9 centimeter. Aan de voorzijde van het strottenhoofd aan linkerzijde was er een bloeduitstorting van circa 2 bij 1 centimeter.

Rechts zijwaarts aan de rug was bloeduitstorting in een gebied van circa 8 bij 4 centimeter. Het schouderblad aan linkerzijde toonde bloeduitstorting in een gebied van circa 3 bij 2 centimeter. Links laag in de nek was bloeduitstorting in een gebied van circa 3 bij 4 centimeter. Diep in de nekspier links was een bloeduitstorting van circa 1 bij 1 cm.

Voornoemde letsels passen naar het oordeel van de rechtbank bij de eerder genoemde tussenconclusie dat [verdachte] en [medeverdachte] beiden gedurende enige tijd [slachtoffer] meerdere vuistslagen en schoppen/trappen hebben gegeven. Deze letsels zeggen echter ook iets over de intensiteit van dat geweld.

De intensiteit van het geweld

Voor het vaststellen van de intensiteit van het geweld is van belang dat deskundige Kubat op 26 april 2018 desgevraagd het volgende heeft gerapporteerd:

“Met betrekking tot de intensiteit van het geweld kan worden vermeld dat de bloeduitstortingen aan de huid en de onderliggende weke delen (…) van het hoofd, de hals en de nek groot waren, en dat twee loszittende boventanden met omgevende bloeduitstorting zijn geconstateerd. Ervan uitgaande dat sprake was van twee gezonde (niet loszittende) boventanden en gezien de grootte van de bloeduitstortingen (indien er geen aanwijzingen waren voor gestoorde bloedstolling), kan worden geconcludeerd dat het botsend geweld aan het hoofd en de nek/hals substantieel is geweest.”

Dat sprake zou zijn geweest van twee loszittende voortanden en/of een gestoorde bloedstolling is niet uit het dossier of het onderzoek ter zitting gebleken en ook niet door de verdediging gesteld. Wel heeft de verdediging aangevoerd dat “substantieel” ook zou kunnen zien op de hoeveelheid (niet noodzakelijkerwijze heftige) geweldshandelingen en niet zonder meer betrekking heeft op de kracht van het uitgeoefende geweld. Die lezing deelt de rechtbank niet. In de context van het rapport van de deskundige kan “substantieel” naar het oordeel van de rechtbank niet anders gelezen worden dan als “beduidend” – wat ook naar gangbaar spraakgebruik de betekenis is van “substantieel”. De rechtbank merkt in dit verband op dat deskundige Kubat de term ‘substantieel geweld’ koppelt aan de aard en omvang van de geconstateerde bloeduitstortingen en overige letsels waaronder de loszittende tanden. Het botsend geweld tegen het hoofd en de hals/nek van [slachtoffer] is beduidend geweest, dus zeker niet gering. Dat de later te bespreken scheuring van de dieper liggende wervelslagader ook door een geringe geweldsinwerking op het hoofd (en een daarop volgende onverwachte draaiing van het hoofd) kan zijn ontstaan, doet daaraan niet af.

Een nadere invulling van “beduidend” wordt gegeven door deskundige Hofman. Die heeft op 29 januari 2019 gerapporteerd dat de letsels aan de rechterzijde van het hoofd en de hals niet zijn ontstaan door tikken of klappen, maar door heftiger inwerkend geweld, zoals stoten of slaan. De optie “vallen” die de deskundige ook nog noemt, is volgens de verklaringen van verdachten en getuige [getuige 3] niet aan de orde geweest. [slachtoffer] is niet op de grond gevallen, maar langzaam in elkaar gezakt tegen het raam van [biljartcentrum] .

Tot slot merkt de rechtbank in dit verband nog op dat zowel [verdachte] als [getuige 3] verklaren dat [slachtoffer] zich verdedigde. Bovendien ontweek [slachtoffer] ook bepaalde vuistslagen, dan wel probeerde die te ontwijken, aldus [verdachte] . Dat betekent dat het letsel mogelijk nog ernstiger was geweest als [slachtoffer] bepaalde vuistslagen niet had kunnen ontwijken en die vol het beoogde lichaamsdeel hadden kunnen raken.

Eindconclusie over de feitelijke geweldshandelingen en hun intensiteit

Gelet op de eerdere overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging [slachtoffer] meermalen met kracht hebben geslagen en gestompt tegen het hoofd, de nek, de hals en het lichaam en meermalen met kracht hebben geschopt en getrapt tegen het lichaam.

4.3.2.2 Het opzet

Het primair tenlastegelegde: opzet op de dood?

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachten geen opzet hebben gehad op de dood van [slachtoffer] . In het dossier zijn geen aanknopingspunten te vinden dat verdachten de bedoeling hadden om [slachtoffer] te doden. Maar ook voorwaardelijk opzet op de dood kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden. Daarvan zou sprake zijn als verdachten met hun handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood zouden hebben aanvaard. De bewijsbare handelingen van verdachten zijn echter niet zodanig dat verdachten daarmee de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] door hun handelen zou komen te overlijden. De rechtbank heeft immers hiervoor al overwogen dat verdachten zullen worden vrijgesproken van het tenlastegelegde schoppen tegen het hoofd en/of de hals en/of de nek. De rechtbank zal [verdachte] en [medeverdachte] vrijspreken van de primair ten laste gelegde doodslag in vereniging.

Het subsidiair tenlastegelegde: opzet op zwaar lichamelijk letsel?

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] - in ieder geval in voorwaardelijke zin - opzet hebben gehad op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Daarbij is volgens vaste rechtspraak van belang of de bewezen gedragingen de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, hetgeen afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, waarbij ook betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Van de aanmerkelijke kans moet verdachte ook wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans willens en wetens hebben aanvaard. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Over die gedragingen van [verdachte] en [medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat zij niet hebben volstaan met één enkele klap, maar [slachtoffer] achterna zijn gelopen toen hij na de eerste klap van [medeverdachte] van hen weg liep. Beide verdachten zijn jonge mannen en hebben samen tegen [slachtoffer] , een oudere man onder invloed van alcohol, aanhoudend geweld gebruikt. Gedurende bijna veertig seconden hebben zij - twee tegen één - onder andere meermalen met kracht met de vuist tegen het hoofd en de nek en de hals van [slachtoffer] geslagen. [verdachte] en [medeverdachte] zijn pas gestopt met het geweld tegen [slachtoffer] toen hij tegen het raam van [biljartcentrum] in elkaar zakte en niet meer reageerde. Toen zijn zij weggelopen en -gereden. Zij hebben [slachtoffer] geen hulp verleend noch hulp ingeschakeld.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd en de daarmee verbonden nek en hals zeer kwetsbare en vitale delen van het menselijk lichaam zijn. Door meermalen met kracht met de vuist tegen het hoofd en de nek en de hals van iemand te slaan, wordt naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De rechtbank is van oordeel dat het hiervoor genoemde geweld en de overige hiervoor genoemde gedragingen van [verdachte] en [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg hebben aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Door neuropathologisch onderzoek is het concrete zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] aan het licht gekomen. Het gaat om de tenlastegelegde ruptuur (scheur) van de rechter wervelslagader. Die scheur is de oorzaak van een bloeding onder het spinnenwebvlies, aldus patholoog Buiskool in zijn rapport van 8 september 2017. Dat dit concrete zwaar lichamelijk letsel door [verdachte] en [medeverdachte] wellicht niet voorzien was, doet niet af aan hun voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het algemeen. Ook dit concrete zwaar lichamelijk letsel kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid aan [verdachte] en [medeverdachte] toegerekend worden. Deskundige Kubat heeft namelijk geconcludeerd dat de scheur van de rechter wervelslagader het gevolg is geweest van een plotse draaiing van het hoofd en de hals (van [slachtoffer] ) door geweldsinwerking aan het hoofd. Daarmee staat het causaal verband tussen het door [verdachte] en [medeverdachte] uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] en het zwaar lichamelijk letsel vast. Dat dit letsel bij [slachtoffer] zeer waarschijnlijk makkelijker optrad door een aangeboren vaatafwijking en mogelijk al bij een lichtere geweldsinwerking, doet niet af aan het opzet van verdachten.

4.3.2.3 De voorbedachte rade

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voorbedachte rade op zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank twijfelt niet aan de verklaring van de vriendin van [verdachte] dat [verdachte] en [medeverdachte] van plan waren om [slachtoffer] in [biljartcentrum] klappen te geven. Gelet op de tijd die is verstreken tussen het telefoontje naar [verdachte] door zijn vriendin en het arriveren bij [biljartcentrum] , is er voor [verdachte] en [medeverdachte] voldoende tijd geweest om zich te beraden op dit voornemen en er van af te zien. Weliswaar waren [verdachte] en [medeverdachte] volgens de vriendin van [verdachte] verrast dat ze [slachtoffer] buiten [biljartcentrum] zagen, maar dat heeft hen er niet van weerhouden meteen de confrontatie te zoeken en tot geweld over te gaan. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat het buiten treffen van [slachtoffer] heeft geleid tot langer en verdergaand geweld door [verdachte] en [medeverdachte] dan bij een treffen in [biljartcentrum] het geval zou zijn geweest. De twijfel die daardoor ontstaat over waar de voorbedachte rade van verdachten precies op zag, kan niet ten nadele van hen uitvallen. [verdachte] en [medeverdachte] zullen daarom worden vrijgesproken van de voorbedachte rade.

4.3.2.4 De dood ten gevolge (hebbend)

Het causaal verband tussen de geweldshandelingen van [verdachte] en [medeverdachte] op 13 januari 2017 en de dood van [slachtoffer] een dag later heeft op zitting niet ter discussie gestaan en volgt uit het eerdergenoemde rapport van patholoog Buiskool.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair

op 13 januari 2017 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een traumatische ruptuur van de rechterwervelslagader, met als gevolg een bloeding onder het spinnenwebvlies) heeft toegebracht, door met dat opzet meerdere malen met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en meerdere malen met kracht tegen het hoofd en de hals en de nek te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Naast de bepleite vrijspraak heeft de verdediging geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

[verdachte] en [medeverdachte] hebben zich samen schuldig gemaakt aan een zware mishandeling die heeft geleid tot het overlijden van [slachtoffer] . Verdachten zijn op 13 januari 2017 naar [biljartcentrum] gegaan en hebben [slachtoffer] , die zij buiten het café aantroffen, meermalen met kracht geslagen en gestompt tegen het hoofd, de nek, de hals en het lichaam en meermalen met kracht geschopt en getrapt tegen het lichaam, ten gevolge waarvan [slachtoffer] op 14 januari 2017 is overleden.

Dat was niet hun bedoeling, maar [verdachte] en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] zijn kostbaarste bezit, zijn leven, op gewelddadige wijze ontnomen. Het overlijden van [slachtoffer] heeft daarnaast intens leed en verdriet teweeggebracht bij de nabestaanden. De nabestaanden hebben op zitting op aangrijpende wijze verklaard over de gevolgen die het overlijden van hun vader, zoon en broer voor hen heeft. Het leven van alle nabestaanden is voorgoed veranderd.

Zo heeft de dochter van [slachtoffer] - die jaren geleden haar moeder al had verloren - verklaard dat zij na het overlijden van haar vader niemand meer heeft om thuis te komen en een diep gemis zal ervaren bij alle grote toekomstige gebeurtenissen in haar leven, zoals trouwen en het krijgen van kinderen. De moeder van [slachtoffer] omschreef het overlijden van haar zoon - negen maanden na het overlijden van haar echtgenoot - als ‘een genadeklap’. De zus van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij haar grote broer mist en dat dit gemis in de loop van de tijd alleen maar groter is geworden. De rechtbank realiseert zich heel goed dat geen enkele op te leggen straf in verhouding staat tot het leed van de nabestaanden en het feit dat zij hun vader, zoon en broer voor altijd moeten missen.

Tot slot is de zware mishandeling buiten op de openbare weg gepleegd, vlak voor [biljartcentrum] , en hebben meerdere bezoekers een deel van het geweld en de gevolgen kunnen zien. Dit soort gebeurtenissen schokt de maatschappij en zorgt voor gevoelens van onrust en onveiligheid.

Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank naast de ernst van het feit ook rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte.

[verdachte] werd op de bewuste avond door zijn vriendin gebeld vanuit [biljartcentrum] met de mededeling dat [slachtoffer] weer eens vervelend aan het doen was. Zonder te vragen wat er precies aan de hand was, zijn [verdachte] en [medeverdachte] kort daarna in de auto gestapt en naar [biljartcentrum] gegaan om [slachtoffer] tikken te verkopen. Twee jonge mannen tegen een oudere man onder invloed van alcohol, die heeft geprobeerd om van verdachten weg te lopen. Verdachten hadden vervolgens op meerdere momenten de mogelijkheid om te stoppen. In plaats daarvan hebben zij echter stevig doorgepakt. Pas toen [slachtoffer] knock-out tegen het raam lag, zijn ze weggelopen, zonder zich daarbij om [slachtoffer] te bekommeren. Achteraf is op de beelden uit [biljartcentrum] waargenomen dat [slachtoffer] die avond met een hand tegen een arm van de zus van de vriendin van [verdachte] heeft gestoten: een onbenullig voorval dat [slachtoffer] met de dood heeft moeten bekopen.

De rechtbank rekent het verdachten zwaar aan dat zij geen verantwoordelijkheid voor hun handelen hebben genomen. Verdachten hebben [slachtoffer] voor dood achtergelaten bij [biljartcentrum] en zijn vervolgens maandenlang onder de radar gebleven. Zij wisten al snel dat [slachtoffer] was overleden en dat er een groot onderzoek naar de toedracht van het overlijden liep. Ook toen zij aanvankelijk als getuige zijn gehoord, hebben zij geen openheid van zaken gegeven. Sterker nog, uit tapgesprekken blijkt dat verdachten zich na het incident denigrerend en kwetsend hebben uitgelaten over [slachtoffer] . De rechtbank realiseert zich dat het zeer pijnlijk moet zijn geweest voor de nabestaanden om hiervan kennis te nemen.

Verdachten wisten door hun handelwijze ruim vijf maanden uit beeld te blijven van de politie. De familie van [slachtoffer] heeft daardoor maandenlang in onzekerheid verkeerd over de toedracht van zijn overlijden. Ook na hun aanhouding hebben verdachten in eerste instantie geen openheid gegeven over hun handelen. Pas bij het vierde verhoor - nadat zij door de rechter-commissaris in voorlopige hechtenis waren genomen - zijn zij gaan verklaren. Tijdens de verhoren hebben zij naar het oordeel van de rechtbank hun rol kleiner gemaakt dan deze daadwerkelijk was. Ook ter terechtzitting zijn verdachten hun aandeel in het bewezenverklaarde feit blijven bagatelliseren. Beide verdachten blijven volhouden dat [slachtoffer] de confrontatie zocht - terwijl het tegendeel het geval was - en beiden blijven verbloemend spreken over ‘een handgemeen’. De rechtbank weegt deze feiten en omstandigheden in strafverzwarende zin mee.

De ernst van het feit - in het bijzonder het gevolg van het handelen van verdachte, namelijk de dood van het slachtoffer en daarmee het [slachtoffer] leed van de nabestaanden - weegt echter het zwaarst bij het bepalen van de op te leggen straf.

Alle hiervoor genoemde omstandigheden maken dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht dan ook de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van vier jaren (48 maanden) in beginsel passend en geboden. Daarbij geldt evenwel het volgende.

De rechtbank concludeert dat tussen de datum van het eerste verhoor van verdachte in juli 2017 en de datum van het eindvonnis, te weten 2 november 2020, een periode ligt van bijna drieënhalf jaar. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in strafzaken van 1 jaar en vier maanden. Nu deze overschrijding niet (geheel) is toe te rekenen aan de verdachten, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf. De rechtbank zal de duur van de op te leggen gevangenisstraf daarom verminderen met drie maanden.

Alles afwegend, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 45 maanden passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van in totaal € 3.893,90 voor onderhavig feit. Hiervan heeft een bedrag van € 2.307,67 betrekking op de kosten voor de begrafenis van [slachtoffer] en een bedrag van € 1.586,23 ziet op notariskosten. Beide bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 3 maart 2017 en 24 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is niet betwist en overigens voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering (hoofdelijk) zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van voornoemde benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen en bepalen dat verdachte in gijzeling kan worden genomen als hij de schade niet betaalt.

8 Het beslag

8.1

De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen kleding van [slachtoffer] aan de nabestaanden, omdat zij redelijkerwijs als rechthebbenden kunnen worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47 en 303 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primaire tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 45 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 3.893,90, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente voor de uitvaartkosten voor een bedrag van € 2.307,67 vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente voor de notariskosten voor en een bedrag van € 1.586,23 vanaf 24 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] € 3.893,90 te betalen, ten aanzien van het bedrag van € 2.307,67 (de uitvaartkosten) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en ten aanzien van het bedrag van € 1.586,23 (de notariskosten) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet-betaling 48 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan de nabestaanden van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de kleding van [slachtoffer] ;

-Voorlopige hechtenis

-heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Los, voorzitter, mr. De Brouwer en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans en mr. Van Grinsven, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 november 2020.

Mr. De Brouwer en mr. Diepenhorst zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten een traumatische ruptuur van de rechterwervelslagader, met als gevolg een bloeding onder het spinnenwebvlies) heeft toegebracht, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art 303 lid 2 Wetboek van Strafrecht

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2017 tot en met 14 januari 2017 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, door deze [slachtoffer] opzettelijk en na kalm beraad en na rustig overleg tegen het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of het lichaam te schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen, tengevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden;

art 301 lid 3 Wetboek van Strafrecht

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met onderzoeksnaam Pteleos met nummer ZBRAA17005 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 5417.

1. Het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 13 juli 2017, opgenomen op pagina 2732 e.v. van het eindproces-verbaal, inhoudend, zakelijk weergegeven:

p. 2733/2734

Op vrijdagavond 13 januari 2017 heb ik [medeverdachte] gevraagd mee te gaan naar [biljartcentrum] omdat [slachtoffer] weer vervelend aan het doen was. We zijn met de auto naar [biljartcentrum] gereden. Ik stap uit de auto. Volgens mij [medeverdachte] ook, want hij stond vrij snel naast ons. Ik keek [slachtoffer] aan. Ik zag dat hij een glas drinken in zijn handen had.

Ik stond recht tegenover [slachtoffer] . Ik trof [slachtoffer] ter hoogte van onze auto. Vrijwel meteen heb ik het glas uit zijn handen proberen te tikken. Hierop duwde [slachtoffer] me met een hand tegen mijn borst. [medeverdachte] sloeg [slachtoffer] .

Na die klap van [medeverdachte] , draaide [slachtoffer] weg en liep hij weg. Ik wilde hem vervolgens slaan in zijn gezicht, maar ik raakte hem boven op zijn rug, bij zijn nek. Ik heb hem met mijn rechtervuist geslagen, een soort van hoek.

Ik heb hierna weer een keer geslagen met mijn rechter vuist. Ik raakte [slachtoffer] op zijn gezicht. Ik raakte hem op de rechterkant van zijn gezicht, op zijn kaak. Ik sloeg [slachtoffer] op het moment dat hij met zijn rug naar mij stond. Ik sloeg met mijn rechtervuist, over zijn rechter schouder, naar zijn gezicht. Ik raakte hem dus op zijn rechter kaak.

Nadat ik die klap had gegeven, kwam [medeverdachte] voor mij langs. [medeverdachte] wilde hem een trap geven. Het was een zijwaartse trap. [medeverdachte] raakte [slachtoffer] op de zijkant van zijn rug.

Vervolgens verplaatst het zich richting de ingang van [biljartcentrum] . [slachtoffer] sjokte of huppelde na de trap van [medeverdachte] naar de stoep die voor [biljartcentrum] ligt. Op de stoep gaat het verder. We stonden eigenlijk al vlakbij de ramen van [biljartcentrum] . Tijdens het verplaatsen vallen er dan nog meer klappen. Op de stoep deed [slachtoffer] zijn dekking omhoog. Hiermee bedoel ik dat hij zijn handen omhoog deed, voor zijn gezicht. Hij heeft zich daar verdedigd. Hij probeerde mij ook nog te slaan. Als reactie daarop, wilde ik hem van de zijkant op zijn gezicht slaan, maar omdat hij wegdraaide, raakte ik hem op zijn lip. Ik heb op de stoep met mijn linker vuist geslagen.

Na die klap heeft hij een halve stap opzij gedaan, richting het raam van [biljartcentrum] . Ik wilde hem eerst met mijn linker vuist op zijn kaak slaan en vervolgens met mijn rechtervuist nog een keer. Omdat ik hem dus met mijn linker vuist verkeerd had geraakt, raakte ik hem met mijn rechtervuist in zijn gezicht, op zijn neus. Ik zag dat hij wegdraaide en tegen het raam viel.

Ik zie dat beeld steeds voor me, dat zal ook wel blijven. Voor de rest kan ik me niet alles meer herinneren, maar dat beeld, dat hij in elkaar zakte, zie ik nog goed voor me.

Ik ben toen bij hem gaan staan en heb aan hem gevraagd: “Is het genoeg zo?”. Hier reageerde hij eigenlijk niet meer op.

2. Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , opgenomen op pagina 1317 e.v. van het eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

p.1317

Op vrijdag 13 januari 2017 ben ik om 21.45uur/22.00 uur naar het café [biljartcentrum] geweest. ik ging biljarten.

p. 1318

Ik stond aan de statafel. Ik keek uit op het biljart. Ik zag uit mijn linkerhoek dat er drie man bij het raam liep buiten. Ik zag dat de man die achter de andere twee personen liep, plotseling uithaalde met zijn vuist. Hij sloeg de man die in het midden liep op zijn rug of zijn hoofd. Vervolgens zag ik niet wat er verder gebeurde want de mannen verdwenen rechts achter de muur naast het raam, vanuit mijn standpunt gezien. Vervolgens zag ik een man met gebalde vuisten weer van rechts komen en die stond met zijn rug tegen het raam. Ik zag dat de man een soort verdedigingshouding aannam. Ik zag dat dit dezelfde persoon was die in eerste instantie was geslagen door de andere man. Ik zag dat de man, het latere slachtoffer, in het midden van het glazen raam stond. Daarna zag ik twee personen die op de man afkwamen en die gaven hem klappen en schoppen. Dit waren dezelfde personen die ik ook eerste voorbij het raam had zien lopen. Ik zag dat de beide daders het slachtoffer sloegen en schopten op in ieder geval het bovenlichaam. Ik zag dat het slachtoffer zijn armen voor zijn hoofd hield. Ik zag vervolgens dat het slachtoffer in elkaar zakte. Ik zag dat de daders wegliepen.

3. De eigen waarneming van de rechtbank van de camerabeelden ter zitting van 2 oktober 2020, betreffende de beelden van [bedrijf] .

Daarop is te zien dat [slachtoffer] buiten naar rechts loopt, weg van [biljartcentrum] , en dat de auto met [verdachte] en [medeverdachte] hem eerst naar links voorbij rijdt richting [biljartcentrum] , dan kort uit beeld verdwijnt en vervolgens achteruit teruggereden komt. Op dat moment komt er vanaf links al een persoon naar [slachtoffer] - die zich inmiddels omgedraaid heeft - lopen. Als die twee dicht bij elkaar staan, stapt de bestuurder uit en loopt langs de achterkant van de auto naar de beide andere personen. Vrijwel meteen daarna, om 22:40:03 uur (cameratijd, werkelijke tijd 22:34:03 uur) zijn de eerste fysieke handelingen tegen [slachtoffer] waar te nemen. [verdachte] , [medeverdachte] en [slachtoffer] verplaatsen zich dan naar links in de richting van de ingang van [biljartcentrum] , maar verdwijnen daarbij uit beeld. Om 22:40:42 (cameratijd, werkelijke tijd 22:34:42 uur) komen [verdachte] en [medeverdachte] weer in beeld. Zij lopen vanuit de richting van [biljartcentrum] samen terug naar de auto waarmee ze gekomen zijn en rijden weg.

4. Het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op pagina 64 e.v. van het eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 13 januari 2017 omstreeks 22:40 uur kregen wij de melding om te gaan naar Professor Romeinstraat te Tilburg, alwaar een klant buiten bloedend op de grond lag en niet aanspreekbaar was. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag 1 persoon op de weg staan die wees in de richting van het café. Ik zag 1 manspersoon op de grond liggen met meerdere mensen om hem heen. Ik zag dat deze mensen eerste hulp verleende. Ik ben meteen uitgestapt en naar hen toegelopen. Toen ik bij hen stond, hoorde ik een van de omstanders zeggen dat hij gereanimeerd werd. Na enige tijd werd besloten om het slachtoffer te gaan vervoeren met de ambulance. Om 01:40 uur waren wij bij het [Naam 4] te Tilburg, op de eerste verdieping, de Intensive Care. Eenmaal in de familiekamer hoorden wij van de moeder en zus van het slachtoffer dat het slachtoffer een hersenbloeding heeft gehad en daardoor hersendood was. Het slachtoffer is [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 1972 te [geboorteplaats slachtoffer] .

5. Het proces-verbaal schouw en scan MUMC, opgenomen op pagina 78 e.v. van het eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zaterdag 14 januari 2017 omstreeks 03:00 uur, kreeg ik het verzoek van forensisch

coördinator [verbalisant 2] , een onderzoek in te stellen naar aanleiding van het

overlijden van:

Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [slachtoffer]

Geboren : [geboortedag slachtoffer] 1972

Geboorteplaats : [geboortedag slachtoffer] in Nederland

Door de familie werd besloten dat de machines afgekoppeld zouden worden. De familie

zag af van orgaandonatie. Wanneer het slachtoffer zou komen te overlijden zou het slachtoffer overgebracht worden naar het mortuarium, alwaar wij het lichaam zouden verzegelen voor verder vervolgonderzoek. Op zaterdag 14 januari 2017, omstreeks 11:10 uur, heb ik verbalisant met collega [verbalisant 2] , het stoffelijk overschot in beslaggenomen.

6. Het rapport van het NFI genaamd “pathologie onderzoek van een mogelijk niet natuurlijke dood”, opgesteld door patholoog Buiskool d.d. 8 september 2017, opgenomen op pagina 3187 e.v. van het eindproces-verbaal, en de daarbij behorende bijlage 1, opgenomen op pagina 3196 e.v., inhoudende, zakelijk weergegeven:

p. 3194

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , [Leeftijd slachtoffer] oud geworden, wordt het overlijden verklaard door verwikkelingen van een subarachnoïdale bloeding (bloedophoping onder het spinnenwebvlies) ontstaan door een traumatische ruptuur van de arteria vertebralis rechts ten gevolge van inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld aan het hoofd, de hals en de nek.

Bijlage 1

p. 3197

Letsels:

- Aan het hoofd rechts zijwaarts, ter hoogte van de wang en de hals rechts zijwaarts

was zwelling, vast aanvoelend in een gebied van circa 11 x 10 cm door bloeduitstorting.

- Het bovenste ooglid van het rechteroog toonde rode verkleuring door bloeduitstorting in een gebied van circa 2x1 cm.

- Onderwaarts van het linkeroog, hoog aan de linkerwang, was rode huidverkleuring door bloeduitstorting in een gebied van circa 2x1 cm.

- Aan de strekzijde van de rechterringvinger was paarse huidverkleuring in een gebied van circa 0,3 x 0,1 cm, passend bij een ouder letsel.

- Er was verscheuring van de onderlip in een gebied van circa 6 x 2 cm waarbij beide bovenste voortanden los waren met omgevende bloeduitstorting.

p. 3200

De schedelhuid:

In de weke delen van de schedelhuid links achter was bloeduitstorting in een gebied van circa 4 x 2 cm.

De hals:

De halsspieren en het onderhuidse weefsel: de rechter schuine halsspier toonde in een gebied van circa 6 x 3 cm diffuse bloeduitstorting. Hoog aan de hals, op de overgang naar het gelaat was bloeduitstorting in een gebied van circa 10 x 6 cm.

Er was bloeduitstorting aan de top van de schildklier aan rechterzijde, gebied 2x2 cm. Laag voor aan de hals en hoog aan de borstkas was in de weke delen een bloeduitstorting van circa 8x9 cm.

Aan de voorzijde van het strottenhoofd aan linkerzijde was er een bloeduitstorting van circa 2 x 1 cm.

De schildklier toonde aan de top aan rechterzijde bloeduitstorting.

Links zijwaarts, achterwaarts in de hals, in relatie met de bloeduitstorting in de nek

links laag zijwaarts was enige bloeduitstorting.

p. 3201

De mondbodem toonde rechts zijwaarts bloeduitstorting in een gebied van circa 4 x

3 cm.

De onderhuidse weefsels aan de rug en de nek :

- Rechts zijwaarts aan de rug was bloeduitstorting in een gebied van circa 8 x 4 cm

- Het schouderblad aan linkerzijde toonde bloeduitstorting in een gebied van circa 3x2 cm.

- Links laag in de nek was bloeduitstorting in een gebied van circa 3x4 cm. Diep in

de nekspier links was bloeduitstorting van circa 1 x 1 cm.

7. Het rapport van het NFI, opgesteld door drs. Kubat d.d. 26 april 2018, inhoudende de beantwoording van aanvullende vragen, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Met betrekking tot de intensiteit van het geweld kan worden vermeld dat de bloeduitstortingen aan de huid- en de onderliggende weke delen (in deze wordt niet de grootte van de subarachnoïdale bloeding bedoeld) van het hoofd, de hals en de nek groot waren, en dat twee loszittende boventanden met omgevende bloeduitstorting zijn geconstateerd. Ervan uitgaande dat sprake was van twee gezonde (niet loszittende) boventanden en gezien de grootte van de bloeduitstortingen (indien er geen aanwijzingen waren voor gestoorde bloedstolling), kan worden geconcludeerd dat het botsend geweld aan het hoofd en de nek/hals substantieel is geweest.”

8. Het rapport beantwoording aanvullende vragen door prof. Hofman d.d. 29 januari 2019, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Gezien de uitgebreidheid van de letsels aan de rechterzijde van het hoofd en de hals zijn deze niet ontstaan door tikken of klappen, maar door heftiger extern uitwendig inwerkend geweld op het hoofd en de hals, zoals (…) stoten of slaan.

9. Het rapport van prof. Kubat van 9 januari 2019 betreffende de aanvullende schriftelijke beantwoording van vragen, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hypothese 1: de scheur van de arteria vertebralis rechts is het gevolg van een plotse draaiing van het hoofd en de hals door geweldsinwerking aan het hoofd zonder aanspannen van spieren van hals en nek?

Hypothese 2: de scheur van de arteria rechts is het gevolg van directe geweldinwerking ter plaatse van de arteria vertebralis?

Een traumatische beschadiging door directe geweldsinwerking treedt alleen op indien er sprake is van breuken van de omgevende botstructuren. Deze waren er niet. Het kan daarom worden gesteld dat de scheur van de arteria vertebralis opgetreden is onder de hypothese 1 en niet is opgetreden onder de hypothese 2.

10 Het proces-verbaal van relaas onderzoek opgenomen op pagina 1 e.v. van het
eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[verdachte] geboren op [geboortedag verdachte] 1988.

[medeverdachte] geboren op [geboortedag medeverdachte] 1989.

11 Het rapport van het NFI genaamd “Toxicologisch onderzoek in
lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ” opgesteld door dr. Lusthof d.d. 23 februari 2017, opgenomen op pagina 3210 e.v. van het eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

p.3217

De concentratie van ethanol in het bloed van [slachtoffer] op het moment van aantreffen kan worden geschat op 0,46 + 11*(0,10 a 0,25) mg/ml = (afgerond) 1,6 a 3,2 mg/ml. Dat is een concentratie waarbij onder andere coördinatiestoornis, gedragsveranderingen, slechte spiercontrole/functie en ernstige verstoring van waarneming en beoordelingsvermogen kunnen optreden.