Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5162

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-10-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
02-993001-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

veroordeling voor accijnsfraude tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/993001-16

vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2020

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag verdachte] 1964 te [Geboorteplaats verdachte]

wonende te [Adres verdachte]

raadsman mr. Regter, advocaat te Heerlen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Huisman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is gesloten op 16 oktober 2020.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

feit 1:

verdachte met een ander accijnsgoederen (betreffende alcoholhoudende dranken) voorhanden heeft gehad die niet in de accijnsheffing zijn betrokken;

feit 2:

verdachte met een ander geen aangifte voor accijns heeft gedaan, althans daaraan feitelijk leiding heeft gegeven;

feit 3:

verdachte met een ander in strijd met de waarheid accijnsgoederen heeft afgemeld in het douanesysteem EMCS en (vervoers)documenten heeft vervalst, althans daaraan feitelijk leiding heeft gegeven (betreffende alcoholhoudende dranken).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

feit 1:

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij met name op document 22 (de lijst transporten van [Naam 1] , vervoersdocumenten en EMCS-meldingen), de bevindingen van de FIOD in document 001, het fiscaal nadeel genoemd in document 26 en de verklaring van medeverdachte [Medeverdachte] die zegt in opdracht van verdachte sterke drank op het adres van [Naam 2] (hierna: [Naam 2] ) in ontvangst te hebben genomen. Tevens wijst zij erop dat van de 21 zendingen sterke drank geen (accijns)boekhouding bij [Naam 2] is aangetroffen, dat daarvan geen accijnsaangifte is gedaan en geen accijns is afgedragen. Het feit is volgens de officier van justitie door verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [Medeverdachte] gepleegd.

feit 2:

In de visie van de officier van justitie dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 2 primair. Feit 2 subsidiair acht zij evenwel bewezen, gezien met name de documenten 001 en 22, alsmede de verklaringen van [Medeverdachte] , [Naam 3] en [Naam 4] Zij heeft daarbij aangevoerd dat het opzet op het delict volgt uit het feit dat verdachten op de hoogte waren van de wet- en regelgeving met betrekking tot accijnzen, er wel EMCS-meldingen zijn gedaan maar er door niemand een vervolgactie is ondernomen voor wat betreft de accijnsaangiften en er geen administratie is aangetroffen over de accijnsgoederen.

Verder is opgemerkt dat [Naam 5] , die op 23 juni 2011 verdachte als directeur van [Naam 2] had opgevolgd, als stroman kan worden beschouwd. Verdachte bleef immers ook na de overname nog altijd betrokken bij de onderneming en kan daarom als feitelijk leidinggever worden aangemerkt.

feit 3:

De officier van justitie heeft betoogd dat de 21 zendingen sterke drank, betreffende document 22, in het EMCS zijn afgemeld als zijnde ontvangen door [Naam 2] . Die afmeldingen zijn echter, gelet op de verklaringen van [Medeverdachte] , in strijd met de waarheid gedaan, omdat de sterke drank verder is vervoerd naar Duitsland. [Medeverdachte] handelde in opdracht van verdachte. Het deel in de tenlastelegging dat daarop ziet kan daarom volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen.

Tevens kan naar de mening van de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen dat de documenten onder 23A en 23C inzake biertransporten valselijk zijn opgemaakt en gebruikt. Daarvoor wordt verwezen naar de verklaring van [Medeverdachte] , die heeft aangeven dat hij de CMR’s onder 23A en 23C valselijk heeft opgemaakt in opdracht van verdachte. Zijn verklaring wordt ondersteund door getuigen [Naam 3] en [Naam 4] . Verder duiden de verklaringen van [Naam 6] , [Naam 7] en [Naam 8] op de valsheid van de documenten.

Voorts wordt bewezen geacht dat ook de afmeldingen in het EMCS door [Naam 2] met betrekking tot de documenten 23A en 23C valselijk zijn gedaan. De goederen zouden fictief vanuit Frankrijk naar [Naam 2] in Nederland zijn vervoerd, maar hebben in werkelijkheid een andere route doorlopen. Ze zijn naar Engeland getransporteerd zonder dat [Naam 2] het tussen- of eindstation is geweest. Nu verdachte als feitelijk leidinggever wordt gezien, acht de officier van justitie feit 3 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

feit 1:

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat niet is gebleken dat de accijns over de geleverde goederen niet zou zijn betaald door de eigenaren van de zendingen en dat [Naam 2] was gehouden om de accijns na ontvangst van de dranken op aangifte te voldoen. Daarbij wordt voorwaardelijk verzocht de eigenaren als getuigen te horen.

feit 2:

Ten aanzien van dit feit verwijst de raadsman naar zijn verweer onder feit 1.

Verder is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om aan te nemen dat verdachte betrokken is geweest bij de ontvangst van accijnsgoederen na 23 juni 2011. Verdachte was toen werkzaam voor [Naam 2] in Duitsland en had geen aangetoonde bemoeienis meer met [Naam 2] in Nederland.

feit 3:

De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit ter zake van dit feit.

Er ligt een verklaring van [Medeverdachte] dat hij in opdracht van verdachte documenten heeft vervalst, maar verdachte ontkent dat. Ander objectief bewijs daarvoor ontbreekt.

Met betrekking tot de stukken onder document 22 stelt de FIOD dat die niet vals zijn, dus verdachte kan omtrent dat document geen verwijt worden gemaakt.

Voorts is door de raadsman opgeworpen dat in het dossier niet naar voren komt wie de elektronische meldingen in het EMCS heeft gedaan en dat geen verband kan worden gelegd tussen die meldingen en de beschikbare ondertekende vervoersdocumenten enerzijds en verdachte anderzijds (aangaande zowel de documenten 22 als 23A en 23C).

De raadsman heeft als algemene opmerking geplaatst, dat hij volstrekt ongeloofwaardig acht dat [Naam 5] zonder het te weten het bedrijf [Naam 2] heeft gekocht. De overdracht van dit bedrijf heeft immers onder toezicht van een notaris plaatsgevonden, die uit hoofde van zijn functie verplicht is de identiteit van alle betrokkenen te controleren en de overdrachtspapieren heeft voorgelezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

feit 1:

Oprichting en vergunning [Naam 2]

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat [Naam 2] op 11 september 2008 bij akte is opgericht door verdachte en dat aan haar door de Nederlandse Douane op 4 november 2009 een “vergunning geregistreerd bedrijf” is afgegeven. Dit betekent dat het [Naam 2] was toegestaan om accijnsgoederen – te weten alcoholische dranken – onder schorsing van de accijns uit andere lidstaten van de Europese Unie te ontvangen. Op de verleende vergunning zijn niet alleen de wettelijke bepalingen uit de Wet op de accijns van toepassing, maar ook door de Douane gestelde voorwaarden ten aanzien van de betaling van accijnzen.

De 21 zendingen sterk alcoholische dranken

Op basis van de lijst van uitgaande transporten van [Naam 1] , de daarbij behorende EMCS-documenten, CMR’s en GPS-kaarten – onder document 22 –, alsmede de verklaringen van [Medeverdachte] en [Naam 9] , is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat er in de periode van 13 september 2011 t/m 22 december 2011, 21 zendingen sterk alcoholische drank vanuit [Naam 1] naar [Naam 2] zijn vervoerd. In aanwezigheid van [Medeverdachte] zijn deze accijnsgoederen op het adres van [Naam 2] ontvangen. [Medeverdachte] heeft de goederen gelost en dezelfde dag weer ingeladen in andere vrachtwagens, die daarna doorreden naar een andere bestemming.

Afmeldingen en aangiften

De douane is, gelet op de bevindingen van de FIOD, de lijst ontvangsten/réceptions van [Naam 2] (document 11A) en de verklaring van [Medeverdachte] , direct in kennis gesteld van de ontvangsten van deze accijnsgoederen. De goederen zijn immers conform de vergunningsvoorwaarden telkens op het tijdstip van ontvangst elektronisch afgemeld in het Douane-systeem EMCS door [Medeverdachte] of de zoon van verdachte. Op het moment dat de goederen zijn ontvangen (en afgemeld) is de schorsingsregeling niet meer van toepassing. Het bedrijf heeft dan accijnsgoederen voorhanden buiten de schorsingsregeling om waarvoor geen accijns is betaald. Er is dan sprake van uitslag tot verbruik volgens artikel 2, eerste lid onderdeel b van de Wet op de accijns (hierna: WA). Blijkens artikel 52, eerste lid en tweede lid onderdeel a WA is op dat moment accijns verschuldigd. Dit correspondeert ook met de voor [Naam 2] geldende vergunningsvoorwaarden. De verschuldigd geworden accijns moet op basis van artikel 53, eerste lid WA op aangifte worden voldaan. Dergelijke aangiften ter zake van de 21 zendingen zijn volgens de FIOD echter in het geheel niet door [Naam 2] gedaan. Evenmin is de verschuldigde accijns uiteindelijk afgedragen. Tijdens de doorzoeking bij [Naam 2] is ook geen administratie omtrent accijnsaangiften en

-betalingen aangetroffen, terwijl een bedrijf daartoe wettelijk verplicht is.

Daarom kan worden geconcludeerd dat [Naam 2] accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, die niet in de heffing zijn betrokken. Door de raadsman is bovendien niet weersproken dat er geen aangifte zou zijn gedaan.

Gelet op het bovenstaande lijdt het geen twijfel dat [Naam 2] als vergunninghouder “geregistreerd geadresseerde” gehouden was om accijnsaangifte te doen op het tijdstip van ontvangst van de accijnsgoederen. Het verweer van de raadsman, dat onduidelijkheid zou bestaan over door wie en wanneer aangifte moet worden gedaan, wordt dan ook verworpen.

Zijn verzoek tot het horen van de eigenaren van de accijnsgoederen wordt afgewezen, omdat de rechtbank zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht over de aangifteplicht van [Naam 2] en haar de noodzakelijkheid van de gevraagde getuigenverhoren niet is gebleken.

De rol van [Naam 5]

Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel vloeit voort dat [Naam 5] vanaf

23 juni 2011 tot 31 augustus 2015 (zijnde de datum van ontbinding van [Naam 2] ) – welke periode in de tenlastegelegde periode valt – de directeur van [Naam 2] is geweest.

Maar anders dan de raadsman gaat de rechtbank ervan uit dat [Naam 5] is ingezet als stroman, gezien het samenstel van de verklaringen van [Naam 5] , [Naam 10] , [Naam 11] , [Naam 12] [Medeverdachte] en [Naam 13] , de opgevraagde bank(pas)gegevens aangaande de bankrekening van [Naam 2] , het onderzoek van de FIOD naar de persoon, de inkomsten en het autobezit van [Naam 5] en de constatering dat de handtekening van [Naam 5] namens [Naam 2] onder het beschikbare bezwaarschrift niet overeenkomt met zijn werkelijke, authentieke handtekening die onder zijn verhoor bij de FIOD is geplaatst.

De rol van verdachte

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wie, anders dan [Naam 5] , de opdrachten aan [Medeverdachte] heeft gegeven met betrekking tot de 21 zendingen sterk alcoholische drank.

Zij maakt daarbij een onderscheid tussen de periode vóór en de periode ná de bedrijfsoverdracht op 23 juni 2011.

Vóór de bedrijfsoverdracht, van 11 september 2008 tot 23 juni 2011, was verdachte tot tweemaal toe als de directeur van [Naam 2] ingeschreven. De verklaringen van [Naam 3] , [Naam 4] en [Medeverdachte] , in onderlinge samenhang bezien, laten echter zien dat verdachte in het gehele voornoemde tijdvak een aansturende rol heeft gehad. Dus ook in de periode van

1 december 2009 tot 25 oktober 2010, toen [Naam 3] op papier de directeur was, was het verdachte die de scepter zwaaide.

Over de periode ná de bedrijfsoverdracht heeft de rechtbank met name de verklaring van [Medeverdachte] in ogenschouw genomen. Hij zegt van 2009 t/m 2015 werkzaamheden te hebben verricht voor verdachte en dat hij in die periode feitelijk betrokken is geweest bij de bewuste

21 leveringen van sterk alcoholische drank. Als heftruckchauffeur loste [Medeverdachte] immers de ladingen die op het adres van [Naam 2] waren binnengekomen en laadde hij deze ook weer over in andere vrachtwagens. Hij heeft kenbaar gemaakt dat hij deze handelingen uitvoerde in opdracht van verdachte, dat verdachte de transporten had geregeld en dat verdachte veelvuldig contact had met [Naam 1] Het is dus opvallend dat, ondanks dat [Naam 5] sinds 23 juni 2011 op papier de directeur was, verdachte aan [Medeverdachte] de opdrachten gaf. [Medeverdachte] heeft in dit kader niet aangegeven dat verdachte op enig moment uit beeld is geweest bij [Naam 2] of dat de werkwijze is veranderd na het vertrek van [Naam 3] en [Naam 4] of na de bedrijfsoverdracht. [Medeverdachte] verklaart [Naam 5] nooit gezien of gehoord te hebben.

Op grond van de verklaringen van [Medeverdachte] , [Naam 3] en [Naam 4] is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte [Medeverdachte] is blijven aansturen, zoals hij dit ook vóór de bedrijfsoverdracht heeft gedaan.

Het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet in de heffing zijn betrokken

Voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen moet op basis van de jurisprudentie1 en (deels) artikel 97 WA vaststaan dat verdachte in persoon feitelijk heeft kunnen beschikken over de accijnsgoederen en dat hij op het moment waarop hij de goederen voorhanden krijgt, weet of redelijkerwijs kan weten dat de goederen niet in de heffing zijn of zullen worden betrokken.

Omdat kan worden gesteld dat verdachte de hoedanigheid van de accijnsgoederen kende, zeggenschap heeft gehad over de goederen, toegang heeft gehad tot die goederen, de transporten van deze goederen heeft georganiseerd, althans met andere bedrijven afspraken heeft gemaakt over die goederen, en hij [Medeverdachte] opdrachten voor de uitvoering van die transporten heeft gegeven, acht de rechtbank de feitelijke beschikkingsmacht bij verdachte aanwezig.

Rest nog de vraag of verdachte wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat de accijnsgoederen niet in de heffing waren betrokken.

Het is in dit licht opmerkelijk dat [Medeverdachte] wel opdracht van verdachte kreeg om de goederen bij ontvangst af te melden in het EMCS, maar niet de opdracht ontving om vervolgens aangifte voor accijns te doen.

Van [Medeverdachte] kan naar het oordeel van de rechtbank in dit opzicht niet redelijkerwijs worden gevergd dat hij op grond van zijn positie als uitvoerend werknemer op de hoogte moet zijn van de bepalingen in de WA en de vergunningsvoorwaarde dat bij ontvangst van de goederen ook de accijns door [Naam 2] is verschuldigd. De inhoud van voormelde wet en de geldende vergunningsvoorwaarden zijn meer op leidinggevenden gericht en niet zo zeer op uitvoerende werknemers. Van verdachte mocht echter om die reden wél die kennis worden verwacht. Volgens eigen zeggen weet verdachte ook dat er na een afmelding in het EMCS een aangifte moet volgen. Tevens heeft hij opgemerkt: “wij mochten in Waalwijk alleen goederen hebben waarop de accijns was voldaan”. Verdachte heeft evenwel geen opdrachten aan [Medeverdachte] gegeven om aangifte te doen. Verdachte zelf of een ander heeft daarvoor kennelijk ook niet zorggedragen, omdat er geen aangiften en accijnzen voor die zendingen bij de Belastingdienst zijn binnengekomen.

Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat verdachte tenminste redelijkerwijs heeft kunnen weten dat de accijnsgoederen betreffende de 21 zendingen niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing betrokken zijn geweest. Er is dan ook tenminste sprake van voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van die goederen.

Verdachte kan met en namens [Naam 2] verantwoordelijk worden gehouden voor het tenlastegelegde feit.

Conclusie

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

feit 2:

De rol van de rechtspersoon [Naam 2]
Op grond van artikel 51, eerste lid onderdeel b van de WA kan in casu de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, zijn gehouden tot het doen van accijnsaangifte en het afdragen van de accijns. Dit artikel ziet op de rol die [Naam 2] heeft vervuld als vergunninghouder en als vennootschap op wiens naam en locatie accijnsgoederen zijn ontvangen. Daarnaast blijkt evident uit de stukken van de FIOD dat [Naam 2] als belastingplichtige moet worden aangemerkt. Dat betekent dat zij ook het strafbaar feit kan begaan, zoals bedoeld in artikel 69, eerste lid juncto artikel 68, eerste lid, onderdeel a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, door het niet verstrekken van inlichtingen en gegevens.

Door de Hoge Raad2 is voorts bepaald dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.
Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan volgens de Hoge Raad sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

De rechtbank stelt in casu vast dat door verdachte, die werkzaam is geweest ten behoeve van [Naam 2] – op welke rol de rechtbank hieronder nader zal ingaan – meermalen geen aangifte voor accijns is ingediend aangaande de 21 zendingen sterk alcoholische drank in het tijdvak van 13 september 2011 tot en met 22 december 2011 (onder document 22). Het doen van aangifte voor accijns is financieel en administratief van aard en past in de normale bedrijfsvoering van een rechtspersoon als [Naam 2] . Het niet doen van aangifte hangt daarmee samen en die strafbare gedraging is [Naam 2] tevens dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf, omdat met het achterwege laten van de aangiften geen, althans te weinig accijns is afgedragen, met als doel om meer winst te behalen.
Op grond van dat alles kan worden geconcludeerd dat de strafbare gedraging zich binnen de invloedssfeer van [Naam 2] heeft voorgedaan en kan die redelijkerwijs aan deze rechtspersoon worden toegerekend.

Omdat de delictsomschrijving in artikel 69, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, opzet vereist bij de rechtspersoon, dient dit eveneens te worden aangetoond.
[Naam 2] kan als professionele marktdeelnemer worden betiteld, die zich bezig heeft gehouden met het transport en de ontvangst en opslag van accijnsgoederen. Daarom mag van haar worden verwacht dat haar leiding bekend is met de voor haar relevante wet- en regelgeving en vergunningsvoorwaarden ter zake van accijnsgoederen en de zorg en verantwoordelijkheid draagt dat binnen de onderneming ook wordt gehandeld conform die wetten en voorwaarden. Zeker gezien de haar verleende status van geregistreerd bedrijf. Dat is niet gebeurd. Dit aspect duidt op (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van [Naam 2]
Tevens heeft de rechtbank hierbij betrokken dat het opzet van een natuurlijk persoon, voorwaardelijk opzet daaronder begrepen, aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Hieronder zal worden uiteengezet dat sprake is van opzet bij verdachte, zodat ook om die reden kan worden gesteld dat [Naam 2] opzet heeft gehad op de verboden gedraging.

De rol van verdachte

Nu kan worden vastgesteld dat [Naam 2] als rechtspersoon een strafbaar feit heeft gepleegd, werpt zich de vraag op of kan worden bewezen dat verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven als bedoeld in artikel 51, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de bewijsmiddelen is op te maken dat verdachte formeel geen zeggenschap had binnen [Naam 2] . Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad3 hoeft dit echter geen belemmering te vormen om een feitelijk leidinggever als strafrechtelijk aansprakelijk aan te merken. Het is niet zo zeer van belang hoe de zaken binnen een onderneming juridisch-organisatorisch geregeld zijn, maar of een natuurlijk persoon het ten aanzien van bepaalde werkzaamheden voor het zeggen had, althans een zwaarwegende invloed had.

Op basis van de verklaring van [Medeverdachte] , die ondersteuning vindt in de verklaringen van [Naam 3] en [Naam 4] , is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat bij verdachte zeggenschap dan wel zwaarwegende invloed aangaande de transporten, ontvangsten en administratie van accijnsgoederen aanwezig was. In het bijzonder tekent de rechtbank aan dat [Medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte hem niet alleen heeft aangestuurd, maar dat hij ook de persoon is geweest die hem steeds, tot in 2015, zijn “salaris” contant heeft uitbetaald. Ook de omstandigheden dat verdachte de oprichter van [Naam 2] , hij tweemaal wel formeel de directeur was en hij gemachtigd was om voor het bedrijf bankzaken te regelen totdat het bedrijf werd ontbonden, dragen aan dat oordeel bij. Voorts leidt de gang van zaken rondom de inzet van [Naam 5] als katvanger (zoals overwogen onder feit 1) tot de conclusie dat verdachte daarmee heeft willen verhullen dat hij zelf de daadwerkelijke sturende en drijvende kracht was, zodat hij bij de te ontdekken onregelmatigheden door de Douane/FIOD buiten schot zou blijven.

De rechtbank stelt verder vast, gelet op de jurisprudentie4, dat verdachte als leidinggevende maatregelen achterwege heeft gelaten ter voorkoming van de verboden gedraging, hoewel hij daartoe redelijkerwijs gehouden was. Hij heeft immers nagelaten, verzuimd om zelf aangifte voor accijns te doen of een ander die aangifte te (laten) doen na ontvangst van de leveringen sterk alcoholische drank, terwijl hij zelf heeft aangegeven dat hij wist dat er na de aankomst van goederen tijdig een aangifte moest worden gedaan. Op geen enkel moment in de periode dat de 21 leveringen zijn ontvangen, heeft verdachte ingegrepen. Hij heeft bovendien geen gedegen administratie inzake accijnsaangiften bijgehouden, nu die niet bij de doorzoeking bij [Naam 2] of elders is aangetroffen.

Verdachte heeft daarmee (tenminste) bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de feitelijke positie van verdachte binnen [Naam 2] van dien aard was, dat hij in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als feitelijk leidinggevende van die rechtspersoon. Dat betekent dat hij verantwoordelijk is te houden voor de door deze rechtspersoon gepleegde strafbare feiten. In die hoedanigheid van feitelijk leidinggevende is dit door [Naam 2] gepleegde feit aan verdachte toe te rekenen.

Conclusie

Verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit. Het subsidiair tenlastegelegde feit wordt wettig en overtuigend bewezen geacht.

feit 3:

Ten aanzien van document 22

De rechtbank constateert dat de afmeldingen in het EMCS door [Naam 2] correct zijn uitgevoerd, betreffende de 21 zendingen sterk alcoholische drank afkomstig van [Naam 1] met als bestemming/plaats van levering [Naam 2] . Dit op basis van de documenten 22, 11A en 26; waaronder CMR’s, EMCS-documenten, lijsten met ontvangen goederen en GPS-kaarten. Deze stukken sluiten nauw op elkaar aan.

Bovendien stelt de FIOD in het dossier dat de 21 transporten van Frankrijk naar Waalwijk “juist” waren en dat de afmeldingen daarvan in Waalwijk ook “juist” waren.

De FIOD gaat er evenwel van uit dat de verdere afhandeling “onjuist” was, omdat de bewuste accijnsgoederen een (vooraf al vaststaande) andere eindbestemming hebben gekregen, dan die op de documenten is vermeld. [Naam 2] zou als dekmantel worden gebruikt voor een andere ontvanger, vermoedelijk in Duitsland.

Ook de onder feit 1 aangehaalde verklaring van [Medeverdachte] wijst in die richting: er werden door [Medeverdachte] en de zoon van verdachte wel afmeldingen gedaan in het EMCS, omdat de goederen bij [Naam 2] fysiek werden ontvangen, maar ze werden dezelfde dag nog doorgeleverd naar een andere ontvanger. Echter, in de tenlastelegging is geen strafbare gedraging opgenomen die ziet op de doorvoer van de goederen naar een andere eindbestemming dan is vermeld op de documenten.

Nu niet is vast komen te staan dat de berichten van ontvangst van de accijnsgoederen/de afmeldingen, in strijd met de waarheid zijn ingevoerd in het EMCS en de doorlevering van goederen naar een andere bestemming dan opgegeven niet is tenlastegelegd, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het deel in de tenlastelegging dat (gezien de interpretatie van de officier van justitie) betrekking heeft op de valsheid van de stukken onder document 22.

Ten aanzien van documenten 23A en 23C

De rechtbank overweegt over het tenlastegelegde deel met betrekking tot de documenten 23A en 23C, die volgens de officier van justitie moeten worden beperkt tot de vervoersdocumenten ter zake van de ondernemingen [Naam 14] (hierna: [Naam 14] ) (als ontvanger; onder document 23A), [Naam 15] (als afzender; onder document 23C) en [Naam 16] (als afzender; onder document 23C) het navolgende.

De FIOD heeft gericht onderzoek gedaan naar de valsheid van de bewuste documenten, die ten behoeve van meerdere biertransporten binnen Europa zijn vervaardigd. Uit dit onderzoek is voortgekomen dat de documenten van [Naam 14] niet origineel en handmatig zijn ondertekend, maar dat het gaat om prints/kopieën van mogelijk originele documenten. Bovendien vertonen deze documenten geen enkele zichtbare indruk in het papier, zodat niet kan worden bepaald dat er daadwerkelijk eerder met een schrijfinstrument en/of met een stempel een handtekening of stempelafdruk op dat formulier is gezet. Door [Naam 6] , de (voormalige) directeur van [Naam 14] , zijn setjes met soortgelijke documenten overgelegd, mede voorzien van inslag- en accijnsdocumenten, waarop wél handmatig voor ontvangst is ondertekend en gestempeld. Tevens zijn volgens de FIOD de indrukken van schrijfinstrumenten en stempelafdrukken in het papier van de documenten waarneembaar. [Naam 6] heeft hierover verklaard dat zijn bedrijf weliswaar in bier heeft gehandeld en dat hij het bedrijf [Naam 2] in Duitsland kent en aldaar een keer [Verdachte] heeft ontmoet, maar dat de bewuste documenten qua vorm, stempels en handtekeningen afwijken van de documenten die door zijn bedrijf zijn opgemaakt.

De FIOD heeft niet alleen vervoersdocumenten voorgehouden aan [Naam 6] , maar ook aan de zaakvoerders [Naam 7] en [Naam 8] respectievelijk van de firma’s [Naam 15] en [Naam 16] Deze firma’s blijken nog nooit in bier te hebben gehandeld. [Naam 7] en [Naam 8] geven aan niet bekend te zijn met [Naam 2] , [Verdachte] en [Medeverdachte] . Ze herkennen evenmin de documenten (23C) waarop de namen van hun bedrijven zijn vermeld.

Daarnaast wijst de FIOD op de verklaring van [Medeverdachte] , dat er door hem in opdracht van [Verdachte] een valse stempel zou zijn gemaakt en gebruikt van de onderneming [Naam 17] , welke onderneming blijkens de documenten onder 23A als expediteur heeft gefungeerd bij de transporten met als ontvanger [Naam 14] . Op de documenten van [Naam 14] zijn door verbalisanten inderdaad stempelafdrukken van [Naam 17] gezien.

Uit de processen-verbaal van de FIOD is verder af te leiden dat zij er van uit gaat dat het bier vanuit Frankrijk rechtstreeks naar Engeland is getransporteerd, buiten de locatie van [Naam 2] om. [Medeverdachte] verklaart in dit verband dat hij geen bier bij [Naam 2] heeft zien staan en dat de capaciteit van de hal daar ook niet op zou zijn berekend.

De bevindingen van de FIOD in combinatie bezien met de aangehaalde verklaringen leveren voldoende aanwijzingen op dat de documenten valselijk zijn opgemaakt.

Tevens biedt het dossier voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat [Medeverdachte] degene is geweest die de documenten valselijk heeft opgesteld, gezien de omstandigheid dat de documenten 23A t/m 23F afkomstig zijn uit een schoenendoos van [Medeverdachte] en zijn verklaring dat hij vervoersdocumenten uit die doos valselijk heeft opgemaakt in Calais, Frankrijk.

Niet kan echter worden vastgesteld dat [Medeverdachte] specifiek de documenten 23A en 23C heeft opgemaakt, ondertekend of gestempeld blijkens zijn verklaring bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft [Medeverdachte] namelijk enkele CMR’s (die zijn opgenomen onder 23A en 23C) voorgehouden, maar deze zijn niet door hem herkend.

Uit de bewijsmiddelen is ook niet af te leiden dat de documenten door verdachte, een werknemer van [Naam 2] of een andere betrokkene zijn vervaardigd.

De rechtbank acht derhalve onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden om te stellen dat [Naam 2] en/of verdachte de documenten onder 23A en 23C valselijk hebben/heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Nu uit het dossier geheel niet voortvloeit dat er in het EMCS afmeldingen ten aanzien van de biertransporten, concreet bedoeld onder de documenten 23A en 23C, hebben plaatsgevonden, kan evenmin worden aangenomen dat verdachte valselijk afmeldingen in voormeld systeem heeft verzonden/ingevoerd. Ook voor dit onderdeel in de tenlastelegging ligt onvoldoende bewijs.

Conclusie

De rechtbank acht aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor feit 3, zowel voor wat betreft document 22, als de documenten 23A en 23C. Verdachte zal van dit feit integraal worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

in de periode van 13 september 2011 tot en

met 22 december 2011 te Waalwijk meermalen telkens tezamen en in vereniging met een rechtspersoon

in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de Accijns,

opzettelijk hoeveelheden accijnsgoederen,

namelijk alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van genoemde wet (te weten de drank(en) als genoemd in doc-022),

voorhanden heeft gehad, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing zijn betrokken;

feit 2 subsidiair:

[Naam 2] in de periode van 13 september 2011 tot en met 22 december 2011 te Waalwijk meermalen de (volgende) bij de belastingwet, te weten de Wet op de

Accijns, voorziene aangiften ter zake 21zendingen en/of transporten alcoholhoudende producten (doc-022), telkens opzettelijk niet heeft gedaan en/of laten doen, terwijl die feiten ertoe strekken dat telkens te weinig belasting wordt geheven,

hebbende hij, verdachte, telkens feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande

verboden gedragingen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden genomen. Zij vordert nochtans aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

18 maanden, omdat zij rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gevraagd in overweging te nemen een onvoorwaardelijke boete op te leggen, die verrekend kan worden met het onder verdachte in beslag genomen contante geldbedrag van € 21.020,00. Deze straf kan eventueel gelden in combinatie met een taakstraf of een voorwaardelijke straf. Ook hij verzoekt om strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan accijnsfraude. Hij heeft samen met het bedrijf [Naam 2] gedurende ruim drie maanden 21 zendingen met verschillende hoeveelheden wodka, whisky en andere sterk alcoholische dranken uit Frankrijk voorhanden gehad, waarover geen accijns was geheven. Daarnaast heeft hij als feitelijk leidinggevende van [Naam 2] van voornoemde leveringen geen aangiften gedaan, zodat hij daarover ook niet de verschuldigde accijns heeft afgedragen.

Doordat er nog altijd sprake is van uiteenlopende prijzen van sterke drank en de daarvoor geldende accijnstarieven tussen de EU-lidstaten, controles door de Douane in beperkte mate worden verricht en het EMCS (als het ware het track & trace systeem van de Douane) niet waterdicht is, blijft het voor ondernemers mogelijk en lucratief om met accijns te frauderen.

De FIOD heeft berekend dat de Nederlandse Staat en daarmee de samenleving door de belastingontduiking van verdachte € 1.559.816,94 is misgelopen.

Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Ook is bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan.

Verdachte heeft zich dan ook onverantwoordelijk en respectloos opgesteld ten opzichte van de Nederlandse staat en de zakelijke belangen van anderen.

De feiten worden door de rechtbank als ernstig beschouwd. Zij acht het bovendien bijzonder kwalijk, dat verdachte op enig moment een stroman heeft ingezet met als doel om zelf op de achtergrond te blijven en op die manier zijn eigen handelen te verdoezelen.

De rol van verdachte

De rechtbank gaat er van uit dat verdachte een cruciale, niet te onderschatten rol heeft gehad, maar ziet tevens aanwijzingen – blijkens het relaas van [Medeverdachte] – dat achter [Naam 2] en verdachte een grotere holding schuil gaat, die is gevestigd in Groot-Brittannië en accijnsfraude op Europees niveau pleegt. Verdachte heeft wel een belangrijke rol, maar is waarschijnlijk niet de grote man die alles aanstuurt. Met deze omstandigheid wordt in het voordeel van verdachte rekening gehouden.

De rechtbank heeft eveneens ten gunste van verdachte meegewogen dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Door de Belgische en Duitse belastingautoriteiten zijn weliswaar eveneens onderzoeken verricht naar een zelfde werkwijze van accijnsfraude door bedrijven waarvoor verdachte werkzaam is geweest, maar die hebben (nog) niet geleid tot een vervolging of veroordeling.

Wat niet in het voordeel van verdachte meeweegt is zijn proceshouding. Hij heeft geen openheid van zaken willen geven en volhardt in zijn ontkennende verklaring. Daarmee heeft hij geen blijk gegeven van inzicht in zijn laakbaar handelen.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank houdt tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die ook blijken uit het reclasseringsrapport van Mondriaan d.d. 27 juni 2018. De reclassering kan de kans op recidive niet inschatten, omdat verdachte de feiten heeft ontkend en de reclassering de inlichtingen die verdachte zelf over zijn persoonlijke situatie heeft gegeven niet kan verifiëren. Niettemin geeft de reclassering aan dat verdachte zijn leven goed op orde lijkt te hebben. Hij heeft een gezin als beschermende factor, heeft vast werk als vrachtwagenchauffeur, is in het bezit van een koopwoning en heeft klaarblijkelijk geen problemen met middelengebruik of psychische problematiek. Daarbij wordt de kanttekening geplaatst dat verdachtes werkkring, in het licht van het tenlastegelegde, als een risico verhogende factor kan worden beschouwd.

Ter zitting is aan de orde gekomen, dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte tussentijds niet zijn veranderd.

Tussenconclusie

Alles overwegend, in het bijzonder gezien de ernst van de feiten en het grote belastingnadeel, is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie is. Nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie – feit 3 niet bewezen acht, gaat zij uit van een gevangenisstraf van 18 maanden in plaats van 24 maanden. Daarin is al verdisconteerd dat verdachte is veroordeeld voor een misdrijf na het plegen van de onderhavige bewezenverklaarde feiten maar vóór de onderhavige uitspraak, zoals bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Redelijke termijn

Tot slot heeft de rechtbank er nog rekening mee gehouden dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden), is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat er in eerste aanleg een eindvonnis wordt uitgesproken binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn start vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 9 december 2015 is de verdachte voor de eerste maal verhoord door de FIOD. Dit is het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het eindpunt is de datum van de uitspraak: 16 oktober 2020. Het tijdsverloop tussen 9 december 2015 en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt ruim 4 jaren en 10 maanden. Dit betekent een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 2 jaren en 10 maanden, die niet aan de verdediging is te wijten. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de onderhavige zaak weliswaar omvangrijk en complex van aard is, waarin meerdere onderzoekswensen zijn ingediend en uitgevoerd, maar dat die omstandigheden niet het gehele tijdsverloop verklaren. De rechtbank zal de overschrijding daarom in het voordeel van verdachte verrekenen in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf zal worden gematigd met drie maanden.

Conclusie

Dit leidt tot de slotsom dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van

15 maanden met aftrek van voorarrest.

7 Het beslag

7.1

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

3 horloges van het merk Rado; goednummers 6050569-30073/30074/30075; codes B-35, B-36, B-37.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair: opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder 7.1 inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Goossens en mr. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2020.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

1.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 augustus 2011 tot en

met 23 april 2012 te Waalwijk en/of Roosendaal en/of Emmen , in elk geval

(elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de Accijns,

opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoed(eren),

namelijk alcoholhoudende drank als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a en/of

onder d van genoemde wet (te weten de drank(en) als genoemd in doc-022),

althans (telkens) een (groot) aantal alcoholische dranken voorhanden

heeft/hebben gehad en/of voorhanden heeft/hebben doen hebben, welke niet

overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing is/zijn

betrokken;

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns

2.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 augustus 2011 tot en

met 23 april 2012 te Waalwijk en/of Roosendaal en/of Emmen, in elk geval

(elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

één of meer van de (volgende) bij de belastingwet, te weten de Wet op de

Accijns, voorziene aangifte(n) ter zake 21, althans één of meerdere,

zendingen en/of transporten alcoholhoudende producten (doc-022),

(telkens) opzettelijk niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn(en)

heeft gedaan en/of laten doen immers waren/was bedoelde aangifte(n) op 23

april 2012 nog niet gedaan, terwijl die/dat feit(en) ertoe strekt/strekken dat

(telkens) te weinig belasting wordt geheven;

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[Naam 2] op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 31

augustus 2011 tot en met 23 april 2012 te Waalwijk en/of Roosendaal en/of

Emmen, in elk geval (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

één of meer van de (volgende) bij de belastingwet, te weten de Wet op de

Accijns, voorziene aangifte(n) ter zake 21, althans één of meerdere,

zendingen en/of transporten alcoholhoudende producten (doc-022),

(telkens) opzettelijk niet en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn(en)

heeft gedaan en/of laten doen immers waren/was bedoelde aangifte(n) op 23

april 2012 niet gedaan, terwijl die/dat feit(en) ertoe strekt/strekken dat

(telkens) te weinig belasting wordt geheven,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(e)(n)

(rechts)perso(o)(nen), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande

feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande

verboden gedraging(en);

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

3.

Hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 31 augustus 2011 tot en

met 24 maart 2015 te Waalwijk en/of Roosendaal en/of Emmen, in elk geval

(elders) in Nederland, en/of in Duitsland en/of in Frankrijk ,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) één of meer document(en) en/of melding(en) in het Excise Movement

and Control System (EMCS), zijnde één of meerdere overzicht(en) van (een)

zending(en) alcoholhoudende dranken en/of CMR's en/of afleverbonnen en/of

facturen (doc-022 en/of doc-23a t/m doc-23f),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk

heeft doen opmaken en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of

zijn mededader(s) (telkens) valselijk - in strijd met de waarheid - één of

meer van de berichten van ontvangst van (een)accijnsgoed(eren) en/of

afmeldingen via en/of naar en/of in het Excise Movement and Control System

(EMCS) verzonden en/of ingevoerd (terwijl deze/dit accijnsgoed(eren) niet

zijn/is ontvangen op de/het leveringsadres(sen) die/dat worden/wordt genoemd

en/of vermeld en/of opgenomen in de/het betrokken CMR's),

zulks (telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[Naam 2] op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 31

augustus 2011 tot en met 24 maart 2015 te Waalwijk en/of Roosendaal en/of

Emmen, in elk geval (elders) in Nederland, en/of in Duitsland en/of in

Frankrijk,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen en/of (een) ander(e) rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) één of meer document(en) en/of melding(en) in het Excise Movement

and Control System (EMCS), zijnde één of meerdere overzicht(en) van (een)

zending(en) alcoholhoudende dranken en/of CMR's en/of afleverbonnen en/of

facturen (doc-022 en/of doc-23a t/m doc-23f),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk

heeft doen opmaken en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk -

in strijd met de waarheid - één of meer van de berichten van ontvangst van

(een)accijnsgoed(eren) en/of afmeldingen via en/of naar en/of in het Excise

Movement and Control System (EMCS) verzonden en/of ingevoerd (terwijl

deze/dit accijnsgoed(eren) niet zijn/is ontvangen op de/het

leveringsadres(sen) die/dat worden/wordt genoemd en/of vermeld en/of

opgenomen in de/het betrokken CMR's, zulks (telkens) met het oogmerk om

voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een)

ander(en) te doen gebruiken

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(e)(n)

(rechts)perso(o)(nen), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande

feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande

verboden gedraging(en);

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 50569 van de Belastingdienst/FIOD Roosendaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1760 volgens het papieren en het oorspronkelijke digitale dossier. Deze nummering wordt door de rechtbank hieronder aangehouden (volgens het “nieuwe” digitale dossier geldt na toevoeging van de documenten 18 tot en met 21 de nummering 1 tot en met 3241).

feit 1 en feit 2 subsidiair:

, I

Het proces-verbaal door verbalisant [Naam 18] , d.d. 17 oktober 2013, pagina 742 (DOC 001) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 1 juli 2009 ontving de Douaneregio Roosendaal een verzoek om afgifte van een “Vergunning geregistreerd bedrijf” van [Naam 2] Deze vergunning gaf [Naam 2] de toestemming om accijnsgoederen onder schorsing van de accijns uit andere lidstaten van de EU te mogen ontvangen. Deze vergunning is per beschikking [Nummer vergunning] verleend op 4 november 2009. In deze vergunning zijn voorwaarden opgenomen over melding en betaling van accijnzen. De douane ontving geen melding van onregelmatigheden noch enige andere melding.

Medio 2011 heeft de douane besloten een nader onderzoek in te stellen naar [Naam 2] . Tijdens een controle in het persoonlijk domein van [Naam 2] stelde de douane vast dat na de afgifte van de vergunning wel ontvangstmeldingen werden gedaan, maar dat deze niet werden opgevolgd door de wettelijk vereiste aangiften en/of betalingen.

Het proces-verbaal inzake verzoek vordering door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] d.d. 22 oktober 2014, pagina 130 en 131 (AMB 013) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Na het verlenen van die vergunning “geregistreerd geadresseerde” is door de Douane

tevens de eis gesteld dat alle binnenkomende zendingen van alcoholhoudende dranken

(accijnsgoederen) 24 uur voorafgaand aan de goederenontvangst aan de Douane gemeld moeten worden. Tevens moet de Douane direct in kennis worden gesteld van de daadwerkelijke ontvangst van die (accijns)goederen. Een volgende voorwaarde in de aan [Naam 2] verstrekte vergunning is dat de accijns verschuldigd is op het tijdstip van ontvangst van de accijnsgoederen door de houder van de vergunning “geregistreerd geadresseerde”.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 72 t/m 74 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Door elektronische meldingen te doen in het EMCS wordt door of vanwege

ondernemingen aan de Douanediensten, door middel van computerbestanden,

doorgegeven waar accijnsgoederen zich bevinden alsmede de accijnsstatus daarvan. Bij

afmelding in het EMCS, als zijnde “de goederen zijn ontvangen”, ontstaat dan voor een

vergunninghouder als de “geregistreerd geadresseerde” een volgende wettelijk

voorgeschreven “stap” waarbij accijnsaangifte moet worden gedaan en de daarmee

verband houdende accijnzen moeten worden afgedragen aan de Douane/Staat der Nederlanden.

Bij [Naam 2] zijn vermoedelijk en tenminste 21 zendingen sterk

alcoholische drank (accijnsgoederen) aangekomen en in het Douanesystem EMCS als

zodanig gemeld. De daaraan volgende en verplichte 21 (accijns) aangiften op grond van

de Wet op de accijns zijn daarop niet gevolgd en de daarmee verband houdende accijnsafdracht is nooit aan de Douane voldaan. Dit over een periode van september 2011

tot en met december 2011.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 26 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand van [Naam 2] werd slechts een

beperkte hoeveelheid losse bescheiden aangetroffen. Deze administratie omvat echter

NIET de handel in bier en sterke dranken zoals die volgens de meldingen in het EMCS in de periode van tenminste 31 augustus 2011 tot en met 23 april 2012 is “gedaan” door de drankenhandel [Naam 2] Ook later wordt er geen bedrijfsadministratie c.q. accijnsadministratie van [Naam 2] aangetroffen.

Het geschrift, zijnde een akte van oprichting door notaris mr. [Naam 21] , d.d. 11 september 2008, pagina 752 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Heden, elf september tweeduizend acht, verscheen voor mij, Mr. [Naam 21] , notaris te Waalwijk: de heer [Verdachte] ondernemer, wonende te [Straatnaam 1] , geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedag verdachte] negentienhonderd vier en zestig.

De comparant verklaarde over te gaan tot oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

In de statuten wordt verstaan onder de vennootschap: [Naam 2]

Het geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 26 augustus 2013, pagina 744 en 745 (DOC 002) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Handelsregisterhistorie:

[Naam 2] [Vestigingsadres naam 2]

- Oude bedrijfsomschrijving.

Bedrijfsomschrijving: Im- en export van bier, wijn en mixdranken, tevens opslag van bier en wijn vanuit een accijnsgoederenplaats

- Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers.

Enig aandeelhouder:

Naam: [Verdachte]

Adres: [Straatnaam 1]

Enig aandeelhouder sedert: 11-09-2008

Uit functie: 23-06-2011

- Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) onderneming.

Bevoegde functionaris(sen):

[Verdachte]

Infunctietreding: 12-07-2008

Uit functie: 11-09-2008

- Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers.

Bestuurder(s):

Naam: [Verdachte]

Infunctietreding: 11-09-2008

Titel: Algemeen directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

Uit functie: 01-12-2009

Naam: [Naam 3]

Infunctietreding: 01-12-2009

Titel: Directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

Uit functie: 25-10-2010

Naam: [Verdachte]

Infunctietreding: 25-10-2010

Titel: Directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

Uit functie: 23-06-2011

Het geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 5 augustus 2015, pagina 1008 en 1009 (DOC 017) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

[Naam 2]

Datum ontbinding: 31-08-2015

Enig aandeelhouder

Naam: [Naam 5]

Geboortedatum en -plaats: [Geboortedag naam 5] -1989, [Geboorteplaats en land naam 5]

Adres: [Adres naam 5]

Enig aandeelhouder sedert: 23-06-2011

Bestuurder

Naam: [Naam 5]

Datum in functie: 23-06-2011

Titel: Algemeen directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

Het geschrift, zijnde een vordering verstrekking gegevens van het Functioneel Parket ’s-Hertogenbosch aan de [Naam 22] d.d. 11 september 2013, pagina 120 en 121 (AH 009A) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Parketnummer: 02/996025-13 en 02/996026-13

Overwegende dat uit proces-verbaal blijkt dat redelijkerwijs moet worden vermoed dat rechtspersoon houder is van (een) voor inbeslagneming vatba(a)re voorwerp(en) en deze toegang heeft tot bepaalde opgeslagen en/of vastgelegde gegevens, te weten:

- Alle stukken/documenten inzake het openen van [Naam 22] [ Rekeningnummer 1] ;

- Alle stukken/documenten inzake wijzigen van [Naam 22] [ Rekeningnummer 1] ;

- Alle stukken/documenten inzake het verstrekken van bankpassen van [Naam 22]

[ Rekeningnummer 1] ;

- Alle stukken/documenten inzake machtigingen tot gebruik van [Naam 22] [ Rekeningnummer 1] ;

- Alle stukken/documenten inzake de (inmiddels mogelijke) opheffing van [Naam 22] [ Rekeningnummer 1] ;

- ( kopie afschriften) van de bankafschriften van de [Naam 22] [ Rekeningnummer 1] ten name van [Naam 2]

Indien het leveren van de originele documenten niet (meer) mogelijk is, dienen de prints van de originele gescande documenten te worden uitgeleverd.

Met betrekking tot de periode 01 januari 2011 tot en met 31 december 2012.

Beveelt, [Naam 22] alle voor het onderzoek relevante voorwerpen uit te leveren en alle voor dit onderzoek relevante gegevens te verstrekken aan de officier van justitie door tussenkomst van de Belastingdienst/FIOD, Kantoor Roosendaal.

Het geschrift, zijnde een formulier “ [Naam 22] , Actieformulier Aanvraag toegang internetdiensten” d.d. 5 augustus 2008, pagina 864 (DOC 009A) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Gegevens relatie

Naam: [Naam 2]

Adres: [Straatnaam 1]

Plaats: [Straatnaam 1]

Rekeningnummer: [ Rekeningnummer 1]

Ondertekening

Naam: [Verdachte]

Naam: [Naam 3]

Datum: 05-08-08

Het geschrift, zijnde een formulier van de [Naam 22] “Bevoegdheden wijzigen organisatie” d.d. 13 december 2010, pagina 865 en 866 (DOC 009A) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Naam organisatie: [Naam 2]

Rekeningnummer: [ Rekeningnummer 1]

Contactpersoon voor deze wijziging: [Verdachte]

Geboortedatum: 22-05-1964

Aanmelden nieuwe vertegenwoordiger: de heer [Naam 12]

Geboortedatum: [Geboortedag naam 12] -1991

Straat en huisnummer: [Straatnaam 1]

Plaats: [Straatnaam 1]

Aanmelden nieuw gemachtigde:

Gemachtigde: de heer [Verdachte]

Straat en huisnummer: [Straatnaam 1]

Plaats: [Straatnaam 1]

Bevoegdheid: betalingsopdrachten geven

Gemachtigd: Ja, alleen voor rekening [ Rekeningnummer 1]

Afmelden gemachtigde: [Naam 3]

Ondergetekende: [Verdachte]

Datum: 13-12-2010

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 34 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Er is geen enkel document vanwege de [Naam 22] verstrekt waaruit feitelijk te lezen is dat

[Naam 5] als gemachtigde op deze bankrekening is aangemeld door de daartoe

bevoegde(n), noch dat aan [Naam 5] op aanvraag een bankpas voor deze [Naam 22]

is afgegeven.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 27 en 28 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Uit het onderzoek van de FIOD in de later in Frankrijk in beslag genomen administratieve

bescheiden van de ondernemingen uit [Naam 1]

is te lezen dat deze ondernemingen (slechts schriftelijk) contact gehad hebben met [Naam 5] inzake de handel in alcoholische dranken met [Naam 2] Daarvan zijn met zijn naam ondertekende en deels handgeschreven e-mail berichten en andere documenten gevonden in de in beslag genomen administratie van die ondernemingen in Frankrijk.

Echter, deze correspondentie kan vrijwel onmogelijk door [Naam 5] gemaakt zijn

omdat hij de Nederlandse taal of enige andere “handels”taal niet machtig is.

(Opmerking verbalisanten: [Naam 5] is vrijwel ongeletterd en spreekt alleen de Roemeense taal)

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 35 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Tijdens de doorzoeking bij [Naam 2] werd een document gevonden (DOC 010A). Het betreft een kopie van een eerder aan de Douane verzonden bezwaarschrift tegen de intrekking van de vergunning “geregistreerd geadresseerde”. Dit document is handmatig ondertekend en voorzien van de naam [Naam 5] , in de functie van “ [Naam 2]

(Opmerking verbalisanten: Deze onder aan dit document geplaatste handmatige handtekening komt echter in het geheel niet overeen met die van de aangehouden verdachte [Naam 5] )

Dit document is gedateerd op 2 mei 2012 en, gezien de blokstempel, ontvangen bij de

Douane op 10 mei 2012.

Het geschrift, zijnde een bezwaarschrift intrekken vergunning, d.d. 2 mei 2012, d.d. 2 mei 2012, pagina 937 (DOC 010A) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

[Naam 2] , [Vestigingsadres naam 2]

Geachte heer [Naam 23] ,

Namens dit schrijven wil ik bezwaar maken op het feit dat u de vergunning geregistreerd

geadresseerde onder het nummer [Nummer vergunning] heeft ingetrokken. In uw schrijven

beargumenteerd u het gebruik van de vergunning zodoende als misbruik of een poging daartoe. Hierbij wil ik u er op attenderen dat de goederen die destijds gestuurd waren, eerder dan gepland zijn gearriveerd. Daarbij wil ik u erop duiden dat wegens veiligheidsredenen, we de goederen niet enkele dagen konden laten staan en zo de risico op enige schade of diefstal van de goederen te verkleinen de goederen afgemeld.

Met vriendelijke groet,

Afbeelding met handtekening

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [Naam 5] door verbalisanten [Naam 24] en [Naam 20] , d.d. 16 juli 2013, separaat gevoegd in rode kartonnen map (V2 001) (in nieuw digitaal dossier, pagina 335 t/m 338 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

We zijn met ons vieren naar de [Naam 33] in Waalwijk gereden, [Straatnaam 2] . Op dit adres stond ik enige tijd ingeschreven. Daarna zijn we naar dat grote huis in Waalwijk gereden. Ik werd naar het gebouw gebracht samen met de Turk en [Naam 10] , en de lange kale meneer en nog een oudere meneer. Ze hadden mij een verblijfadres beloofd, en werk. De lange kale man heeft mij helemaal niet aangesproken of begroet. Hij heeft wel samen met mij de papieren getekend, zijn naam moet dus in de papieren staan. [Naam 10] is met mij meegegaan omdat ik nog geen Nederlands sprak.

De eerste 500 euro heb ik gekregen van [Naam 10] . Dit vond plaats een aantal weken voordat wij naar het grote huis zijn gegaan. De tweede 500 euro heb ik ontvangen in de [Naam 33] nadat alle papieren getekend waren in het grote huis. De Turk heeft mij dit geld gegeven. Ik kreeg dit bedrag, denk ik, omdat ik gedaan heb wat ze mij gevraagd hebben te doen. Ik denk dat ze mij gebruikt hebben omdat ik geen opleiding heb genoten en toen de Nederlandse taal niet sprak en kon lezen.

Ik weet absoluut niet wat een vergunning Geregistreerd geadresseerde inhoudt. Ik heb geen brief of ander bericht van de Douane ontvangen dat de vergunning ingetrokken zou worden.

(verbalisanten: Wij tonen verdachte het bezwaarschrift van 2 mei 2012 op briefpapier van [Naam 2] ) Ik zie onderaan deze brief mijn naam staan. De handtekening op deze brief is zeker niet van mij. Ik heb deze brief ook nooit gezien.

Afbeelding met handtekening.

Het proces-verbaal van verhoor [Naam 10] (geboren te [Geboorteland naam 10] ) door de verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 20 augustus 2013, pagina 446 en 447 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik ben met die Turkse man [Naam 11] en met [Naam 5] en met nog een andere man, een Nederlandse man, een keer samen in Waalwijk geweest. Daar moest [Naam 5] papieren ondertekenen. Die Nederlandse man was kaal en had de naam [Verdachte] of [Verdachte] . Dat was ongeveer in 2011. Ik was daar in een huis, in Waalwijk. [Naam 5] zei niks tijdens dat bezoek. Het enige wat ik weet is dat [Naam 5] niet eens zijn eigen naam kan schrijven.

De man die aan de overkant van de tafel zat was een langere man in een mooi kostuum. Hij had allerlei papieren en die gaf hij aan [Naam 5] . Hij, die man, praatte met [Verdachte] en [Naam 11] . We zijn vanaf dat huis in Waalwijk naar het café van [Naam 11] gegaan. Daar kreeg [Naam 5] geld. Ik kan mij herinneren dat ik geld aan [Naam 5] heb gegeven in het café. [Verdachte] gaf geld aan [Naam 11] , [Naam 11] gaf het door aan mij en ik gaf het weer aan [Naam 5] .

Het proces-verbaal van verhoor [Naam 11] (geboren te [Geboorteland naam 11] ) door de verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] d.d. 3 september 2013, pagina 452 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik ken een Roemeen die tijdelijk heeft gewoond in een appartement boven de [Naam 33] van mijn zoon op het adres [Straatnaam 2] Ik werd zo ongeveer in juni 2011, en als u zegt dat dit de 21e was dan zal dat wel kloppen denk ik, gebeld door een goede kennis van mij: [Verdachte] Die [Verdachte] vroeg mij of ik die Roemeense man, die bij mijn zoon boven de [Naam 33] woonde, even naar de [Straatnaam 3] in Waalwijk wilde brengen. Daar zou hij hebben afgesproken bij de daar zaakdoende notaris.

Ik zag dat [Verdachte] samen met die Roemeense man aan de tafel bij die notaris ging zitten. [Verdachte] ondertekende documenten, dan die Roemeen en natuurlijk die notaris ook.

Ik denk niet dat die Roemeen begreep wat die notaris voorlas.

Wat die Roemeen nu precies deed hier in Nederland weet ik niet. Hij was regelmatig weg en had zelf geen auto.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 13] door verbalisanten [Naam 20] en [Naam 25] , d.d. 16 april 2013, pagina 410 (G1 001) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik heb contact gekregen met [Verdachte] en ene [Naam 3] via mijn makelaar. Ik had

een bedrijfsruimte aan de [Vestigingsadres naam 2] te huur en [Verdachte] was daarin geïnteresseerd. [Verdachte] en deze [Naam 3] wilden huren namens [Naam 2]

Er is een huurcontract opgemaakt op 10 oktober 2008. De huur is afgesproken voor een periode van 5 jaar. Op 9 september 2011 hoorde mijn zoon van [Verdachte] dat er een nieuwe eigenaar was voor [Naam 2] Ene [Naam 5] . Ik heb deze [Naam 5] nooit gezien of gesproken

Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte] door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 23 juni 2015, pagina 436, 437, 440 (G4 002) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Nu u mij er nogmaals om vraagt of ik die Kanalis ken kan ik u vertellen dat ik die persoon helemaal niet ken of ooit gezien of gehoord hebt.

Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte] door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 26] , d.d. 1 juli 2015, pagina 344, 347 t/m 349 (V3 001) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Dat was ongeveer in 2009 dat ik in contact gekomen met [Verdachte] Hij vroeg mij om voor hem te komen werken. Ik moest dan elke dag op en neer naar Engeland vliegen. Na de eerste werkzaamheden ben ik na zeven maanden naar Calais verhuisd in opdracht van [Verdachte] Ik heb daar geleerd om vrachtdocumenten op te stellen voor de leveringen van bier. De biertransporten hebben geduurd van ongeveer juli 2009 tot en met nu.

Ik kreeg voor mijn werk van [Verdachte] mijn salaris in contant betaald, allemaal in het zwart. Ongeveer 2 maanden geleden, dit jaar 2015, ben ik gestopt met werken voor [Verdachte]

(Mededeling verbalisanten: Wij hebben eerder aan u medegedeeld dat er vanaf september tot en met december 2011 een hoeveelheid groot 21 vrachten alcoholische dranken (voornamelijk zogenaamde sterk alcoholische dranken) van diverse soorten en merken is aangemeld bij de Nederlandse Douane als zijnde ontvangen door [Naam 2] . Vraag verbalisanten: Wat kunt u ons over die vrachten met alcoholhoudende dranken verklaren?) [Naam 1] bracht dus bij [Naam 2] Glans wodka in rode dozen en whisky van het merk “High Commisioner”. Die ladingen kwamen fysiek in Waalwijk aan en ik loste die dan. [Naam 12] , de zoon van [Verdachte] heeft me geleerd hoe ik moest accepteren in het Douanesysteem. De ladingen werden dan door de daadwerkelijke eigenaren vanaf [Naam 2] weer kort nadien opgehaald. Ik laadde die ladingen dan weer in een vrachtauto. Ik werd dan gebeld door [Verdachte] . Hoe laat de auto van [Naam 1] aankwam. Ik loste die dan. [Verdachte] liet mij dan horen wanneer de volgende chauffeur aankwam om de lading weer op te halen. Ik kreeg dan het telefoonnummer van de chauffeur die moest komen laden. Die dranken werden dan naar [Naam 27] gebracht.

(Verbalisanten: Wij tonen u de vervoersbescheiden van [Naam 1] met de daarbij behorende bescheiden) Deze documenten heb ik afgetekend voor ontvangst bij [Naam 2] . Wij hebben als tussenstation bij [Naam 2] geacteerd. Wij ontvingen dus de drank en hebben dat aan de Nederlandse Douane doorgegeven. Afgerekend werd er dus niet door [Naam 2]

[Verdachte] had dagelijks contact met [Naam 1]

(Vraag verbalisanten: in wiens opdracht ontving u die goederen / alcoholische dranken namens [Naam 2] ) Ik kreeg de opdracht van [Verdachte]

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 9] door verbalisanten [Naam 28] en [Naam 29] , d.d. 15 mei 2014, pagina 679 t/m 681 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik ben zaakvoerder van het transportbedrijf [Naam 1] sinds de jaren 1990/2000. Het bedrijf is erkend entrepothouder geworden. Door deze activiteit kunnen wij accijnsgoederen onder schorsing van rechten ontvangen en opslaan en later onder schorsing van rechten of betaalde rechten doorzenden. Over het algemeen voeren wij zelf het transport uit bij de verzending van de goederen met schorsing van rechten.

(Vraag verbalisanten: Heeft u accijnsgoederen getransporteerd van dranken in de periode van 31 augustus 2011 tot 23 april 2012 bestemd voor het bedrijf [Naam 2] ) Ik denk ongeveer 20. We kunnen deze transporten terugvinden.

(Vraag verbalisanten: kunt u er zeker van zijn dat de goederen inderdaad bij [Naam 2] zijn aangekomen?) De chauffeur krijgt aanwijzingen om zich ervan te verzekeren dat de goederen inderdaad op de bestemming aankomen. Tijdens het uitladen moeten zij erbij blijven. Dit zijn algemene aanwijzingen, van dit bedrijf [Naam 2] hebben we nooit iets negatiefs terug gehoord, geen enkel incident.

(Vraag verbalisanten: zijn deze producten daadwerkelijk geleverd bij en ontvangen door [Naam 2] ? ) Ja, dat is zeker, ik kan u dit laten zien met de CMR's.

Het proces-verbaal van verhoor van [Verdachte] door verbalisanten [Naam 20] en [Naam 30] , d.d. 2 februari 2016, pagina 406 (V4 004) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Wij konden geen accijnsgoederen inslaan zonder dat de accijns vooraf was betaald. Ik weet dat er een aangifte moet komen na een melding in EMCS. Ik weet dat er na de afmelding aangifte gedaan moet worden. Wij mochten in Waalwijk alleen goederen hebben waarop de accijns was voldaan, wij hadden geen AGP.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 3] door verbalisanten [Naam 20] en [Naam 19] , d.d. 23 december 2015, pagina 423 en 424 (G3 002) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik heb wel eens met een bedrijf samengewerkt om opdrachten bier te rijden naar een plaats in Duitsland. De opdracht om dit allemaal te doen werd gegeven door [Verdachte] was de baas en [Verdachte] zorgde ook voor het geld. Dat geld was altijd in contant.

[Medeverdachte] verleende hand en spandiensten aan [Verdachte] Als ik de relatie tussen [Verdachte] en [Medeverdachte] moet beschrijven dan kan ik zeggen een baas en werknemer relatie. [Medeverdachte] en ik hebben samen niet beseft in wat voor situatie we terecht gekomen waren.

U vraagt mij naar [Naam 1] . Ik heb die naam wel voorbij zien komen.

[Medeverdachte] is door [Verdachte] totaal misbruikt.

Zelf kreeg ik buiten mijn salaris ook met enige regelmaat contant geld van [Verdachte] toegestopt. Dat was wel duizend euro per maand.

[Naam 2] zat in de accijnsfraude en toen ik zag dat dat helemaal verkeerd ging ben ik samen met [Naam 4] gestopt met werken daar. Ik wil niet opdraaien voor de misdaad van [Verdachte]

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] door verbalisanten [Naam 20] en [Naam 19] , d.d. 11 januari 2016, pagina 459 (G7 002) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

U noemde mij de naam [Medeverdachte] . Dat was een man die soms bij [Verdachte] was en die voor die [Verdachte] werkte. De daadwerkelijke functie van [Verdachte] was dat hij de daadwerkelijke leiding had in de drankenhandel [Naam 2] . [Naam 3] was benoemd tot directeur en hij deed de administratieve zaken die nodig waren binnen het bedrijf. Hij hield ook de contacten met de Douane.

Als u mij vraagt wie bij [Naam 2] daadwerkelijk de lakens uitdeelde dan kan ik maar één

persoon noemen en dat is dus [Verdachte] .

Het proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 12] (geboren in 1991) door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 25 februari 2016, pagina 482, 483 en 486 (G12 001) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

(Opmerking verbalisanten: volgens een verklaring van uw vader bent u van januari 2011 tot en met mei 2011 in loondienst geweest bij [Naam 2] Dat zou goed kunnen. Ik verrichtte toen in die tijd ook wel werkzaamheden die verband hielden met de facturering. Daarvoor waren het [Naam 3] en [Naam 4] maar die waren inmiddels uit het bedrijf vertrokken.

Ik ken het EMCS systeem.

Ik heb ook wel enige betalingen met het pasje verricht. Ik denk dat het inderdaad zo is dat er een bankpas met toegangscode op mijn naam is afgegeven.

(Opmerking verbalisanten: Wij tonen gehoorde een aantal dagafschriften van de [Naam 22] ten name van [Naam 2] welke betrekking hebben op transacties na 23 juni 2011, datum overdacht aandelen [Naam 2] . Uw vader heeft verklaard dat hij dit niet gedaan heeft. De enige overige die dit heeft kunnen doen bent u omdat u over de bankpas beschikte en gemachtigd was) Het zou kunnen dat ik de betalingen kort na de overdracht nog heb gedaan.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 12 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Na informatie in de Belastingdienstadministratie en bij de RDW op 15 oktober 2015 is te

zien dat:

- [Naam 5] over een [Naam 22] beschikt, [Rekeningnummer 2] .

- het tegoed op deze rekening negatief is in 2012 en 2013.

- [Naam 5] geen bekende uitkering heeft, hoe ook genaamd.

- op naam van [Naam 5] zijn geen voertuigen geregistreerd bij de Rijksdienst

voor het Wegverkeer.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 59 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

DOC-022: In deze inbeslaggenomen documenten is te zien en te lezen dat er administratieve bescheiden waren bij de onderneming [Naam 1] waarin het volgende te lezen is:

- er is een hoeveelheid, groot 21 stuks, transporten met sterk alcoholische drank van Frankrijk naar [Naam 2] in Nederland gegaan;

- hiervan zijn CMR’s, leveringsbonnen, facturen en documenten met plaatsbepalingen van vrachtauto' s van [Naam 1] aangetroffen en in beslag genomen bij [Naam 1]

- op de 21 CMR’s is voor ontvangst getekend en gestempeld door [Naam 2]

Het geschrift, zijnde een lijst “Detail des sorties” van [Naam 1] , pagina 1066 en 1067 (DOC 022) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Afbeelding lijst

Afbeelding lijst.

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 58 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

DOC 11/11A: De Franse Douane heeft aangegeven dat door de Franse transportonderneming “ [Naam 1] , een aantal transporten met sterk alcoholische drank zijn overgebracht naar [Naam 2] . Hiervan zijn printlijsten bijgevoegd vanuit het Douanesysteem EMCS waarin dit te lezen is.

Het geschrift, zijnde document 11A “receptions [Naam 2] , pagina 535 en 536 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk

weergegeven-:

Afbeelding lijst.

Afbeelding lijst.

Het proces-verbaal aanvulling door verbalisant [Naam 31] d.d. 9 november 2015, pagina 1759 (DOC 026) van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Op 9 november 2015 werd mij vanwege de Fiod Roosendaal een map ter hand gesteld onder meer inhoudende 21 e-AD’s (voorheen AGD' s) welke als basis diende voor het vaststellen van de verschuldigde heffingen (accijns). Het betrof hier zendingen “overige alcoholhoudende producten” welke door de firma [Naam 2] [Vestigingsadres naam 2] onder schorsing waren ontvangen onder de haar verstrekte vergunning “Geregistreerd Geadresseerde”. Het betreft de navolgende 21 EAD’s:

Afbeelding lijst.

Het verschuldigde bedrag aan accijnzen werd nooit afgedragen (betaald).

De geschriften, zijnde EMCS-documenten en CMR’s, pagina 1129 t/m 1204 (DOC 22) van voornoemd eindproces-verbaal, bijgevoegd als bijlage II.A, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Telkens als expediteur en transporteur: [Naam 1]

als destinataire: [Naam 2]

Het overzichtsproces-verbaal door verbalisanten [Naam 19] en [Naam 20] , d.d. 18 april 2016, pagina 72 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Bij de documenten DOC 022 zijn ook de GPS-kaarten gevoegd van de bedoelde transporten die los van inmenging van de chauffeur elektronisch via GPS worden bijgehouden. Daarop is door ons, verbalisanten, gezien dat de vrachtwagens inderdaad aangekomen zijn op of zeer nabij het adres van [Naam 2]

De geschriften, zijnde GPS-kaarten, pagina 1237, 1239, 1241, 1243, 1245, 1247, 1249, 1251, 1253, 1255, 1257, 1259, 1261, 1263, 1265, 1267, 1269, 1271, 1273, 1275, 1277 (DOC 22) van voornoemd eindproces-verbaal, bijgevoegd als bijlage II.B.

Afbeelding lijst.

1 ECLI:NL:GHSHE:2018:1054

2 ECLI:NL:HR:2016:733

3 o.a. ECLI:NL:HR:2020:399

4 o.a. ECLI:NL:HR:1986:AC9607