Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5044

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19_5482
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:437, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning ten behoeve van realisatie van een zonnepark in de gemeente Drimmelen.

Deze zaak maakt onderdeel uit van een cluster van vijf zaken, waarin het college in één zaak een omgevingsvergunning heeft verleend en in vier zaken de omgevingsvergunning heeft geweigerd.

De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en draagt het college op opnieuw te beslissen op de aanvragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5482 CHWA

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2020 in de zaak tussen

1. [eiseressen sub 1]

te Maastricht,

en

2. [eiseres sub2]

te Made,

samen te noemen: eiseressen,

gemachtigde: mr. W.P.N. Remie,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

[naam B.V. vergunninghouder] en [naam vergunninghouder], te Nijmegen,

vergunninghouder,

gemachtigde: mr. Y. Demirci.

Procesverloop

In het besluit van 10 september 2019 (bestreden besluit) heeft het college aan [naam B.V. vergunninghouder]

een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van [projectnaam]

” in Terheijden voor de duur van 25 jaar.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met betrekking tot een deel van de stukken die het college in deze procedure heeft overgelegd heeft het college medegedeeld dat enkel de rechtbank kennis mag nemen van deze stukken. In de beslissing van 29 januari 2020 heeft de rechtbank dat verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedeeltelijk toegewezen en bepaald dat de beperking van de kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd is. Op

25 februari 2020 hebben eiseressen de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen mede op grondslag van deze stukken. Vergunninghouder heeft op 6 maart 2020 toestemming verleend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 7 september 2020. Hierbij waren namens eiseressen sub 1 aanwezig mr. A.A.M. van Beek en ir. R. Kamsteeg, samen met de gemachtigde. Voor eiseres sub 2 is [aanwezige eiseres sub2] , samen met de gemachtigde. Voor het college is verschenen [vertegenwoordiger college] , samen met de gemachtigde en

mr. E.P. Euverman, kantoorgenoot van gemachtigde. Tot slot is [naam vergunninghouder] verschenen, tevens in hoedanigheid van bestuurder van [naam B.V. vergunninghouder] , samen met de gemachtigde.

Overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

Op 15 oktober 2018 heeft [naam B.V.] bij het college een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de duur van 25 jaar voor een project genaamd [projectnaam] . Het project bestaat uit de realisatie van een zonnepark van in totaal circa 15 hectare, op een locatie ten zuidoosten van Terheijden, op de percelen kadastraal bekend [perceel nummers]. Het zonnepark bestaat uit een veldopstelling van zonnepanelen en bijbehorende werken met een oppervlakte van circa 9,5 hectare, groenvoorzieningen, watergangen en wandelpaden. Daarnaast houdt een deel van het park de agrarische functie. De aanvraag ziet onder meer op de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Het college heeft op 6 februari 2019 in weekblad ’t Carillon en op 7 februari 2019 in de Staatscourant kenbaar gemaakt voornemens te zijn de omgevingsvergunning te verlenen. Het ontwerpbesluit met de ruimtelijke onderbouwing en de overige, bijbehorende stukken zijn gedurende zes weken ter inzage gelegd.

Onder meer eiseressen hebben in reactie op dit voornemen bij brieven van 21 maart 2019,

8 april 2019, 17 mei 2019, 14 augustus 2019 hun zienswijze naar voren gebracht. Eiseressen hebben zelf ook aanvragen ingediend bij het college om binnen de gemeente Drimmelen zonneparken te kunnen realiseren. Het college was ten tijde van het indienen van de zienswijzen voornemens de aanvragen van eiseressen af te wijzen.

Op 23 augustus 2019 heeft [naam B.V.] het college verzocht de aanvraag over te schrijven naar [naam B.V. vergunninghouder]

Bij het bestreden besluit heeft het college aan [naam B.V. vergunninghouder] een omgevingsvergunning met een instandhoudingstermijn van 25 jaar verleend voor de realisatie van het zonnepark.

2 Bevoegdheid van de rechtbank: termijnoverschrijding CHW

De Crisis- en Herstelwet (CHW) is van toepassing op deze beroepsprocedure. Dat betekent dat de bestuursrechter op grond van artikel 1.6, vierde lid, van de CHW binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak dient te doen. Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 16 april 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Als gevolg daarvan is de termijn van zes maanden inmiddels verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het verstrijken van deze termijn niet met zich dat de rechtbank niet langer bevoegd zou zijn om een uitspraak te doen op dit beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1989). Nu daarvoor ook overigens geen beletselen aanwezig zijn, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van dit beroep en daarop uitspraak te doen.

3 Beroep ontvankelijk: eiseressen belanghebbende?

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseressen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. Zijn zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dan is hun beroep niet-ontvankelijk.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

3.1

Eiseressen sub 1 hebben gesteld dat zij belanghebbende zijn bij het bestreden besluit, omdat hun concurrentiebelang geacht moet worden rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken te zijn. Eiseressen sub 1 willen zelf ook zonneparken gaan exploiteren in de gemeente Drimmelen en hebben daarvoor een aantal aanvragen voor omgevingsvergunningen ingediend. Deze aanvragen zijn inmiddels geweigerd.

Belanghebbende bij een besluit is onder meer degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit.

Om als concurrent als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt is het noodzakelijk dat de concurrent activiteiten ontplooit binnen hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied. Anders dan het college heeft gesteld, richten eiseressen sub 1 zich naar het oordeel van de rechtbank op hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Zowel [naam B.V. vergunninghouder] als eiseressen richten zich op exploitatie van zonneparken, (onder meer) op het grondgebied van de gemeente Drimmelen. Dat in geval van [naam B.V. vergunninghouder] de inkomsten uit het park wel ten goede zouden komen aan de lokale bevolking en in het geval van de zonneparken van eiseressen sub 1 niet, doet daar niets aan af.

Het college heeft aangevoerd dat de plannen van eiseressen sub 1 om zonneparken te gaan exploiteren onvoldoende concreet zijn om aan te nemen dat sprake is van een voldoende objectief bepaalbaar en actueel belang dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Hun vergunningaanvragen zijn geweigerd en de gemeenteraad is ook niet bereid om mee te werken aan vergunningverlening. Vernietiging van de aan [naam B.V. vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning heeft dan ook geen concreet effect op de bedrijfsvoering van eiseressen sub 1, aldus het college.

De rechtbank overweegt dat het enkele voornemen om mogelijk in de toekomst binnen hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied een project uit te voeren onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een voldoende objectief bepaalbaar en actueel belang dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. In het geval van eiseressen sub 1 is er naar het oordeel van de rechtbank echter sprake van méér dan een enkel voornemen. Eiseressen sub 1 hebben concrete aanvragen, voorzien van ruimtelijke onderbouwingen, gedaan voor een omgevingsvergunning om zelf een zonnepark te kunnen exploiteren in de gemeente. Het college heeft de aanvragen in behandeling genomen en daarop ook besloten. Dat het besluit van het college een weigering behelsde betekent niet dat het voornemen van eiseressen sub 1 om zelf zonneparken te gaan exploiteren daarmee onvoldoende concreet zou zijn.

De rechtbank volgt het college ook niet in de stelling dat vergunningverlening aan [naam B.V. vergunninghouder] eiseressen sub 1 niet zou aantasten in hun concurrentiepositie. Ten tijde van de besluiten op de aanvragen van eiseressen sub 1 gold een beleidskader dat zakelijk weergegeven inhield dat in de periode tot 1 januari 2021 werd uitgegaan van maximaal 10 hectare aan zonnevelden in de gemeente Drimmelen. Blijkens de besluiten op die aanvragen is dat beleid ook als uitgangspunt genomen bij de beoordeling. Uit het beleid kan worden afgeleid dat vergunningverlening aan een derde, zoals [naam B.V. vergunninghouder] van invloed is op de mogelijkheden voor vergunningverlening aan eiseressen sub 1. Dat volgens het college alle aanvragen op hun eigen merites zijn beoordeeld en dat de weigeringen niet zijn gebaseerd op overschrijding van de maximale oppervlakte, doet aan dat beleidsuitgangspunt niets af.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat eiseressen sub 1 als belanghebbende bij het bestreden besluit moeten worden aangemerkt.

3.2

Eiseres sub 2 is eigenaresse van de gronden nabij de [adres] te [plaatsnaam] . Eiseressen sub 1 hebben bij het college een aanvraag gedaan om op die gronden een zonnepark te kunnen gaan exploiteren.

Tussen partijen is niet in geschil dat ter plaatse van de gronden van eiseres sub 2 niet rechtstreeks feitelijke gevolgen worden ondervonden van de realisatie van [projectnaam] . Ook de rechtbank gaat daarvan uit. Ten aanzien van eiseres sub 2 is er evenmin sprake van een concurrentiebelang dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit. Eiseres sub 2 zelf richt zich immers niet op de exploitatie van een zonnepark. Zij is als grondeigenaar uitsluitend via een contractuele relatie met eiseressen sub 1 betrokken bij de exploitatie van een zonnepark. Dat maakt dat eiseres sub 2 uitsluitend een afgeleid belang heeft en dat zij niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal het beroep van eiseres sub 2 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

4 Bevoegdheid van het college: verklaring van geen bedenkingen

4.1

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend wordt dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Het derde lid bepaalt dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

4.2

Bij besluit van 13 september 2018 heeft de gemeenteraad besloten:

“voor initiatieven die passen binnen het Beleidskader ’Grootschalige zonnevelden’ met datum 4 september 2018 een algemene verklaring van geen bedenkingen af te geven. Indien het college twijfelt aan de ruimtelijke of maatschappelijke wenselijkheid van een initiatief consulteert zij altijd actief de raad.”

Tussen partijen staat vast dat de gemeenteraad met deze algemene verklaring van geen bedenkingen heeft beoogd categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring niet vereist is, zoals omschreven in artikel 6.5, derde lid, van het Bor. Volgens het college is op grond van deze algemene verklaring van geen bedenkingen geen verklaring van geen bedenkingen vereist voor vergunningverlening voor [projectnaam] .

Eiseressen sub 1 hebben aangevoerd dat de algemene verklaring van geen bedenkingen ten onrechte niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb heeft doorlopen en daarom nietig is.

Het college heeft gesteld dat het relativiteitsbeginsel van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de vernietiging van het bestreden besluit op deze grond. De verklaring van geen bedenkingen strekt tot bescherming van de goede ruimtelijke ordening en die norm strekt niet tot bescherming van concurrentiebelangen.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

Het aanwijzen van categorieën in de zin van artikel 6.5, derde lid, van het Bor, moet worden onderscheiden van het raadsbesluit tot het verlenen of weigeren van een verklaring van geen bedenkingen. Waar het raadsbesluit over de verklaring van geen bedenkingen strekt tot bescherming van de goede ruimtelijke ordening, raakt het aanwijzen van categorieën van gevallen aan de vraag of het college bevoegd was zonder een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad te vragen een omgevingsvergunning aan [naam B.V. vergunninghouder] te verlenen. Of het college bevoegd was strekt naar het oordeel van de rechtbank ook tot bescherming van het belang van eiseressen sub 1.

Het besluit tot aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist vormt een algemeen verbindend voorschrift (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1987). Het raadsbesluit wijkt in zoverre af van het besluit tot het weigeren of verlenen van een verklaring van geen bedenkingen, waarvan bij de voorbereiding de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen. Het besluit tot het aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, hoeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure dus niet te doorlopen. Het raadsbesluit van 13 september 2018 is dan ook om deze reden niet nietig.

4.3

Omdat de aanwijzing van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is aan de bevoegdheid van het college raakt, dient de rechtbank de aanwijzing niet alleen op basis van de beroepsgronden van eiseressen sub 1, maar ook uit eigen beweging te beoordelen.

Artikel 6.5, derde lid, van het Bor bevat geen vereisten voor de aanwijzing en houdt evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing. Dat betekent evenwel niet dat die categorieën ook op een zodanige wijze mogen worden geformuleerd dat aan de aanwijzing geen of nauwelijks nog onderscheidende betekenis meer valt toe te kennen. Een dergelijke aanwijzing voldoet niet aan de daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen en maakt bovendien de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel zinledig (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1655). Daarnaast geldt dat de bevoegdheid tot het bij wijze van uitzondering aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is naar zijn aard niet kan worden gebruikt om de hoofdregel van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, geheel te omzeilen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3207).

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de aanwijzing in het raadsbesluit van

13 september 2018 niet aan de daaraan uit het oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen. Anders dan in de door het college genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3791), zijn in het Beleidskader “Grootschalige Zonnevelden” van 4 september 2018 geen specifieke projecten genoemd. Beantwoording van de vraag of een project binnen dat beleidskader past, vergt dus een inhoudelijke beoordeling. Het beleidskader bevat zowel leidende principes als algemene uitgangspunten waarmee rekening wordt gehouden bij het beoordelen van initiatieven. Daarnaast bevat het beleidskader gezichtspunten voor de afweging van locaties. Dit maakt dat beantwoording van de vraag of een plan aan de leidende principes en gezichtspunten voldoet, niet zwart-wit is, maar, zoals het college ter zitting ook heeft bevestigd, een afweging vergt. Het criterium inhoudende dat de aanwijzing geldt voor initiatieven die passen in het beleidskader is als gevolg daarvan dan ook onvoldoende onderscheidend.

Daar komt bij dat volgens de aanwijzing van 13 september 2018 niet de raad, maar het college zelfstandig beoordeelt of het initiatief in het beleidskader past. Zoals ter zitting is toegelicht is het ook het college dat bepaalt of er daarover twijfel is. Pas wanneer daarover volgens het college twijfel mogelijk is, legt het college het initiatief ter consultatie voor aan de raad. Deze handelwijze betekent dat in de praktijk het college de reikwijdte van de aanwijzing bepaalt. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenteraad en het college die is beoogd met het instrument van de verklaring van geen bedenkingen en (in het verlengde daarvan) het bij wijze van uitzondering aanwijzen van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is. Met het instrument van de verklaring van geen bedenkingen is immers beoogd om enkel de raad te laten beslissen over een aspect van de vergunning dat aan de beoordeling door het college is onttrokken. Gelet daarop is het ook aan de raad om de reikwijdte te bepalen van de categorieën van gevallen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Door dat over te laten aan het college wordt de hoofdregel dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is, omzeild.

4.4

De aanwijzing van categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen vereist is, is dan ook onverbindend. Als gevolg daarvan was op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Bor een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

4.5

Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Het college heeft de rechtbank verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat aannemelijk is dat indien aan de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen was gevraagd en deze verklaring in ontwerp voor zienswijzen ter inzage zou zijn gelegd, dit ertoe zou hebben geleid dat de verklaring van geen bedenkingen zou zijn verleend. Het college heeft er daarbij op gewezen dat de gemeenteraad blijkens zijn besluit van 27 juni 2019 kennis heeft genomen van de ontwerpvergunning voor [projectnaam] , de ingekomen zienswijzen en de reactie van het college daarop. Volgens de raad is er bij [projectnaam] sprake van een ruimtelijk en maatschappelijk wenselijk initiatief en bestaan er geen bedenkingen tegen het [projectnaam]

De rechtbank ziet ondanks het raadsbesluit van 27 juni 2019 geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, en overweegt daartoe als volgt.

5 Beleidskader grootschalige zonnevelden: oud en nieuw

Op 13 september 2018 is het “Beleidskader grootschalige zonnevelden” van 4 september 2018 (hierna: het oude beleidskader) vastgesteld. Het oude beleidskader bevat zowel “leidende principes” als “algemene uitgangspunten” waarmee rekening wordt gehouden bij het beoordelen van initiatieven. Daarnaast bevat het oude beleidskader gezichtspunten voor de afweging van locaties. In dit oude beleidskader is opgenomen dat voorlopig wordt uitgegaan van maximaal 150 hectare aan zonnevelden in de gemeente voor de periode tot 1 januari 2021.

Omdat het college in korte tijd een groot aantal aanvragen voor een omgevingsvergunning voor realisatie van zonneparken ontving, heeft de gemeenteraad op 28 februari 2019 besloten tot wijziging van het beleidskader. De wijziging bestaat eruit dat in het “Beleidskader grootschalige zonnevelden” van 28 februari 2019 (hierna: het nieuwe beleidskader) is opgenomen dat er wordt uitgegaan van maximaal 10 hectare aan zonnevelden in de gemeente voor de periode tot 1 januari 2021. Voor het overige zijn het oude en het nieuwe beleidskader identiek.

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft de gemeenteraad een overgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat “Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonnepark die tussen 27 september 2018 en 1 februari 2019 zijn ingediend en die uiterlijk op 28 februari 2019 volledig en ontvankelijk zijn, zullen worden beoordeeld aan de hand van het Beleidskader zoals dat luidde van 27 september 2018 tot 28 februari 2019.”

6 Het bestreden besluit: welk beleidskader?

De aanvraag is ingediend op 15 oktober 2018 en daarom op basis van de overgangsregeling beoordeeld met toepassing van het oude beleidskader.

Eiseressen sub 1 hebben aangevoerd dat het nieuwe beleidskader onverbindend moet worden verklaard, omdat de wijziging van 150 hectare naar 10 hectare niet zorgvuldig is voorbereid en daarnaast onredelijk is. De wijziging is enkel ingegeven door de wens andere aanvragen dan die ten behoeve van [projectnaam] , zoals de aanvraag van eiseressen sub 1, zonder inhoudelijke beoordeling te kunnen afwijzen.

Deze beroepsgrond mist naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak feitelijk belang. De aanvraag voor [projectnaam] is beoordeeld met toepassing van het oude beleidskader. Het slagen van deze beroepsgrond zou daar geen verandering in brengen. De rechtbank zal deze grond in deze zaak bij gebrek aan feitelijk belang dan ook niet beoordelen.

7 Het bestreden besluit: toets aan het beleidskader

Het college heeft in het bestreden besluit (pagina 14) geconcludeerd dat de aanvraag hoog scoort op de meeste voorwaarden uit het beleidskader, hoewel op enkele voorwaarden minder hoog wordt gescoord. Alles afwegend heeft het college de aanvraag voldoende in overeenstemming geacht met het beleidskader.

Eiseressen sub 1 hebben -samengevat- aangevoerd dat de aanvraag in strijd is met het beleidskader. Zij hebben ter onderbouwing daarvan onder meer aangevoerd dat het college bij de beoordeling niet is uitgegaan van de juiste feiten en omstandigheden. Zo is geenszins verzekerd dat de opbrengsten van [projectnaam] ten goede komen aan de lokale bevolking.

Los van de vraag of bij de toets aan het beleid is uitgegaan van de juiste feiten en omstandigheden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat het college bij de beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor [projectnaam] een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het college in geval van [projectnaam] voldoende heeft geacht dat de aanvraag in voldoende mate in overeenstemming is met het beleidskader. Volgens de verklaring van het college ter zitting geldt bij de behandeling van de vier beroepen van eiseressen sub 1 tegen de weigeringen van hun aanvragen voor omgevingsvergunningen echter dat om voor een omgevingsvergunning voor realisatie van een zonnepark in aanmerking te komen sprake moet zijn van een uitzonderlijk project, gelet op het uitgangspunt dat er in het buitengebied geen zonneparken mogen worden gebouwd.

Bij gebrek aan duidelijkheid over de vraag welke beoordelingsmaatstaf het college wil hanteren voor aanvragen voor omgevingsvergunningen voor zonneparken, en of [projectnaam] als een uitzonderlijk project zou kunnen worden gekwalificeerd, als dat de beoordelingsmaatstaf zou zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

Bovendien is ter zitting gebleken dat bij de afweging van het college kennelijk criteria doorslaggevend zijn geacht, die niet, of niet als zodanig in het beleidskader zijn neergelegd. Ter zitting heeft het college aangegeven dat de ligging van het perceel van [projectnaam] doorslaggevend is geweest: het perceel ligt wat lager, langs een provinciale weg en een bedrijventerrein. Het is een raar gevormd perceel, dat zich mede daardoor niet (goed) leent voor agrarisch gebruik. Daarnaast is volgens het college ter zitting van (overwegend) belang geacht dat er een koppeling is tussen (de omvang van) het zonnepark en de locatie waar het voor bedoeld is. In het geval van [projectnaam] wordt het park toegerekend aan Terheijden.

Het (doorslaggevend) gewicht van juist deze criteria blijkt niet uit het beleidskader. Weliswaar is een van de technische aspecten “de aanwezigheid van grote afnemers”, maar dit ziet op voordelen vanuit kostenminimalisatie en op de vraag of het perceel vanuit technisch oogpunt geschikt is, niet op aanvaardbaarheid voor omwonenden. Daarnaast wordt wel een voorkeur uitgesproken voor locaties in of aansluitend aan stedelijk gebied en rondom de woonkernen, maar blijkt uit het beleidskader niet dat dit het voornaamste criterium of een van de belangrijkste criteria is.

Het bestreden besluit geeft dus ook op dit punt onvoldoende inzicht in de afwegingen van het college en hoe deze afweging zich verhoudt tot de in het beleidskader opgenomen “leidende principes” en “algemene uitgangspunten”.

8 Conclusie

Omdat de rechtbank geen aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en de rechtbank evenmin mogelijkheden ziet om zelf in de zaak te voorzien, moet het college een nieuw besluit nemen op de aanvraag van eiseressen sub 1, rekening houdend met deze uitspraak.

De overige beroepsgronden van eiseressen sub 1 behoeven als gevolg daarvan geen beoordeling meer.

9 Griffierecht en proceskosten

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseressen sub 1 het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseressen sub 1 gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres sub 2 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseressen sub 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseressen sub 1 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen sub 1 tot een bedrag van

€ 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en

mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op

19 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.