Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5201

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-10-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8653 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang tot sluiting van een loods voor de duur van 6 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8653 WET VV

uitspraak van 27 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S. van Minderhout,

en

de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester over de last onder bestuursdwang tot sluiting van een loods aan [adres] voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 13 oktober 2020. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Verzoeker is eigenaar van het perceel met opstallen aan [adres] (het perceel). Verzoeker is melkveehouder en op het perceel staan zijn woning, een stal en twee loodsen.

Uit een bestuurlijke rapportage van 21 maart 2020 blijkt dat de politie Zeeland-West-Brabant bij een doorzoeking op 4 maart 2020 in één van de loodsen op het perceel een cocaïnewasserij heeft aangetroffen. In de betreffende loods werden naast een aantal landbouwvoertuigen, aanhangers, een caravan en agrarische toebehoren onder andere een provisorisch ingerichte slaap/eet/woonplek, bestaande uit een vouwwagen, aangetroffen. Deze stond te midden van een grote partij kartonnen dozen (gebonden) en versnipperde delen daarvan. Aan het einde van de loods, direct naast de vouwwagen was, aan het zicht onttrokken door strobalen, een grote wasserij ingericht. Deze bleek bestemd tot het uit karton extraheren van cocaïne.

Door personeel van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) werden onder andere de navolgende goederen aangetroffen en in beslag genomen: een voorraad bijeengebonden kartonnen dozen (plat), plastic zakken gevuld met snippers van dozen, 3 IBC’s met vermoedelijk afval van de wasserij, 5 IBC’s met vloeistoffen in de wasserij, 7 speciekuipen van 500 liter, 2 speciekuipen van 700 liter, zeef, pers, roermotor, geperste kartonpulp (in blokken verspreid in de wasserij en de pers), plastic bakken, jerrycans met vloeistoffen/chemicaliën.

Van drie goederen werden monsters genomen voor een spoedanalyse bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI); dit betroffen:

- een witte substantie uit een pan;

- een kartonnen doos (deel) als dragermateriaal;

- vloeistof uit een dopvat.

Uit het onderzoek is gebleken dat alle monsters cocaïne bevatten.

Bij brief van 21 juli 2020 heeft de burgemeester aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, waarbij hij zal worden gelast om de loods te sluiten voor een periode van twaalf maanden.

Tegen dit voornemen heeft verzoeker een zienswijze naar voren gebracht. In de zienswijze stelt verzoeker onder meer dat het beleid onderscheid maakt tussen het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs en voorbereidingshandelingen. Bij een eerste overtreding bedraagt de sluitingsduur voor voorbereidingshandelingen zes maanden en bij een handelshoeveelheid twaalf maanden. Uit het voornemen volgt niet dat de burgemeester veronderstelt dat er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, terwijl is voorgenomen over te gaan tot een sluiting van twaalf maanden.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de loods per 28 september 2020 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van zes maanden.

Daartoe overweegt de burgemeester dat er geen handelshoeveelheid drugs is aangetroffen. Er is sprake van voorbereidingshandelingen en de burgemeester gelast conform het beleid een sluiting voor de duur van zes maanden.

Na de indiening van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester de sluiting opgeschort tot een week nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

2. Gronden

Verzoeker voert, samengevat, aan dat hij tot op heden van de burgemeester geen exemplaar van het bestreden besluit heeft ontvangen. Er is wel een exemplaar van het bestreden besluit gestuurd aan de advocaat van verzoeker, maar het toezenden van het besluit aan de advocaat kan niet worden gelijk gesteld met een bekendmaking van het besluit aan de belanghebbende. Dit betekent dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, en ook niet in werking is getreden.

Indien het besluit wel op de juiste wijze aan verzoeker bekend zou zijn gemaakt, is onduidelijk wanneer het bekend is gemaakt en hoeveel dagen verzoeker in de gelegenheid is gesteld om voorbereidingen te treffen voor de sluiting van de loods. Aan verzoeker dient een redelijke begunstigingstermijn te worden geboden en verzoeker wenst een reële mogelijkheid te krijgen om zelf tot sluiting van de loods over te gaan en de kosten voor het toepassen van bestuursdwang te voorkomen.

Verder betwist verzoeker dat er een noodzaak zou zijn om de loods te sluiten. Dit wordt ook niet ondersteund door bevindingen in de bestuurlijke rapportage. Verzoeker stelt dat hij niets wist van de cocaïnewasserij, hetgeen hij ook bij de politie heeft verklaard. Hij ontkent hier enige wetenschap van en/of betrokkenheid bij te hebben gehad. In het bestreden besluit veronderstelt de burgemeester ook geen bekendheid of betrokkenheid van verzoeker. Verzoeker heeft geen antecedenten op het gebied van de Opiumwet en zijn er in de politiesystemen geen relevante registraties aangetroffen over het perceel. Er is niet gebleken van overlast of handhavingsverzoeken ten aanzien van het perceel of verzoeker. Tijdens de doorzoeking van de andere gebouwen op het perceel zijn geen drugs aangetroffen: niets in de andere loods, niets in de loods en niets in de woning. Verzoeker begrijpt niet waarom de burgemeester, mede gelet op het tijdsverloop sinds 4 maart 2020, de sluiting noodzakelijk vindt ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde.

Volgens verzoeker is de sluiting verder onevenredig. In dat kader stelt verzoeker dat zijn persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt en de gevolgen van de sluiting voor hem en zijn bedrijf groot zijn. Verzoeker heeft toezicht gehouden op wat zich in de loods afspeelde nadat hij hem voor een periode van één maand aan een derde had verhuurd. Verzoeker stelt dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de burgemeester van sluiting van de loods voor de duur van zes maanden dient af te zien. De burgemeester had kunnen besluiten tot het geven van een waarschuwing of een sluiting van de loods voor een kortere periode.

3. Het karakter van de procedure: een voorlopige voorziening

Verzoeker is het niet eens met het besluit van de burgemeester en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dit betekent dat het besluit van de burgemeester, ondanks het bezwaar, blijft werken. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter daarom gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die er, kort gezegd, op neerkomt dat de loods tijdens de bezwaarschriftenprocedure niet wordt gesloten.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening geeft de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Een voorlopige voorziening heeft daarbij – zoals de term al zegt – een voorlopig karakter. De rechtbank die op een later moment op een eventueel beroep beslist, is ook niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

4. Wettelijke bepalingen

Voor de leesbaarheid zijn de toepasselijke wettelijke bepalingen opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Bekendmaking bestreden besluit

5.1

Op grond van artikel 5:24, derde lid, van de Awb wordt een last onder bestuursdwang bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

5.2

In dit geval heeft de burgemeester het bestreden besluit toegezonden aan de gemachtigde van verzoeker en niet aan hemzelf. Via zijn gemachtigde heeft verzoeker kennis genomen van het besluit van de burgemeester om aan hem een last onder bestuursdwang op te leggen tot sluiting van de loods voor de duur van zes maanden.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) vloeit uit artikel 2:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 6:17 van die wet en de wetsgeschiedenis voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze. Niet doorslaggevend is of het besluit daarnaast ook aan belanghebbende is gestuurd.1

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker zich al bij het indienen van zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit tot het opleggen van de last onder bestuursdwang door een gemachtigde heeft laten bijstaan. Vast staat dat het besluit door de gemachtigde van verzoeker is ontvangen. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

6. Spoedeisend belang

6.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de op handen zijnde sluiting van de loods in enige mate zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Verzoeker heeft voldoende spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening.

7. Bevoegdheid

7.1

Op 1 januari 2019 is de tekst van artikel 13b van de Opiumwet gewijzigd en is de bevoegdheid opgenomen dat burgemeesters ook woningen en andere panden kunnen sluiten als er voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs (Stb. 2018, 481). Bij de verruiming van artikel 13b van de Opiumwet gaat het om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a of 11a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning, lokaal of erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.

7.2

Verzoeker betwist niet dat in de loods, waarvan hij eigenaar is, een cocaïnewasserij is aangetroffen. Verzoeker stelt dat hij de loods voor de duur van één maand heeft verhuurd aan een derde. Deze huurder zou de loods die periode huren voor de opslag van partytenten. Verzoeker zou de loods na die maand weer nodig hebben voor zijn bedrijf. Verzoeker heeft de huurovereenkomst van 17 februari 2020 ingebracht met daaraan gehecht een kopie van het legitimatiebewijs van de huurder. Verzoeker stelt dat hij niets wist van de cocaïnewasserij, hetgeen hij ook bij de politie heeft verklaard. Hij ontkent hier enige wetenschap van en/of betrokkenheid bij te hebben gehad.

7.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker wist, of in ieder geval ernstige reden had om te vermoeden dat de aangetroffen voorwerpen in de door hem verhuurde loods gebruikt werden voor strafbare voorbereidingshandelingen. De gemachtigde van de burgemeester heeft dat ter zitting nader onderbouwd en deze motivering zal ook opgenomen worden in de beslissing op bezwaar.

In het dossier bevindt zich de huurovereenkomst die verzoeker heeft gesloten met [naam huurder] (een man uit [woonplaats, land] ). De huurovereenkomst is op 17 februari 2020 gesloten voor de duur van één maand voor een bedrag van € 3.500,-. Dit is een aanzienlijk bedrag voor een korte periode. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de huurder spontaan het erf op was gereden om te informeren of hij een loods kon huren. De dag erna is de huurder teruggekomen en heeft hij van het huurbedrag aan verzoeker € 2.800,- in contant geld overhandigd. De huurder zou, ook vanwege de Coronamaatregelen, op zoek zijn geweest zijn naar opslagruimte voor partytenten. Dit is opmerkelijk, aangezien er op 17 februari 2020 nog geen besmettingen in Nederland waren geconstateerd en er dus ook nog geen maatregelen waren getroffen. In [land] is de eerste Coronabesmetting weliswaar eerder, begin februari 2020, maar zijn pas vanaf medio maart 2020 ingrijpende Corona-maatregelen getroffen. Verzoeker stelt dat hij na de verhuur niet meer in de loods geweest is en dat de huurder hem vroeg om een sleutel van de loods. Toen verzoeker geen extra sleutel bleek te hebben, heeft verzoeker de huurder toestemming gegeven om de loods te voorzien van een ander slot. Verzoeker beschikte niet over de sleutel van dat nieuwe slot en had toen geen toegang meer tot de loods. Het toezicht dat verzoeker heeft gehouden, was alleen van een buiten af, zo heeft hij verklaard. Hij heeft geen rare dingen waargenomen op zijn terrein, hoewel er veel spullen moeten zijn gebracht en er – in de nacht dat de politie binnenviel – drie (naar later bleek Colombiaanse) mensen aanwezig waren in de cocaïnewasserij in de loods op zijn erf. Volgens de burgemeester moet verzoeker dit gemerkt hebben of moet hij chemische geuren hebben waargenomen.

De huurder zou gesteld hebben dat hij partytenten zou opslaan in de loods. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat boeren in West-Brabant zeer regelmatig worden benaderd door drugscriminelen om leegstaande loodsen te verhuren ten behoeve van de handel in en productie van drugs. Dit is een reden om extra waakzaam te zijn ten opzichte van onverwachte huurders die de hierboven beschreven signalen afgeven. Van opslag van partytenten is ook geen sprake geweest, zo is gebleken.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester op grond van deze gegevens kunnen concluderen dat de aangetroffen situatie van dien aard is dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verzoeker wist, of ernstige reden had om te vermoeden, dat zijn loods gebruikt werd voor strafbare voorbereidingshandelingen. Dit betekent dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen tot sluiting van de loods op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet.

8. Gebruik maken van de bevoegdheid

8.1

Vervolgens is de vraag of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid. Hierbij is van belang dat de burgemeester bij de uitoefening van zijn bevoegdheid over beleidsruimte beschikt. Dit betekent dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid met enige terughoudendheid moet toetsen.

8.2

De burgemeester heeft de beleidsruimte ingevuld met beleidsregels die zijn neergelegd in het ‘Damoclesbeleid District de Markiezaten’ van de gemeente Bergen op Zoom. De burgemeester heeft conform het beleid besloten om een sluiting voor de duur van zes maanden te gelasten. Dit beleid wordt door de voorzieningenrechter op zichzelf niet onredelijk geacht.

8.3

Dat de last tot sluiting voor de duur van zes maanden in overeenstemming is met het Damoclesbeleid, betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Volgens vaste rechtspraak van de AbRS dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.2

8.4

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de loods noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet de aangetroffen situatie (een omvangrijke en professioneel ingerichte cocaïnewasserij) aangemerkt worden als een ernstig geval.3 De burgemeester mag aannemen dat de loods op het boerenbedrijf van verzoeker is verworden tot een schakel in grootschalige, internationale productie en handel in harddrugs. Dergelijke ondermijnende drugscriminaliteit is in deze regio een groot probleem en het tegengaan daarvan is een speerpunt van het beleid van veel West-Brabantse burgemeesters. Zichtbare sluiting van dergelijke panden of gebouwen is voor bij die panden betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die gebouwen. Met de sluiting wordt een signaal afgegeven dat het gebruiken van een gebouw in strijd met de Opiumwet niet zal worden getolereerd. De burgemeester heeft die omstandigheden bij de belangenafweging mogen betrekken. Dat er geen loop of overlast is gebleken, wat daar ook van zij, maakt het voorgaande niet anders.

8.5

Verzoeker stelt dat er geen noodzaak meer is om de loods te sluiten gezien het tijdsverloop sinds het aantreffen van de cocaïnewasserij op 4 maart 2020. Uit de rechtspraak van de AbRS volgt echter dat het enkele tijdsverloop geen omstandigheid is op grond waarvan de burgemeester van handhavend optreden behoort af te zien.4 De voorzieningenrechter acht het tijdsverloop in het onderhavige geval ook niet onredelijk lang, in aanmerking genomen dat de politie op 21 maart 2020 de bestuurlijke rapportage heeft opgemaakt, deze op 15 april 2020 naar de burgemeester heeft gestuurd en de burgemeester 21 juli 2020 het voornemen tot sluiting van de loods heeft gestuurd.

8.6

De sluiting van de loods kan dus in beginsel noodzakelijk worden geacht. Dit neemt niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt; hij was zelf niet betrokken bij de cocaïnewasserij. Verder stelt verzoeker dat de gevolgen van de sluiting voor hem en zijn bedrijf groot zijn.

Verzoeker heeft de loods nodig voor zijn bedrijfsvoering, onder meer voor de opslag van landbouwvoertuigen, hooi en stro voor de koeien. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden is het belangrijk dat verzoeker (en zijn personeel) deze machines en het eten voor de koeien op het terrein heeft en hier gebruik van kan maken. Verzoeker heeft nog geen vervangende opslagruimte kunnen vinden. Bovendien zijn daar (hoge) kosten aan verbonden, die voor het bedrijf niet of nauwelijks zijn te betalen.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is een sluiting van de loods voor de duur van zes maanden niet onevenredig. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat alleen de loods wordt gesloten, niet de woning of de andere gebouwen op het perceel. Daarvan kan verzoeker gebruik blijven maken. Verder heeft de burgemeester aan het hierboven geschetste belang bij tegengaan van grootschalige productie van, en handel in harddrugs, een zwaarder gewicht mogen toekennen dan het persoonlijke belang van verzoeker bij het onbelemmerde gebruik van de loods voor zijn bedrijfsvoering. Dat iedere persoonlijke verwijtbaarheid zou ontbreken, is de voorzieningenrechter ten slotte niet gebleken, gezien hetgeen hiervoor onder 7.3 is overwogen.

8.7

De voorzieningenrechter concludeert dat er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het Damoclesbeleid gevolgen heeft voor verzoeker die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit betekent dat de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet gebruik heeft kunnen maken.

9. Conclusie

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, inhoudende sluiting van de loods van verzoeker voor de duur van zes maanden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 27 oktober 2020 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Gemeentewet (Gw)

Artikel 125, eerste en derde lid, Gw:

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 2:1, eerste lid, van de Awb:

1. Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Artikel 3:40 Awb:

Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Artikel 3:41, eerste lid, Awb:

1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Artikel 4:84 Awb:

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 5:21 Awb:

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:24, derde lid, Awb:

De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 8:81, eerste lid, Awb:

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Opiumwet (Ow)

Artikel 2, aanhef en onder B, Ow:

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.

Cocaïne staat op lijst I.

Artikel 10, vierde lid, Ow:

4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in artikel 2 onder B of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 10a, eerste lid, aanhef en ten 3º, Ow:

1. Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:

3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 13b Ow

1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

1 Zie AbRS 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3345.

2 Zie AbRS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 en AbRS 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2115.

3 Zie AbRS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.

4 Zie AbRS 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012: BY4412.