Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5251

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
C/02/376853 / KG ZA 20-508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executoriaal beslag ten laste van de Staat wegens verschuldigde dwangsommen. Beroep op artikel 436 Rv is misbruik van recht. Staat doet beroep op overmacht wegens corona. Hoewel artikel 611d Rv niet (meer) in artikel 8:55d, lid 2, van de Awb is genoemd, is het nog steeds van overeenkomstige toepassing op een door de bestuursrechter opgelegde nadere dwangsom. Staat had zich moeten wenden tot de bij uitsluiting bevoegde bestuursrechter in plaats van zelf de hoogte van de dwangsommen aan te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/376853 / KG ZA 20-508

Vonnis in kort geding van 29 oktober 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Maastricht,

gedaagde,

advocaat mr. P.H. Hillen te Tilburg.

Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 september 2020 met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3;

  • -

    de brief van mr. Hillen van 14 oktober 2020;

  • -

    de brief van mr. Langbroek van 15 oktober 2020 met een eisvermeerdering;

  • -

    de door mr. Langbroek bij e-mail van 15 oktober 2020 overgelegde verklaringen van de ING;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota’s van partijen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig met de behandeling van het kort geding van de Staat tegen [naam] (zaaknummer/rolnummer: C/02/376847/ KG ZA 20-507) plaatsgevonden. In beide zaken is na afloop van de mondelinge behandeling afzonderlijk vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De Staat vordert (na eisvermeerdering):

I. primair het ten laste van hem onder ING gelegde derdenbeslag op te heffen, althans [gedaagde] te bevelen het ten laste van de Staat genoemde derdenbeslag onder de ING binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen, op straffe van verbeurte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

II. subsidiair het ten laste van hem onder ING gelegde derdenbeslag te beperken tot een bedrag van in hoofdsom € 2.200,00 althans [gedaagde] te bevelen het ten laste van de Staat gelegde derdenbeslag onder ING binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis te beperken tot het bedrag dat de Staat aan dwangsommen heeft verbeurd op straffe van verbeurte van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

III. meer subsidiair het beslag op te heffen en [gedaagde] te verbieden opnieuw beslag te leggen totdat in een (binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aanhangig te maken) bodemprocedure op de verweren van de Staat is beslist, althans de executie van de uitspraak van 13 maart 2020 te schorsen totdat in een (binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn aanhangig te maken) bodemprocedure op de verweren van de Staat is beslist;

IV. [gedaagde] te verbieden executiemaatregelen te nemen naar aanleiding van de uitspraak van 13 maart 2020;

V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

2.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Staat, althans de Staat niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staan de volgende feiten vast:
- De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) voert het vreemdelingenbeleid in Nederland uit en beoordeelt daartoe alle verblijfsaanvragen van mensen die in Nederland willen wonen en die graag Nederlander willen worden.
- Op 27 juli 2018 heeft [gedaagde] een aanvraag ingediend bij de IND tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
- Op 13 februari 2020 heeft [gedaagde] beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, locatie Roermond tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
- Bij uitspraak van 13 maart 2019 heeft de rechtbank Den Haag, locatie Roermond, het beroep gegrond verklaard. In de uitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verweerder (tijdig) een beslissing tot velenging van de beslistermijn heeft genomen, zodat de beslistermijn genoemd in art. 42, eerste lid, van de Vw 2000 op de aanvraag van eiser van toepassing is. Vastgesteld moet worden dat verweerder niet binnen deze termijn heeft beslist. (…) Nu niet gebleken is dat verweerder inmiddels op de aanvraag van eiser heeft beslist en niet geoordeeld kan worden dat het beroep onredelijk laat is ingediend, is het beroep kennelijk gegrond en dient het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag te worden vernietigd. De rechtbank zal voorts een termijn stellen waarbinnen verweerder het besluit op de aanvraag moet nemen en bekendmaken.

(…)


Draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit op de aanvraag van 27 juli 2019 te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken,

Bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00”
- Er is geen rechtsmiddel ingesteld tegen de voornoemde uitspraak.

  • -

    Op 6 augustus 2020 heeft een gecombineerd eerste en nader gehoor van [gedaagde] plaatsgevonden.
    - Op 10 augustus 2020 heeft de IND het in de uitspraak genoemde besluit genomen en daarin vermeld, dat voor een bedrag van € 2.200,00 aan rechterlijke dwangsommen is verbeurd, namelijk van 20 juli 2020 tot en met 10 augustus 2020. In de periode van 16 maart 2020 tot 20 juli 2020 zijn volgens IND geen dwangsommen verbeurd omdat IND als gevolg van de coronamaatregelen in een overmachtsituatie verkeerde. Het IND heeft met het besluit een declaratieformulier meegezonden, waarop het bedrag van € 2.200,00 is genoemd.
    - Bij fax van 11 augustus 2020 heeft de advocaat van [gedaagde] aan IND kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het standpunt van IND dat er door overmacht lagere dwangsommen verschuldigd zijn en aangegeven dat er voor een bedrag van € 12.000,00 aan dwangsommen is verbeurd.

  • -

    De IND heeft bij brief van 13 augustus 2020 aan de advocaat van [gedaagde] vastgehouden aan de verschuldigdheid van € 2.200,00 aan dwangsommen. In de brief staat voorts:

“De vaststelling van de rechterlijke dwangsom geschiedt op basis van een rechterlijke uitspraak, en derhalve niet op basis van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Daarmee is het (niet) vaststellen van een rechterlijke dwangsom geen besluit in de zin van de Awb. Indien u van oordeel bent dat IND een hogere rechterlijke dwangsom aan uw cliënt verschuldigd is, kunt u zich tot de burgerlijke rechter wenden (…)”
- Hierna heeft de advocaat van [gedaagde] aan IND medegedeeld dat [gedaagde] aan de uitbetaling van het bedrag van € 2.200,00 niet meewerkt en dat er beslag zal worden gelegd voor een bedrag van € 12.000,00.

- Op 4 september 2020 heeft de deurwaarder namens [gedaagde] en ten laste van de Staat executoriaal derdenbeslag gelegd onder de ING (op rekeningnummer NL62 INGB 0705 0053 80) voor verbeurde dwangsommen van € 12.000,00 te vermeerderen met kosten op basis van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, locatie Roermond van 13 maart 2020.
- Op 9 oktober 2020 heeft de ING aan de deurwaarder verklaard dat er op het moment van beslaglegging geen tegoeden zijn aangetroffen en het beslag daarom als vervallen moet worden beschouwd.

3.2.

De Staat legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat er op grond van artikel 436 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen beslag mag worden gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst. Het gelegde beslag levert ook misbruik van bevoegdheid op, omdat er beslag is gelegd terwijl de Staat heeft aangeboden vrijwillig te betalen voor de verbeurde dwangsommen van € 2.200,00. Vanaf 16 maart 2020 is er een overmachtsituatie ontstaan door de coronamaatregelen en IND houdt 20 juli 2020 aan als datum waarop de overmachtsituatie is geëindigd. Door de overmachtsituatie zijn er van 16 maart 2020 tot 20 juli 2020 geen dwangsommen verschuldigd. Er is spoedeisend belang bij de vorderingen omdat beslag de overheidstaak belemmert, aldus de Staat.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer primair aan dat het beroep op artikel 436 Rv in strijd is met het recht van de Unie, meer in het bijzonder het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Het in artikel 436 Rv vervatte verbod dient dan ook buiten toepassing te worden gelaten. Subsidiair geldt dat de Staat de exclusieve rechtsingang van artikel 611d Rv had moeten bewandelen en niet ontvankelijk is in zijn vordering. Meer subsidiair is het inroepen van artikel 436 Rv misbruik van recht omdat de Staat eigenmachtig de hoogte van de dwangsommen bepaalt en daarmee de fundamentele kernwaarden van de democratische rechtsstaat schendt. Van de zijde van [gedaagde] is geen sprake van misbruik van bevoegdheid omdat zij handelt overeenkomstig artikel 611c Rv. Betwist wordt dat de Staat een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering omdat het geringe bedrag waarvoor beslag is gelegd niet maakt dat de openbare dienst wordt gehinderd, aldus [gedaagde] .

3.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.5.

Nu de Staat heeft bevestigd dat het beslag onder ING geen doel heeft getroffen, heeft hij geen belang meer bij zijn primaire en subsidiaire vorderingen (I en II). Resteren de vorderingen onder III en IV die neerkomen op een verbod van de Staat om verdere executiemaatregelen te nemen (waaronder het opnieuw leggen van beslag), althans de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure op de verweren van de Staat is beslist.

3.6.

Het spoedeisend belang van de Staat bij het verbod tot executie vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds voort uit de aard van de vorderingen en de stelling van de Staat dat de overheidstaak wordt belemmerd door beslagmaatregelen. [gedaagde] heeft ook aangegeven van plan te zijn opnieuw beslag te leggen ten laste van de Staat.

3.7.

Kern van het geschil is of artikel 436 Rv zich ertegen verzet dat er laste van de Staat beslag wordt gelegd.

3.8.

Ingevolge artikel 436 Rv mag geen beslag worden gelegd op goederen die bestemd zijn voor de openbare dienst omdat publieke taken dan worden gefrustreerd. Bij goederen bestemd voor de openbare dienst moet het gaan om goederen, zonder welke de openbare dienst niet goed kan functioneren. [gedaagde] heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat alle goederen die eigendom zijn van het COA, waaronder diens banktegoeden, ingezet worden voor de uitoefening van wettelijke taken van het COA en daarmee bestemd zijn voor de openbare dienst. Zoals hiervoor al weergegeven bepaalt artikel 436 Rv dat beslag niet mag worden gelegd op goederen bestemd voor de openbare dienst, waardoor het door [gedaagde] voorgenomen nieuw te leggen executoriale beslag in beginsel niet rechtsgeldig zal kunnen worden gelegd.

3.9.

[gedaagde] voert aan dat artikel 436 Rv in strijd is met artikel 47 van het Handvest, dat sprake is van een acte clair en op basis van jurisprudentie sprake is van een acte éclairé. Hierdoor is artikel 436 Rv volgens [gedaagde] onverbindend. De Staat betwist dat artikel 436 Rv in strijd is met het recht van de Unie en artikel 436 Rv daardoor onmiskenbaar onverbindend is.

3.10.

Volgens vaste jurisprudentie kan de burgerlijke rechter in kort geding (onderdelen van) een wet in formele zin slechts buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het recht van de Europese Unie of met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dezelfde maatstaf geldt als hierop een beroep wordt gedaan als verweer.

3.11.

De bepalingen van het Handvest zijn ingevolge artikel 51 van het Handvest uitsluitend gericht tot de lidstaten, wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De Staat betwist dat het hier gaat om de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie. Omdat het gaat om de tenuitvoerlegging van een dwangsomveroordeling is volgens de Staat de ‘Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom’ van toepassing. De voorzieningenrechter zal deze stelling passeren, omdat ook als artikel 47 van het Handvest inderdaad van toepassing is, de stelling van [gedaagde] niet kan slagen. In artikel 47 van het Handvest is het recht op een eerlijk proces geregeld en zoals [gedaagde] aanvoert, ziet dit ook op het recht om een verkregen uitspraak te executeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nog steeds het uitgangspunt is dat de Staat rechterlijke uitspraken respecteert en pleegt na te komen. Door dit uitgangspunt is artikel 436 Rv geen blokkade als het gaat om nakoming van bij rechterlijke uitspraak aan de overheid opgelegde betalingsverplichtingen; een beslag is dan namelijk niet nodig. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat artikel 436 Rv niet onmiskenbaar in strijd is met artikel 47 van het Handvest, althans [gedaagde] heeft dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. De jurisprudentie waar [gedaagde] naar verwijst, ziet op andere onderwerpen dan waar het in dit geschil om gaat. Op grond van het voorgaande slaagt het primaire verweer dat artikel 436 Rv in strijd is met het recht van de Unie niet. Er is geen aanleiding om conform het verzoek van [gedaagde] prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

3.12.

Het voorgaande laat echter onverlet, dat een beroep van de Staat op artikel 436 Rv misbruik van recht kan opleveren. [gedaagde] voert aan dat die situatie zich hier voordoet: de Staat toont betalingsonwil door zich niet te houden aan de uitspraak, waardoor hij niet het geld krijgt waar hij recht op heeft. De Staat betwist dat er sprake is van misbruik van recht en stelt dat er geen sprake is van betalingsonwil, maar van overmacht door de coronamaatregelen, waardoor de dwangsom lager moet worden vastgesteld

3.13.

Volgens [gedaagde] is echter de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd te oordelen over het beroep op overmacht en of dit grond oplevert voor vermindering van de nadere dwangsom. Dit op grond van artikel 611d Rv, in samenhang met artikel 8:72, lid 6, van de Awb. De Staat had de bestuursrechter die de dwangsom heeft opgelegd moeten verzoeken wegens overmacht de dwangsommen op te heffen of aan te passen. Dit kan volgens [gedaagde] niet in dit executiegeschil gebeuren. Gelet op het arrest van het Benelux Gerechtshof van 27 juni 2008, ECLI:NL:XX:2008:BE8660, NJ 2008/399, kan de Staat de bestuursrechter inmiddels niet meer verzoeken om aanpassing van de dwangsommen. Daarmee staat vast dat [gedaagde] aanspraak heeft op een bedrag van € 12.000,00 aan verbeurde dwangsommen. Nu de Staat niet bevoegd was om zelf de hoogte van de dwangsommen aan te passen en volledige betaling weigert, heeft [gedaagde] terecht derdenbeslag gelegd ten laste van de Staat. Nu dit beslag geen doel heeft getroffen, zal in beginsel opnieuw beslag worden gelegd ten laste van de Staat. Dit is geen misbruik van executiebevoegdheid; het is juist de Staat die misbruik van recht maakt door zich in deze situatie te beroepen op artikel 436 Rv, aldus [gedaagde] .

3.14.

Volgens de Staat is de bestuursrechter niet bevoegd om de verschuldigdheid en hoogte vast te stellen van een door een rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, lid 2, van de Awb. Het door [gedaagde] gedane beroep op artikel 611d Rv ziet eraan voorbij dat dat artikel niet van toepassing is. Want in artikel 8:55d, lid 2, van de Awb worden alleen de artikelen 611c en 611g Rv van overeenkomstige toepassing verklaard. En niet artikel 611d Rv. Dat is een weloverwogen keuze geweest van de wetgever. Evenmin bestaat die bevoegdheid op grond van artikel 8:72, lid 6, van de Awb. Artikel 8:55d van de Awb heeft als bijzondere wetsbepaling voorrang boven dat artikel. Omdat geen sprake is van een volgens artikel 611d Rv bevoegde rechter, is evenmin het hiervoor genoemde arrest van het Benelux Gerechtshof van 27 juni 2008 van toepassing. Het feit dat de Staat inmiddels heeft voldaan aan de uitspraak van de bestuursrechter, maakt dan ook niet dat de nadere dwangsommen niet meer aangepast kunnen worden. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid en hoogte van een dergelijke dwangsom zijn partijen op de burgerlijke rechter aangewezen. En meer in het bijzonder de executierechter. De dwangsomveroordeling heeft op zich een definitief karakter maar een volgende rechterlijke procedure is noodzakelijk wanneer partijen verdeeld zijn over de vraag óf dwangsommen zijn verbeurd. Omdat de Staat een beroep op overmacht kan doen zijn de dwangsommen terecht aangepast. Dat [gedaagde] voor een hoger bedrag aan verbeurde dwangsommen derdenbeslag legt ten laste van de Staat levert misbruik van executiebevoegdheid op, aldus de Staat.

3.15.

Het is juist, zoals door de Staat gesteld, dat de executierechter onder andere kan oordelen over de vraag óf dwangsommen zijn verbeurd. Dat is echter niet de vraag waar het hier om gaat. Immers, de IND heeft in zijn brief aan [gedaagde] al erkend dat dwangsommen zijn verschuldigd omdat de beslistermijn is overschreden, zij het dat de IND een beroep doet op overmacht. Waar het om gaat is of de Staat zich kan beroepen op overmacht.

3.16.

Op grond van vaste rechtspraak van het Benelux Gerechtshof en de Hoge Raad, zoals onder meer blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2455, geldt het volgende. In artikel 611d Rv is bepaald dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde onder meer de dwangsom kan opheffen of de looptijd ervan kan opschorten gedurende een door hem te bepalen termijn in geval van blijvende of tijdelijke onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Het is deze dwangsomrechter, en niet de executierechter, die exclusief en op vordering van de veroordeelde heeft te oordelen over een op ‘onmogelijkheid’ gebaseerde stelling van de veroordeelde. De rechter die uitsluitend als executierechter en niet als dwangsomrechter optreedt, is niet bevoegd te onderzoeken of sprake is van onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv.

3.17.

De bestuursrechter heeft aan zijn uitspraak een dwangsom verbonden. Het ligt dan ook in de rede dat de bestuursrechter moet worden aangemerkt als de bij uitsluiting bevoegde rechter om te oordelen over een beroep op overmacht. De Staat heeft gesteld dat dit niet het geval is, omdat de wetgever een weloverwogen keuze heeft gemaakt om in artikel 8:55d, lid 2, Awb artikel 611d Rv niet op te nemen bij de bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

3.18.

Voor de beoordeling van dit standpunt is de wetsgeschiedenis van artikel 8:55d, lid 2, van de Awb van belang.

Artikel 8:55d, lid 2, van de Awb luidde oorspronkelijk (Stb. 2009, 383) als volgt:

“De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.”

Bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) is artikel 8:55d gewijzigd. Artikel JJJ van deze wet bepaalt:

“Artikel 8:55d wordt gewijzigd als volgt: (…) Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”

In de memorie van toelichting (TK 2009-2010, 32 450, nr. 3) is hierover het volgende opgemerkt:

“In het tweede lid is verduidelijkt dat ook de in dit artikel bedoelde dwangsom kan worden tenuitvoergelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.”

Vervolgens is artikel 8:55d, lid 2, van de Awb weer gewijzigd bij de Veegwet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2013, 226). Artikel Ac van deze wet luidt als volgt:

“De tweede volzin van (…) artikel 8:55d, tweede lid, komt te luiden: De artikelen 611c en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.”

Artikel Ac is ingevoerd bij nota van wijziging (TK 2012-2013, 33 455, nr. 7). De toelichting hierbij luidt als volgt:

“Bij nadere beschouwing is door de Wab ten onrechte in artikel (…) 8:55d, tweede lid, van de Awb dezelfde verwijzing naar bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderinig (Rv) opgenomen als in artikel 8:72, zesde lid, Awb. Voor de dwangsom bij niet tijdig beslissen hebben de artikelen 611a, vierde lid, 611b en 611d Rv geen relevantie.”

3.19.

Uit deze wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om voor de tenuitvoerlegging van de door de bestuursrechter opgelegde nadere dwangsom zoveel mogelijk aan te sluiten bij de dwangsombepalingen in Rv. Bij de eerste wijziging van artikel 8:55d, lid 2, Awb heeft de wetgever immers opgemerkt dat ‘verduidelijkt’ wordt dat ook deze nadere dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd overeenkomstig de regels van Rv. Met andere woorden: voor zover daarover al twijfel mocht zijn, is die twijfel met de wijziging in de Wet aanpassing bestuursprocesrecht weggenomen. Dat de dwangsombepalingen uit Rv op een door de bestuursrechter opgelegde dwangsom in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn, was op dat moment niet nieuw. Deze regel volgt uit het eerder vastgestelde artikel 8:72, lid 6, van de Awb (Stb. 1993, 650), waarin de dwangsombepalingen in Rv – waaronder artikel 611d – uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. In de memorie van toelichting bij artikel 8:72 (TK 1991-1992, 22 495, nr. 3; op dat moment nog genummerd als artikel 8.2.6.6) is de toepasselijkheid van deze bepalingen van Rv niet toegelicht; blijkbaar was dat vanzelfsprekend. De wetgever heeft dus herhaaldelijk verwezen naar de overeenkomstige toepasselijkheid van dwangsombepalingen in Rv voor de tenuitvoerlegging van de door de bestuursrechter opgelegde dwangsom. Daarin ligt een weloverwogen en bestendige keuze besloten.

3.20.

Uit de toelichting bij de hiervoor genoemde nota van wijziging kan niet worden afgeleid dat de wetgever een weloverwogen keuze heeft gemaakt de bestuursrechter die op grond van artikel 8:55d, lid 2, Awb een nadere dwangsom heeft opgelegd niet (meer) aan te merken als de dwangsomrechter in de zin van artikel 611d Rv. Als dat het geval was geweest, had verwacht mogen worden dat dit uitvoeriger zou zijn toegelicht. De wetgever zou daarmee immers hebben afgeweken van zijn eerdere keuze. Het is bovendien niet goed denkbaar dat een dergelijke keuze in het systeem van de Awb past. Na vernietiging van een besluit kan de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, lid 6, Awb een dwangsom verbinden aan de opdracht aan het bestuursorgaan binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen. In die bepaling wordt artikel 611d Rv van overeenkomstige toepassing verklaard. Kortom, hoewel artikel 611d Rv niet (meer) in artikel 8:55d, lid 2, Awb is genoemd, is het nog steeds van overeenkomstige toepassing op de tenuitvoerlegging van een door de bestuursrechter op grond van artikel 8:55d, lid 2, Awb opgelegde nadere dwangsom.

3.21.

Gevolg van het voorgaande is, dat de burgerlijke rechter noch de executierechter bevoegd is te oordelen over het beroep op overmacht en de hoogte van de dwangsommen. De Staat had zich moeten wenden tot de bestuursrechter als de bij uitsluiting bevoegde dwangsomrechter met het verzoek het beroep op overmacht te honoreren en de dwangsom aan te passen. De Staat heeft dat niet gedaan maar buiten de rechter om de dwangsom verminderd. De Staat heeft in een brief van 13 augustus 2020 aan [gedaagde] medegedeeld slechts het volgens de Staat verschuldigde bedrag aan dwangsommen te willen betalen en het meerdere niet verschuldigd te zijn. Bovendien staat in deze brief dat het op de weg van [gedaagde] ligt een civiele procedure te beginnen als [gedaagde] het niet eens is met de wijze waarop de IND uitvoering heeft gegeven aan de rechterlijke uitspraak. Een dergelijke handelwijze frustreert [gedaagde] in het behalen van zijn recht, is in strijd met het fair play-beginsel en moet gelijk worden gesteld aan betalingsonwil. [gedaagde] had dan ook in redelijkheid geen andere keus dan het leggen van executoriaal derdenbeslag ten laste van de Staat. Dit is geen misbruik van executiebevoegdheid. Het beroep van de Staat op artikel 436 Rv moet onder deze omstandigheden als misbruik van recht worden aangemerkt, en gaat dan ook niet op. Het staat [gedaagde] daarom vrij alsnog executoriaal derdenbeslag te leggen in weerwil van artikel 436 Rv. De vorderingen van de Staat moeten worden afgewezen.

3.22.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, waarbij de voorzieningenrechter (anders dan door [gedaagde] verzocht) het salaris voor de advocaat van [gedaagde] zal vaststellen op € 980,00. De stelling van [gedaagde] dat er sprake is van een proefproces en haar advocaat veel tijd in de zaak heeft gestoken, geeft geen aanleiding een hoger tarief vast te stellen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de advocaat voor de tegelijkertijd behandelde procedure tegen [naam] ook salaris toegewezen krijgt, terwijl in beide procedures hetzelfde verweer is gevoerd. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 83,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1063,00

3.23.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen als op de in het dictum vermelde wijze.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.063,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag, indien niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot betaling wordt overgegaan, met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis;

4.3.

veroordeelt de Staat in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Staat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

4.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2020.1

1 type: coll: