Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5256

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8709 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting woning voor de duur van 3 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8709 OPIUMW VV

uitspraak van 29 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S. de Goede,

en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal (de burgemeester), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Alwel, te Roosendaal,

gemachtigde: L. Vissers.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van zijn woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] voor de duur van 3 maanden. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 oktober 2020. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger burgemeester] . Derde partij heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Verzoeker huurt de woning op het adres [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] . Stichting Alwel is eigenaar van deze woning.

Blijkens de Bestuurlijke Rapportage Aantreffen drugs & wapens ( [adres verzoeker] , [woonplaats verzoeker] ) van 1 september 2020 heeft de politie op 29 augustus 2020 in deze woning het volgende aangetroffen:

  • -

    5 gram (netto) wit poeder in een gripzakje (indicatief positief getest op amfetamine)

  • -

    16 gram (netto) wit poeder in een gripzakje (indicatief positief getest op amfetamine)

  • -

    3 gram (netto) wit poeder in een gripzakje (indicatief positief getest op cocaïne)

  • -

    155 gram (netto) gedroogde henneptoppen

  • -

    4 gram (netto) gedroogde henneptoppen

Verder zijn in de woning en berging een stroomstootwapen, € 530,- in verschillende coupures, een weegschaal, lege gripzakjes en een strijkzak met resten gedroogde hennep aangetroffen.

Op 7 september 2020 heeft de burgemeester aan verzoeker en de Stichting Alwel zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet voor een periode van 3 maanden te sluiten.

Verzoeker heeft daartegen zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft de burgemeester bij bestreden besluit verzoeker gelast om de woning aan [adres verzoeker] in [woonplaats verzoeker] te sluiten en gesloten te houden voor een periode van

3 maanden, met ingang van 1 oktober 2020 10.00 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en hangende het bezwaar heeft hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening verzocht.

De burgemeester heeft aangegeven het bestreden besluit tot sluiting van verzoekers woning op te schorten tot 2 dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

2. Standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat de burgemeester het besluit tot sluiting van zijn woning ten onrechte heeft genomen. Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat er in zijn woning geen sprake is geweest van handel in drugs. De aangetroffen hoeveelheid is niet buitengewoon groot en was bedoeld voor eigen gebruik. Verzoeker heeft in korte tijd (veel) drugs gebruikt, maar is inmiddels met het gebruik gestopt. De overige aangetroffen goederen kunnen niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van handel. Het stroomstootwapen is al jarenlang niet in gebruik, het aangetroffen geld is spaargeld en met de weegschaal woog verzoeker slechts de drugs af die hij kort daarvoor had gekocht om te voorkomen dat hij werd opgelicht. Ook de gripzakjes werden door verzoeker zelf gebruikt. Verder zijn er geen andere factoren die erop duiden dat er sprake was van handel. De woning is nooit betrokken geweest bij drugshandel in georganiseerd verband en er is geen sprake geweest van gewelds- of andere openbare orde delicten. Bovendien heeft verzoeker geen relevante justitiële documentatie en verkeert hij niet in de kringen van personen met antecedenten. Verzoeker betwist dan ook dat zijn woning bekend staat als locatie waar drugs kan worden aangeschaft. Een sluiting voor de duur van 3 maanden is volgens verzoeker voorts in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende onderbouwd. Het benoemen door de burgemeester van Roosendaal als grensgemeente met een groot drugsprobleem is onvoldoende om de noodzaak tot sluiting in dit geval te rechtvaardigen. Er is slechts sprake van een (ongefundeerde) aanname dat verzoekers woning fungeert als overlast gevend (drugs)pand. Feitelijke drugshandel is niet geconstateerd. Verder heeft de burgemeester ten onrechte niet onderzocht of volstaan kan worden met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing. Door de sluiting wordt verzoeker onevenredig getroffen. Verzoeker heeft ernstige psychische problemen - depressieve en suïcidale gedachten en paniek- en angstaanvallen - en sluiting zal leiden tot dakloosheid. Ter onderbouwing van zijn psychische toestand heeft verzoeker huisartsenjournaals van 16 en 28 september 2020 en een verwijzing naar de psycholoog/psychiater van 16 oktober 2020 overgelegd. Daarnaast zijn de gevolgen van de sluiting onomkeerbaar, omdat dat zal leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst door Alwel. Verzoeker heeft geen alternatieve woonruimte en omdat hij zal worden geplaatst op een zwarte lijst zal op korte termijn ook geen alternatief beschikbaar komen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Toetsingskader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Wettelijk kader

Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is - voor zover van belang - bepaald, dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I en II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren of aanwezig te hebben.

Amfetamine en cocaïne staan op lijst I en hennep op lijst II.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

5. Beleid

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, middels vaststelling van het ‘Beleid Toepassing Artikel 13b Opiumwet’ (de Beleidsregels).

In deze Beleidsregels is onder meer vermeld:

Om de handelshoeveelheid te bepalen, wordt aangesloten bij de aanwijzing Opiumwet van het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie. Bij de volgende aantallen is er sprake van een handelshoeveelheid:

Softdrugs

• Hennepproducten: Bij een hoeveelheid van meer dan 5 planten wordt in beginsel aangenomen dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. Tevens wordt meer dan 5 gram als handelshoeveelheid gehanteerd;

• Paddo’s: Onder een handelshoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram gedroogde paddo’s en/of 5 gram verse dan wel niet gedroogde paddo’s.

Harddrugs

• Er is sprake van een handelshoeveelheid als er sprake is van een aangetroffen hoeveelheid van meer dan 0,5 gram (bijvoorbeeld als er sprake is van meer dan één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet);

• Een eenheid van meer dan 5 ml GHB.

Grotere hoeveelheden dan hierboven genoemd wijzen er op dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Ook wanneer geen hoeveelheid drugs wordt aangetroffen kan uit andere feiten en omstandigheden blijken dat er sprake is van drugshandel op grond waarvan tot sluiting kan worden overgegaan.

In de Beleidsregels is verder bepaald dat bij de 1e overtreding van de handelshoeveelheid harddrugs in een woning sluiting voor 3 maanden volgt. Bij een 1e overtreding van de handelshoeveelheid softdrugs volgt een waarschuwing, tenzij er sprake is van een ernstig geval. In dat geval volgt sluiting voor 2 maanden.

6. Oordeel van de voorzieningenrechter

Ter beoordeling ligt aan de voorzieningenrechter voor of de verwachting bestaat dat het besluit van de burgemeester, waarbij aan verzoeker een last onder bestuursdwang is opgelegd tot sluiting van zijn woning gedurende 3 maanden, in bezwaar stand zal houden.

De burgemeester is overgegaan tot sluiting, omdat in die woning hard- en softdrugs zijn aangetroffen, waarvan aannemelijk is dat die voor de handel bestemd waren. De burgemeester stelt als gevolg daarvan bevoegd te zijn tot handhavend optreden en voorts dat hij in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Bevoegdheid tot handhavend optreden

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719) mag de burgemeester bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand of een daartoe behorend erf, die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk achten dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester mag daarbij in zijn beleid aansluiting zoeken bij de hoeveelheden (0,5 gram harddrugs en 5 gram softdrugs) die door het openbaar ministerie in haar richtlijnen als (gedoog-)grens voor “eigen gebruik” worden aangenomen. Het ligt in dat geval volgens die vaste rechtspraak op de weg van de belanghebbende om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester bevoegd ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

Vaststaat dat in verzoekers woning op 29 augustus 2020 in totaal 21 gram amfetamine,

3 gram cocaïne en 159 gram hennep is aangetroffen.

Er zijn dus hoeveelheden hard- en softdrugs aangetroffen waarvan in beginsel kan worden aangenomen dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het is aan verzoeker om het tegendeel aannemelijk te maken.

Verzoeker heeft betwist dat de drugs bestemd waren voor de handel. Volgens hem waren deze alleen bestemd voor eigen gebruik. Volgens verzoeker blijkt dat uit de niet-buitengewoon grote hoeveelheden die zijn aangetroffen. De overige aangetroffen goederen en andere factoren kunnen niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van handel. De woning is nooit betrokken geweest bij drugshandel in georganiseerd verband en er is geen sprake geweest van gewelds- of andere openbare orde delicten. Bovendien heeft verzoeker geen relevante justitiële documentatie en verkeert hij niet in de kringen van personen met antecedenten. Verzoeker betwist dan ook dat zijn woning bekend staat als locatie waar drugs kan worden aangeschaft.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de aangetroffen hoeveelheden drugs (in totaal 24 gram harddrugs en 159 gram softdrugs) niet zodanig gering dat op basis daarvan dient te worden uitgegaan van hoeveelheden voor eigen gebruik. Bovendien zijn ook andere zaken in de woning aangetroffen die wijzen op drugshandel, namelijk een stroomstootwapen, een contant geldbedrag van € 530,-, een weegschaal, lege gripzakjes en een strijkzak met resten gedroogde hennep. De door verzoeker gegeven redenen voor deze zaken acht de voorzieningenrechter niet plausibel. Daarnaast is sprake van andere feiten en omstandigheden die wijzen op drugshandel, zo is er een anonieme melding dat gedeald werd vanuit verzoekers woning en een melding dat er drugs ligt in verzoekers woning. De voorzieningenrechter acht dan ook niet aannemelijk dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor eigen gebruik en niet voor de handel. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om te concluderen dat de burgemeester in beginsel niet bevoegd was om handhavend op te treden. De burgemeester is overgegaan tot woningsluiting voor 3 maanden. Dit is bij een 1e overtreding van een handelshoeveelheid harddrugs conform de Beleidsregels.

Gebruik maken van de bevoegdheid tot handhaving

In artikel 4:84 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan overeenkomstig de Beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de Beleidsregel te dienen doelen. Het bestuursorgaan moet alle omstandigheden van het geval betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden. Bij deze beoordeling is in de eerste plaats van belang in hoeverre sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van het pand evenredig is. (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van

28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS: 2019:2912).

- ernst en omvang van de overtreding

Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Bij de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester bij een geringe overschrijding van de 0,5-gram-grens (voor harddrugs) en

5-gram-grens (voor softdrugs) dient te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel zoals een waarschuwing kan worden volstaan dan wel of sluiting als reparatoire maatregel is aangewezen. De burgemeester heeft in dit geval in redelijkheid sluiting aangewezen kunnen achten. In de woning is een groot aantal malen de minimale hoeveelheid aangetroffen, zowel softdrugs als harddrugs. Ook staat de woning volgens de burgemeester in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Verzoeker heeft dat niet weersproken. Met een zichtbare sluiting wordt door de burgemeester een signaal afgegeven aan drugscriminelen en aan buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in woningen, wat in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk van bijzonder belang is.

- evenredigheid

Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid.

Verzoeker heeft gesteld dat als gevolg van de sluiting van zijn woning de huurovereenkomst met Alwel ontbonden zal worden en hij op een zwarte lijst zal worden geplaatst. Hierdoor zal verzoeker geen woning meer bij Alwel kunnen huren maar ook niet bij een andere woningcorporatie. Dit betekent dat hij door de woningsluiting feitelijk dakloos zal worden, terwijl hij ernstige psychische problemen heeft. En omdat hij zijn woning moet verlaten is hij niet meer zichtbaar en vindbaar voor de reclassering.

De voorzieningenrechter kan uit het bestreden besluit niet afleiden dat de burgemeester heeft geïnformeerd naar vervangende woonruimte, terwijl dat wel op zijn weg ligt.

Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven dat het aan verzoeker is om andere woonruimte te zoeken. In de zienswijze is niet aangevoerd dat die er niet is. Overigens vindt men volgens de burgemeester meestal zelf een onderkomen en een alleenstaande kan in het algemeen meteen betaalbaar terecht in een anti-kraakwoning. Daar kan de burgemeester eventueel bij helpen.

Alwel heeft ter zitting verklaard dat verzoeker weliswaar op de zwarte lijst van Alwel wordt geplaatst, maar niet op een algemene zwarte lijst. Dit betekent dat hij bij Alwel de komende 2 jaar geen huurwoning kan krijgen, maar bij de andere woningcorporaties wel terecht kan. Die vragen een verhuurdersverklaring. Als daaruit blijkt van een drugsverleden hoeft dat niet persé een reden te zijn om niet te verhuren. Wel worden dan strikte aanvullende voorwaarden gesteld. Dit betekent volgens Alwel echter niet dat verzoeker geen huurwoning kan krijgen.

De voorzieningenrechter acht het, gelet op voormelde verklaringen van de burgemeester en Alwel, niet aannemelijk dat verzoeker nergens anders kan verblijven. Voorts acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat het voor verzoeker vanwege zijn psychische toestand niet mogelijk moet worden geacht elders te verblijven. Verzoeker heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare medische gegevens onderbouwd dat de behandeling van zijn psychische problemen zullen worden belemmerd door de sluiting van zijn woning, dat de behandelingen aan zijn woning zijn gebonden en dat hij die niet elders zou kunnen ondergaan. Ook bij verblijf in een andere woning kan verzoeker zichtbaar en vindbaar zijn voor de reclassering. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker zijn verblijfplaats elders daar niet zou kunnen (en moeten) melden.

Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter sluiting van verzoekers woning voor 3 maanden evenredig.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting gebruik heeft kunnen maken.

7. Conclusie

De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting van verzoekers woning en dat hij van die bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. De verwachting bestaat dan ook dat het besluit van de burgemeester tot sluiting van verzoekers woning in bezwaar stand zal houden. Daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat als gevolg daarvan geen grond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. P. Oudkerk, griffier, op 29 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.