Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5042

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-10-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB- 19_6011
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:442, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning ten behoeve van realisatie van een zonnepark in de gemeente Drimmelen.

Deze zaak maakt onderdeel uit van een cluster van vijf zaken, waarin het college in één zaak een omgevingsvergunning heeft verleend en in vier zaken de omgevingsvergunning heeft geweigerd.

De rechtbank vernietigt de besluiten van het college en draagt het college op opnieuw te beslissen op de aanvragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6011 CHWA

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 oktober 2020 in de zaak tussen

1. [B.V. (Holding) eiseressen sub 1] .en [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] .,

te Maastricht,

en,

2. [naam B.V. eiseres sub 2] ,

te Made,

samen te noemen: eiseressen,

gemachtigde: mr. W.P.N. Remie,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy.

Procesverloop

In het besluit van 16 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het college de door [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] aangevraagde omgevingsvergunning, strekkende tot realisatie gedurende 25 jaar van zonnepark “ [projectnaam] ” te Lage Zwaluwe geweigerd.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 7 september 2020, tegelijk met de beroepen van (onder meer) [B.V. (Holding) eiseressen sub 1]. tegen drie andere geweigerde omgevingsvergunningen voor realisatie van zonneparken, bekend onder de zaaknummers BRE 19/6101, 19/6102 en 19/6132 CHWA. Bij de behandeling ter zitting van dit beroep waren namens eiseressen sub 1 aanwezig mr. A.A.M. van Beek en ir. R. Kamsteeg, samen met de gemachtigde. Voor eiseres sub 2 is [aanwezige namens eiseres sub2] verschenen, samen met de gemachtigde. Eiseressen hebben zich laten vergezellen door twee door hen aangekondigde deskundigen, te weten ir. A. Loth en ir. F. Bouwman. Voor het college is [vertegenwoordiger college] verschenen, samen met de gemachtigde en mr. E.P. Euverman, kantoorgenoot van gemachtigde.

Overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

Op 10 september 2018 heeft [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de duur van 25 jaar voor een project genaamd [projectnaam] . Blijkens de aanvraag bestaat het project uit de realisatie van een zonnepark met extra natuur met een oppervlakte van in totaal circa 35 hectare, op een locatie ter hoogte van de [locatie] te Lage Zwaluwe, op de percelen kadastraal bekend als Hooge en Lage Zwaluwe, sectie [perceel nummers] . Deze percelen zijn eigendom van eiseres sub 2. De aanvraag ziet onder meer op de activiteiten bouwen en het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Het college heeft 25 april 2019 kenbaar gemaakt voornemens te zijn de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken en het ontwerpbesluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen zijn vanaf 26 april 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegd.

Eiseressen hebben in reactie op dit voornemen bij brieven van 29 mei 2019, 5 juni 2019 en

9 juli 2019 zienswijzen ingediend.

De zienswijzen hebben niet geleid tot een wijziging van het eerdere voornemen. Bij het bestreden besluit heeft het college de door [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] aangevraagde omgevingsvergunning in navolging van de door de raad geweigerde verklaring van geen bedenkingen geweigerd.

2 Bevoegdheid van de rechtbank: termijnoverschrijding CHW

De Crisis- en Herstelwet (CHW) is van toepassing op deze beroepsprocedure. Dat betekent dat de bestuursrechter op grond van artikel 1.6, vierde lid, van de CHW binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak dient te doen. Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 16 april 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Als gevolg daarvan is de termijn van zes maanden inmiddels verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het verstrijken van deze termijn niet met zich dat de rechtbank niet langer bevoegd zou zijn om een uitspraak te doen op dit beroep (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1989). Nu daarvoor ook overigens geen beletselen aanwezig zijn, is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van dit beroep en daarop uitspraak te doen.

3 Beroep ontvankelijk: eiseressen belanghebbende?

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseressen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. Zijn zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dan is hun beroep niet-ontvankelijk.

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

3.1

Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiseressen sub 1 belanghebbende bij het bestreden besluit. Als aanvrager van de omgevingsvergunning is het belang van [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. [B.V. (Holding) eiseressen sub 1] is enig aandeelhouder van [B.V. (projecten II Holding)] , die op haar beurt weer enig aandeelhouder is van [ B.V. eiseressen sub 1 naam 2] Gelet daarop is ook het belang van [B.V. (Holding) eiseressen sub 1] . rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit.

3.2

Eiseres sub 2 kan naar het oordeel van de rechtbank niet als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning zich uitsluitend richt tot eiseressen sub 1. De weigering heeft geen rechtsgevolgen voor eiseres sub 2 en gesteld noch gebleken is dat eiseres sub 2 door de weigering in haar eigendomsrecht of ander fundamenteel recht wordt aangetast. Eventuele (financiële) schade die zij lijdt is slechts een afgeleid belang, nu dat belang uitsluitend voortvloeit uit de contractuele relatie die eiseres sub 2 heeft met de ontwikkelaars van het zonnepark (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3386).

De rechtbank zal het beroep van eiseres sub 2 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

4 De verklaring van geen bedenkingen

4.1

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend wordt dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

4.2

Eiseressen sub 1 hebben aangevoerd dat de procedure voor verlening van de verklaring van geen bedenkingen niet voldeed aan de eisen die daaraan in de rechtspraak worden gesteld. De aanvraag is niet onverwijld, maar pas op 26 maart 2019 doorgestuurd naar de gemeenteraad en de gemeenteraad heeft niet zelf het ontwerpbesluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen opgesteld, maar het door het college opgestelde ontwerp overgenomen. Het vaststellen van het besluit tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen was tot slot oorspronkelijk niet eens geagendeerd voor vaststelling in een raadsvergadering.

Dat de vaststelling van het besluit tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen oorspronkelijk niet geagendeerd was om te worden vastgesteld in een raadsvergadering, laat onverlet dat zowel het ontwerpbesluit, als het besluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen uiteindelijk wel in een raadsvergadering is vastgesteld. Dit argument treft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen doel.

Ook aan de stelling dat de gemeenteraad niet zelf het ontwerpbesluit heeft opgesteld, kent de rechtbank niet het gewicht toe dat eiseressen sub 1 daaraan toekennen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In de door eiseressen sub 1 genoemde uitspraak van 9 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1511) heeft de Afdeling overwogen dat uit artikel 3.11 van de Wabo en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo volgt dat het ontwerpbesluit moet zijn opgesteld door het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring van geen bedenkingen te geven. Eiseressen sub 1 kan worden nagegeven dat de gemeenteraad de tekst van het ontwerpbesluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen niet zelf heeft geformuleerd. Het ontwerpbesluit is op voorstel van het college aan de gemeenteraad voorgelegd. De gemeenteraad heeft vervolgens op 11 april 2019 ingestemd met het voornemen om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren. Door deze instemming heeft de gemeenteraad zelfstandig het standpunt ingenomen dat hij voornemens is om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de hiervoor bedoelde tekst van artikel 3.11, derde lid, van de Wabo en de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo (vergelijk de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2019, ELCI:NL:RBZWB:2019:4042).

Vervolgens zijn eiseressen sub 1 in de gelegenheid gesteld om naar aanleiding van het standpunt van de raad hun zienswijzen in te dienen. Dit is een wezenlijk verschil met de gang van zaken in de door eiseressen sub 1 genoemde uitspraak van 9 mei 2018. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval dan ook geen sprake van strijd met artikel 3.11, derde lid, van de Wabo.

De stelling van eiseressen sub 1 dat de aanvraag niet onverwijld is doorgestuurd treft wel doel. Op grond van artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo, dient het bevoegd gezag onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken door te zenden naar het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring van geen bedenkingen te geven, zodat dit bestuursorgaan daar een standpunt over kan innemen. Gelet op de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 28 en 126-127) moet onder “onverwijld” zo spoedig mogelijk worden verstaan. Het college heeft niet betwist dat de aanvraag van 10 september 2018 eerst op 26 maart 2019 naar de raad is doorgezonden. Van onverwijld doorsturen is dan ook geen sprake geweest. Dat, zoals het college ter zitting heeft gesteld, gewacht is met het doorsturen totdat de aanvraag compleet was, mist feitelijk grondslag, omdat de aanvraag ten tijde van de indiening daarvan al compleet was. Dat aanvrager op 28 december 2018 een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing en landschapsplan heeft ingediend, waarbij de oppervlakte van het park is teruggebracht naar circa 30 hectare, maakt dat niet anders, te minder nu het college ter zitting geen eenduidig antwoord heeft kunnen geven op de vraag of de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing en landschapsplan überhaupt aan de gemeenteraad zijn doorgezonden. In het bestreden besluit zijn de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing en het landschapsplan niet genoemd bij de stukken die onderdeel uitmaken van de aanvraag.

Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 3.11, eerste lid van de Wabo.

5. Tussenconclusie: beroep gegrond, bestreden besluit wordt vernietigd

In het licht van het feit dat in tussentijd het beleidskader ingrijpend is gewijzigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank zal beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, of zelf in de zaak te voorzien.

6 Beleidskader grootschalige zonnevelden: oud en nieuw

Op 13 september 2018 is het “Beleidskader grootschalige zonnevelden” van 4 september 2018 (hierna: het oude beleidskader) vastgesteld. Het oude beleidskader bevat zowel “leidende principes” als “algemene uitgangspunten” waarmee rekening wordt gehouden bij het beoordelen van initiatieven. Daarnaast bevat het oude beleidskader gezichtspunten voor de afweging van locaties. In dit oude beleidskader is opgenomen dat voorlopig wordt uitgegaan van maximaal 150 hectare aan zonnevelden in de gemeente voor de periode tot 1 januari 2021.

Omdat het college in korte tijd een groot aantal aanvragen voor een omgevingsvergunning voor realisatie van zonneparken ontving heeft de gemeenteraad op 28 februari 2019 besloten tot wijziging van het beleidskader. De wijziging bestaat eruit dat in het “Beleidskader grootschalige zonnevelden” van 28 februari 2019 (hierna: het nieuwe beleidskader) is opgenomen dat er wordt uitgegaan van maximaal 10 hectare aan zonnevelden in de gemeente voor de periode tot 1 januari 2021. Voor het overige zijn het oude en het nieuwe beleidskader identiek.

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft de gemeenteraad een overgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat “Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een zonnepark die tussen 27 september 2018 en 1 februari 2019 zijn ingediend en die uiterlijk op 28 februari 2019 volledig en ontvankelijk zijn, zullen worden beoordeeld aan de hand van het Beleidskader zoals dat luidde van 27 september 2018 tot 28 februari 2019.”

7 Het bestreden besluit: welk beleidskader?

In het raadsvoorstel dat onderdeel uitmaakt van het raadsbesluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen is opgenomen (punt 34) “De overgangsregeling heeft (…) geen betrekking op de voorliggende aanvraag. Er zal getoetst moeten worden aan het gewijzigde Beleidskader van 28 februari 2019. Omdat de aanvraag een ontwikkeling van meer dan 10 hectare betreft, is deze reeds hierom niet in overeenstemming met het Beleidskader en de Verordening Ruimte. Het college geeft uw raad in overweging om de voorliggende aanvraag alsnog te beoordelen aan de hand van de voorwaarden uit het Beleidskader teneinde te bepalen of voor een uitzondering plaats is. Het college kan zich voorstellen dat een project dat uitzonderlijk hoog scoort op de voorwaarden toch als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd.” In punt 42 van het raadsvoorstel is opgenomen “uw raad kan vervolgens, alles in ogenschouw nemend, zelfstandig beoordelen of het project kan worden toegestaan – ondanks de strijd met het huidige beleid”.

Eiseressen sub 1 hebben naar aanleiding van deze motivering in beroep (samengevat) aangevoerd dat het nieuwe beleidskader buiten toepassing moet blijven, of onverbindend moet worden verklaard, omdat de wijziging van 150 hectare naar 10 hectare zowel ruimtelijk als beleidsmatig niet is gemotiveerd. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat wanneer de beleidswijziging stand houdt, daarvan met toepassing van artikel 4:84 van de Awb moet worden afgeweken, zodat de overschrijding van de oppervlakte van 10 hectare hen niet wordt tegengeworpen. Ter onderbouwing daarvan hebben zij erop gewezen dat de inhoud van het oude beleidskader al bekend was ten tijde van de indiening van de aanvraag en dat de aanvraag het door de raad gewenste traject van vooroverleg met de omgeving heeft doorlopen. Wanneer het college de beslistermijn in acht had genomen, was het bestreden besluit bovendien al genomen voordat het nieuwe beleidskader in werking trad. Tot slot valt niet in te zien waarom de aanvraag voor [projectnaam2] , die later is ingediend dan de aanvraag van eiseressen sub 1, met toepassing van de overgangsregeling wél is beoordeeld met toepassing van het oude beleidskader van 150 hectare en een vergunning heeft gekregen, en de daarvóór ingediende aanvraag van eiseressen sub 1 niet. Eiseressen sub 1 willen dat ook hun project wordt beoordeeld met toepassing van het oude beleidskader met 150 hectare.

Eerst ter zitting heeft het college naar voren gebracht dat, hoewel de aanvraag formeel niet onder de overgangsregeling viel, de gemeenteraad de overgangsregeling ruim heeft geïnterpreteerd voor die gevallen waarin er een serieuze aanvraag gedaan was. In de geest van de overgangsregeling is de gemeenteraad in het bestreden besluit daarom afgeweken van de overgangsregeling en heeft de raad de aanvraag beoordeeld op basis van het oude beleidskader. Aan de aanvrager is niet tegengeworpen dat met het plan de maximale oppervlakte overschreden wordt.

Deze motivering strookt niet met de motivering van het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit volgt immers onmiskenbaar dat de raad de aanvraag heeft beoordeeld op basis van het nieuwe beleidskader, en niet het oude beleidskader. Uit het feit dat het college heeft benadrukt dat is beoogd de ter zitting gegeven motivering aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, volgt dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft.

8 Beoordeling op basis van gewijzigde motivering

Voor de verdere beoordeling merkt de rechtbank de ter zitting gegeven motivering, inhoudende dat het project is beoordeeld op basis van het oude beleidskader, aan als de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende motivering. Omdat het project blijkens deze motivering beoordeeld is op basis van het oude beleidskader, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijk bespreking van de beroepsgronden van eiseressen sub 1 tegen de wijziging van het beleidskader en de vraag of met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het nieuwe beleidskader moet worden afgeweken.

9 Beleidskader grootschalige zonnevelden: leidende principes en gezichtspunten

De beleidskaders zijn -behoudens de daarin opgenomen oppervlaktematen- identiek. In het hierna volgende wordt daarom in algemene zin verwezen naar het beleidskader.

Het beleidskader bevat in hoofdstuk 2 zowel leidende principes als algemene uitgangspunten waarmee rekening wordt gehouden bij het beoordelen van initiatieven. Het eerste leidende principe is maatschappelijke meerwaarde: de omgeving moet meeprofiteren van het zonnepark. Het principe van maatschappelijke meerwaarde is onderverdeeld in 1) meervoudig ruimtegebruik, 2) het leveren van een bijdrage aan de energietransitie en 3) sociale participatie. Het tweede leidende principe is landschappelijke kwaliteitsverbetering. Dit kan volgens het beleidskader door 1) de aanleg van nieuw landschap en 2) natuurontwikkeling. Daarbij is opgemerkt dat de landschappelijke inpassing aan de rand zorgt voor een meerwaarde op ecologisch en landschappelijk vlak. Het derde leidende principe is leerkansen.

Het beleidskader bevat daarnaast in hoofdstuk 5 gezichtspunten voor de afweging van locaties. Onderdeel daarvan is de technische afweging, bestaande uit drie aspecten die bepalen of een locatie geschikt is voor een zonnepark, te weten: 1) de nabijheid van nationale energie-infrastructuur, 2) de aanwezigheid van grote afnemers en 3) de aanwezigheid van locaties die reeds voorzien zijn van een voldoende zware aansluiting. Verder zijn in dit deel van het beleidskader als randvoorwaarden benoemd dat er uitgesloten gebieden zijn, dat onbebouwde randen om de woonkernen de voorkeurslocaties zijn, dat voor iedere nieuwe ontwikkeling in het buitengebied een kwaliteitsverbetering van het landschap verplicht is en dat de landschappelijke inpassing van een zonnepark daarvoor kan worden ingezet. Verder zijn ontwerprichtlijnen opgenomen per landschapstype (zeekleigebied, zandgebied, overgangsgebied). Tot slot bevat dit onderdeel technische ontwerpprincipes voor de vormgeving van het zonnepark, bijvoorbeeld over de beveiliging van het park, de hoogte van de panelen en bijbehorende voorzieningen. Daarbij is ook bepaald dat de zonnepanelen in principe slechts zeer beperkt zichtbaar mogen zijn vanuit aangrenzende woonpercelen.

10 Het bestreden besluit: toets aan het beleidskader

In het raadsvoorstel dat onderdeel uitmaakt van het raadsbesluit strekkende tot weigering van de verklaring van geen bedenkingen is opgenomen (punt 64) dat de aanvraag van eiseressen sub 1 maar matig tot laag scoort op de voorwaarden uit het beleidskader.

Eiseressen sub 1 hebben -samengevat- aangevoerd dat dit standpunt onvoldoende is gemotiveerd. Het project scoort volgens eiseressen sub 1 juist uitzonderlijk hoog en de omgevingsvergunning had daarom in redelijkheid niet geweigerd kunnen worden. Door de omgevingsvergunning te weigeren, maar wel een omgevingsvergunning te verlenen voor [projectnaam2] , terwijl dat project lager scoort dan het project van eiseressen sub 1, heeft het college bovendien gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

In reactie daarop heeft het college ter zitting aangevoerd dat de gemeenteraad het project heeft beoordeeld op basis van de uitgangspunten in het beleid, en dat het project is afgezet tegen deze uitgangspunten. De raad heeft geen scores of punten toegekend per voorwaarde uit het beleid. Het is niet zo dat de leidende principes zwaarder wegen dan de randvoorwaarden of ontwerpprincipes. De beoordeling door de raad is subjectief. De bewoordingen in het raadsvoorstel dat een project als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd wanneer het uitzonderlijk hoog scoort op de voorwaarden, moeten worden gezien in het licht van het uitgangspunt dat er in het buitengebied geen zonneparken mogen worden gebouwd. Om voor een vergunning in aanmerking te komen moet een project altijd uitzonderlijk zijn, aldus het college.

Dat er in de beoordeling geen punten zijn toegekend voor de verschillende voorwaarden, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat -zeker wanneer daarover verschil van mening bestaat- moet worden gemotiveerd waarom er volgens de raad niet of maar matig aan een voorwaarde en -in het verlengde daarvan- aan het beleidskader wordt voldaan. Daarbij dient bij de beoordeling van iedere aanvraag het beleidskader steeds hetzelfde te worden uitgelegd en dient dezelfde beoordelingsmaatstaf te worden aangehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beoordeling van het project van eiseressen sub 1 ten onrechte een andere beoordelingsmaatstaf aangehouden dan bij de beoordeling van het project [projectnaam2] . Waar in geval van het project van eiseressen sub 1 een uitzonderlijk hoge score vereist is, ligt aan het besluit tot vergunningverlening voor [projectnaam2] ten grondslag dat, hoewel op enkele voorwaarden minder hoog wordt gescoord, “de aanvraag voldoende in overeenstemming is met het Beleidskader”.

Daarnaast is, mede in het licht van het feit dat de leidende principes volgens het college niet zwaarder wegen dan de randvoorwaarden of ontwerpprincipes, in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de aanvraag maar matig tot laag scoort op de voorwaarden uit het beleidskader.

De rechtbank gaat daarbij uit van de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing van 24 december 2018 en het gewijzigde landschapsplan. Eiseressen sub 1 hebben benadrukt dat zij daarmee hun aanvraag hebben willen wijzigen. Vast staat dat de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing en het gewijzigde landschapsplan op 28 december 2018 per e-mail aan een medewerker van de gemeente is gestuurd. Volgens het college is de informatie uit deze e-mail niet als wijziging van de aanvraag geregistreerd. Gelet op het feit dat eiseressen sub 1 er in hun zienswijze op hebben gewezen dat het college deze wijziging ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen deze informatie alsnog aan te merken als een wijziging van de aanvraag.

De rechtbank overweegt dat blijkens de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing het meervoudig ruimtegebruik ter plaatse van het zonnepark aan de [locatie] bestaat uit een combinatie van energieopwekking (zonnepark), landbouw (beplanting van de grond onder de panelen met kruidenrijk gras ten behoeve van begrazing door schapen), natuur/biodiversiteit (beplanting met kruidenrijk gras, bloemrijke randen met bijenkasten, waterlopen), recreatie (aanleg wandel- en fietspaden door het park onder meer naar de bestaande natuur van natuurgebied de Domeinenput, speelplekken en een oplaadpunt voor e‑bikes) en voedselproductie (pluktuin aan de randen van het park). De bijdrage aan de energietransitie vindt, naast de productie van groene stroom, plaats door samenwerking met andere relevante partijen zoals Duurzaam Drimmelen, en door educatie en informatie door informatiepanelen op het park, de mogelijkheid van bezichtiging van de installatie en digitale informatie op internet. In de ruimtelijke onderbouwing zijn tot slot verschillende mogelijkheden benoemd voor sociale participatie, bijvoorbeeld door een postcoderoos-regeling (Regeling Verlaagd Tarief), of een SDE+regeling (Stimulering Duurzame Energie). Daarnaast zullen werkzaamheden op het park onder begeleiding worden uitgevoerd door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ten aanzien van de landschappelijke kwaliteitsverbetering is er in de ruimtelijke onderbouwing gewezen op de ontwikkeling van biodiversiteit onder de panelen en aan de rand van het park. De landschappelijke inpassing aan de rand van het park zorgt voor ecologische en landschappelijke meerwaarde, te meer vanwege de aansluiting op bestaande natuur en op de ecologische verbindingen in de directe omgeving van het gebied. De locatie van het park ligt niet in een uitgesloten gebied. Tot slot is uiteengezet dat het ontwerp voldoet aan de ontwerpprincipes van het landschapstype zeekleigebied en aan de technische ontwerpprincipes.

Gevraagd naar een toelichting op het standpunt dat de aanvraag matig tot laag scoort op de voorwaarden uit het beleidskader, heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat daarbij met name de verhouding tussen de omvang van het zonnepark en de (meest nabijgelegen) dorpskern van belang is, alsmede de afstand tussen de locatie van het zonnepark tot die dorpskern. Het zonnepark moet volgens het college kunnen worden toegerekend aan de dorpskern die nabij dat zonnepark ligt, in die zin dat de energiebehoefte waarin het zonnepark voorziet in verhouding staat tot het aantal huishoudens in die dorpskern. In geval van het park aan de [locatie] is de verhouding scheef, aangezien het park voorziet in de energiebehoefte van 7.200 huishoudens, terwijl de kern van Lage Zwaluwe circa 1.750 en de kern van Hooge Zwaluwe maar circa 700 huishoudens telt. Daarnaast liggen deze kernen op circa 1 kilometer afstand van het park. De voorwaarde dat het zonnepark moet kunnen worden toegerekend aan de kern die bij het zonnepark ligt, volgt volgens het college uit de voorwaarde in het beleidskader, inhoudende dat een locatie geschikt is voor een zonnepark in geval van aanwezigheid van grote afnemers.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raad met de voorwaarde van toerekening aan de nabij gelegen dorpskern een voorwaarde gehanteerd die geen onderdeel uitmaakt van het beleidskader. De aanwezigheid van grote afnemers is een aspect om te bepalen of een locatie vanuit technisch oogpunt geschikt is voor vestiging van een zonnepark. Andere aspecten die bepalen of een locatie vanuit technisch oogpunt geschikt is zijn de nabijheid van nationale energie-infrastructuur, of de aanwezigheid van locaties die reeds voorzien zijn van een voldoende zware aansluiting, zoals een windmolens. Bij deze technische aspecten is opgemerkt dat de afstand en complexiteit van een aan te leggen kabeltracé bepalend is voor de prijs daarvan. Ook heeft het overbruggen van grote afstanden met kabels landschappelijk gezien niet de voorkeur, aldus het beleidskader. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat deze technische aspecten enkel zijn ingegeven door de wens de afstand van het zonnepark tot een zware aansluiting of afzetpunt zo klein mogelijk te houden.

Uit de voorwaarde van aanwezigheid van een grote afnemer volgt naar het oordeel van de rechtbank niet de door de raad gehanteerde voorwaarde inhoudende dat de energiebehoefte waar het zonnepark in voorziet in verhouding is tot de omvang van de nabij gelegen dorpskern, nog los van de vraag of individuele huishoudens samen als één grote afnemer zouden kunnen worden aangemerkt, aangezien huishoudens stroom niet direct van het zonnepark afnemen. Dat een zonnepark zou moeten kunnen worden toegerekend aan de dorpskern nabij het park strookt bovendien niet met de beleidskeuze van de gemeente Drimmelen om toe te werken naar energie-neutraliteit (van de gemeente als geheel), door de totale energiebehoefte (bestaande uit voertuigbrandstoffen, elektriciteit en warmte) van particuliere huishoudens en bedrijven en organisaties duurzaam op te wekken. Volgens het (oude en nieuwe) beleidskader correspondeert een oppervlakte van 150 hectare met 20% van deze totale energiebehoefte.

Door bij de beoordeling of voor het project een verklaring van geen bedenkingen kan worden verleend een voorwaarde te hanteren die geen onderdeel uitmaakt van het beleidskader heeft de raad gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Daarnaast is eerst ter zitting gebleken dat groot gewicht wordt toegekend aan de afstand van het zonnepark tot de dorpskern. In het beleidskader wordt wel een voorkeur uitgesproken voor locaties in of aansluitend aan stedelijk gebied en rondom de woonkernen, maar daaruit blijkt uit niet dat dit een criterium van doorslaggevend gewicht is. Bovendien is niet toegelicht welke afstand als groter dan wenselijk wordt beschouwd. Ook op dit punt lijdt (de motivering van) het bestreden besluit aan een gebrek

11. Conclusie

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Omdat het besluiten op een aanvraag voor een omgevingsvergunning een bevoegdheid van het college betreft, ziet de rechtbank geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien.

Dat betekent dat het college een nieuw besluit dient te nemen op de aanvraag van eiseressen sub 1 inclusief de gewijzigde ruimtelijke onderbouwing en het landschapsplan van 24 december 2018, rekening houdend met deze uitspraak.

12 Griffierecht en proceskosten

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseressen sub 1 het door hen betaalde griffierecht vergoeden.

De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseressen sub 1 gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Vast staat dat de vier beroepen van onder meer [B.V. (Holding) eiseressen sub 1] . tegen de geweigerde omgevingsvergunningen voor de realisatie van een zonnepark op dezelfde zitting zijn behandeld. Rechtsbijstand is in alle zaken verleend door dezelfde persoon. De door hem verrichte werkzaamheden konden voor elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. De beroepschriften in de vier zaken zijn ook voor het overgrote deel identiek. De rechtbank merkt de zaken voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding daarom aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb.

De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op een totaalbedrag van € 1.575,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,00, en wegingsfactor 1,5 omdat er vier samenhangende zaken zijn). Dit bedrag zal worden verdeeld over de vier beroepen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 393,75 per beroepszaak.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres sub 2 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiseressen sub 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseressen sub 1 te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiseressen sub 1 tot een bedrag van

€ 393,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en

mr. R.A. Karsten-Badal, leden, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op

19 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.