Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5148

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
BRE 19/6313
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verhuurt haar woning voor één jaar en verblijft zelf in een huurwoning. In geschil is of de woning voor belanghebbende tijdens de verhuurperiode kwalificeert als eigen woning. Een eigen woning dient aan belanghebbende anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan. Het tijdelijk ter beschikking stellen aan derden van een woning ontneemt daaraan niet het karakter van hoofdverblijf. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de woning in de verhuurde periode een eigen woning is. Aan de woning is tijdens de verhuur het karakter van hoofdverblijf ontnomen. Daarmee is geen sprake van een eigen woning voor de verhuurde periode.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-12-2020
V-N Vandaag 2020/3079
FutD 2020-3865 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/321 met annotatie van mr. H.A. Elbert
V-N 2021/8.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/6313

uitspraak van 22 oktober 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats 1] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 12 november 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2018 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag), aanslagnummer [aanslagnummer] H.86.01, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.463 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.523.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [gemachtigde] en namens de inspecteur, de heer [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.353 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 992;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 91,85;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 47 aan haar vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van een appartement te [woonplaats 1] (hierna: de woning). Belanghebbende heeft de woning gekocht van [stichting] (hierna: verkoper) onder het “Slimmer Kopen” concept. Dit concept houdt onder meer in dat de koper op de aankoopprijs een korting krijgt die in het geval van belanghebbende 25% bedraagt. Deze korting dient de koper bij een eventuele toekomstige verkoop weer af te dragen aan verkoper. Bovendien komt van de toekomstige waardeontwikkeling 37,5% toe aan verkoper. Daarnaast geldt er een zelfbewoningsplicht. De koper mag uitsluitend de woning verhuren of anderszins in gebruik afstaan indien verkoper hiermee instemt. Hiervoor geldt in beginsel een maximale verhuurperiode van één jaar.

2.2.

Belanghebbende heeft de woning met toestemming van verkoper verhuurd in de periode december 2017 tot december 2018. In deze periode heeft belanghebbende zelf een woning in [woonplaats 2] gehuurd. De voor de aangifte IB/PVV 2018 relevante WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2017 bedraagt € 166.000 (hierna: de WOZ-waarde).

2.3.

Belanghebbende heeft in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 de woning zowel als bestanddeel van het inkomen uit werk en woning (hierna: box 1) als onderdeel van de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen (hierna: box 3) aangegeven. Als inkomsten uit eigen woning heeft belanghebbende in 2018 het saldo opgegeven van het eigenwoningforfait berekend over de WOZ-waarde, de betaalde hypotheekrente over een maand en huurinkomsten als inkomsten uit tijdelijke verhuur aangegeven voor een bedrag van € 5.110. De definitieve aanslag is opgelegd conform de aangifte.

2.4.

Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen. De inspecteur wijst het bezwaar af en handhaaft de aanslag.

2.5.

In geschil is de vraag of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil de vraag of de woning kwalificeert als bestanddeel van box 1 of box 3, alsmede het in aanmerking te nemen eigenwoningforfait indien de woning een box 1-bestanddeel is. Niet in geschil is dat vóór aanvang van de verhuur sprake is van een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) (hierna: eigen woning). Niet langer in geschil is dat, indien de woning moet worden opgenomen in box 3, gelet op de Slimmer Kopen-bepalingen, de woning in aanmerking moet worden genomen voor 75% van de WOZ-waarde en de met de woning corresponderende schuld, anders dan in de aangifte vermeld, € 65.473 bedraagt.

2.6.

De inspecteur stelt dat sprake is van een eigen woning. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Belanghebbende verbleef, in verband met haar studie, slechts tijdelijk elders en had kennelijk de bedoeling na haar studie weer in de woning te gaan wonen. Vanwege de zelfbewoningsplicht mocht belanghebbende de woning bovendien slechts tijdelijk verhuren. De woning dient volgens de inspecteur dan ook te worden aangemerkt als een box 1-bestanddeel. Belanghebbende betwist dat de verhuur van de woning slechts tijdelijk was. Belanghebbende heeft vanwege werk en studie een huurappartement in [woonplaats 2] betrokken, waar ze grotendeels verbleef. Belanghebbende wilde de woning graag langer dan één jaar verhuren, maar verkoper heeft haar hiervoor geen toestemming verleend. Ook na die periode woont belanghebbende maar een klein gedeelte van het jaar in de woning. De woning moet daarom volgens belanghebbende in 2018 als box 3-bezitting in aanmerking worden genomen.

2.7.

Een eigen woning dient aan belanghebbende anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan1. De rechtbank zal derhalve moeten beoordelen of de eigen woning tijdens de periode van verhuur als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan. Het gaat daarbij kortgezegd om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt2. Het tijdelijk ter beschikking stellen aan derden van een woning, ontneemt daaraan niet het karakter van hoofdverblijf3. Tussen partijen is niet in geschil dat op de inspecteur de bewijslast rust dat de woning gedurende de verhuurde periode nog kwalificeerde als eigen woning, aangezien de toerekening van de woning aan box 1 in dit geval tot een inkomensverhoging leidt.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat de woning in de verhuurde periode een eigen woning is. De stelling van de inspecteur dat het hoofdverblijf van belanghebbende tijdens de verhuur in [woonplaats 1] is geweest, slaagt niet. Belanghebbende heeft gemotiveerd weersproken dat haar hoofdverblijf tijdens de verhuurperiode in [woonplaats 1] lag. In dat verband heeft zij aangevoerd dat haar hoofdverblijf zich in [woonplaats 2] bevond omdat zij daar woonde in een gehuurd appartement, zij in die omgeving werkte en zij niet in [woonplaats 1] is geweest tijdens de verhuurperiode. Tegenover de gemotiveerde betwisting van belanghebbende heeft de inspecteur geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat belanghebbende in de woning [woonplaats 1] haar centrale levensplaats en daarmee haar hoofdverblijf had. Het enkele feit dat zij eigenaar is van de woning en er op grond van de afspraken met de verkoper verhuurbeperkingen van kracht zijn, is daarvoor niet voldoende. Naar het oordeel van de rechtbank is aan de woning in [woonplaats 1] tijdens de verhuur het karakter van hoofdverblijf ontnomen4. Daarmee is geen sprake van een eigen woning voor de verhuurde periode.

2.9.

Op grond van het vorenstaande dient het in de aanslag opgenomen inkomen uit werk en woning (€ 39.463) te worden verminderd met de door belanghebbende aangegeven huurinkomsten uit tijdelijke verhuur (€ 5.110) tot € 34.353. De rechtbank stelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt vast op € 992:

Spaarsaldi

€ 17.182

Woning (75% van € 166.000)

€ 124.500

Saldo bezittingen

€ 141.682

Schuld

€ -65.473

Drempel

€ 3.000

€ -62.473

Rendementsgrondslag

€ 79.209

Heffingsvrij vermogen

€ -30.000

Grondslag voordeel uit sparen en beleggen

€ 49.209

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

€ 992

2.10.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten, te weten reis- en verblijfskosten, zijn op de voet van het Besluit proceskosten vastgesteld op € 91,85.

Deze uitspraak is gedaan op 22 oktober 2020 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 3.111, eerste lid van de Wet IB.

2 Vergelijk Gerechtshof Amsterdam, 17 mei 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1972, r.o. 5.3.

3 Artikel 3.111, zevende lid van de Wet IB.

4 Vergelijk Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 7 april 2005, ECLI:NL:GHSHE:2005:AT4364, r.o. 4.6.