Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:5010

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-10-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8619 VV
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiten woning i.v.m. overlast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8619 GEMWT VV

uitspraak van 14 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te Roosendaal, verzoeker,

gemachtigde: mr. Z. Yeral,

en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 september 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van zijn woning te Roosendaal voor een periode van zes weken. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 september 2020. Verzoeker is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Spierings.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker woont op het adres [adres] . Hij huurt daar een kamer. De woning is eigendom van [naam] . Hij staat ook op dat adres ingeschreven.

Op verzoek van de gemeente Roosendaal heeft de politie een onderzoek ingesteld naar de informatie over deze woning en/of de daarbij betrokken personen in de systemen van de politie, om zicht te krijgen op woonoverlast in, vanuit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning [adres] . De politie heeft de burgemeester met een bestuurlijke rapportage van 15 september 2020 geïnformeerd over de resultaten van dat onderzoek. De politie heeft gesignaleerd dat in de periode na 1 oktober 2017 er in de systemen van de politie een totaal van 129 registraties is vastgesteld over gedragingen in, vanuit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning. De politie heeft gerapporteerd dat het aannemelijk is dat er door gedragingen in, vanuit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning aan [adres] sprake is van aanhoudende, ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden en dat deze hinder wordt veroorzaakt door gedragingen van de bewoners en bezoekers van de genoemde woning. De politie heeft daarbij vermeld dat inspanningen van de politie tot dit moment geen of weinig effect hebben gehad, waardoor de overlast blijft aanhouden. De politie acht het aannemelijk dat de overlastsituatie zonder ingrijpend optreden zal voortduren waarbij het bovendien niet onaannemelijk is dat verdere escalatie van de situatie kan plaatsvinden. De politie heeft de burgemeester geadviseerd om haar bevindingen te gebruiken voor het eventueel toepassen van bestuurlijke maatregelen tegen de locatie die in het onderzoek naar voren is gekomen.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker kenbaar gemaakt dat de woning [adres] met ingang van 29 september 2020, 10.00 uur, wordt gesloten voor een periode van zes weken. Eenzelfde besluit is toegezonden aan [naam] .

De burgemeester heeft naar aanleiding van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening de voorzieningenrechter op 24 september 2020 bericht dat de woningsluiting wordt opgeschort tot twee dagen nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Standpunt verzoeker

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Verzoeker geeft aan dat uit de bestuurlijke rapportage niet kan worden opgemaakt bij welk incident door welke bewoner van welk pand overlast is veroorzaakt. Verzoeker wijst in dat verband erop dat [adres] een drukke straat is met veel horeca. Hij vindt dat de overlast niet zonder meer mag worden gekoppeld aan zijn woning. Ook kan volgens verzoeker uit het bestreden besluit niet worden opgemaakt of er sprake is van het verhuren van kamers aan personen met verslavingsproblematiek en hoe dat dan is vastgesteld. Evenmin kan worden vastgesteld dat aldaar (veelvuldig) drugs en alcohol worden gebruikt en hoe dat dan is vastgesteld.

Verzoeker stelt dat hij momenteel alleen in de woning woont, nadat de een na laatste huurder afgelopen week is vertrokken. Verzoeker stelt tevens nimmer veroorzaker te zijn geweest van enige overlast. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de sluiting van het pand dan ook geen enkel doel treft en dat er sprake is van strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.

Verzoeker stelt dat hij door de sluiting van het pand rechtstreeks en disproportioneel in zijn recht op leven en recht op wonen wordt geraakt. Hij geeft aan dat hij nergens anders terecht kan en dat het in deze Coronatijd niet veilig is om op straat of elders te leven dan in je eigen woning. Hij vreest daarbij dat zijn uitkering stopgezet zal worden als hij geen woning heeft. Hij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen.

Juridisch kader

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

Bevoegdheid burgemeester

4. De burgemeester is op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet – voor zover van belang – kan de burgemeester besluiten een woning of een bij die woning behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of op het erf de openbare orde rond de woning of het erf wordt verstoord.

De in het eerste lid genoemde bevoegdheid komt de burgemeester op grond van artikel 174a, tweede lid, van de Gemeentewet eveneens toe in geval van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde op de grond dat de rechthebbende op de woning, het lokaal of het erf eerder een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf op een zodanige wijze heeft gebruikt of doen gebruiken dat die woning, dat lokaal of dat erf op grond van het eerste lid is gesloten, en er aanwijzingen zijn dat betrokkene de woning, het lokaal of het erf ten aanzien waarvan hij rechthebbende is eveneens op een zodanige wijze zal gebruiken of doen gebruiken.

5. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat de burgemeester het bestreden besluit niet op de bestuurlijke rapportage heeft mogen baseren.

In de bestuurlijke rapportage is – onder meer – vermeld dat [naam] kamers in het pand (onder)verhuurt aan verschillende personen, van wie het merendeel kampt met verslavingsproblematiek. Die problematiek leidt ertoe dat er in en om de woning veelvuldig drugs en alcohol worden gebruikt. De woning is volgens de politie een trekpleister voor drugsdealers en drugsgebruikers. De bestuurlijke rapportage vermeldt ook veelvuldige ruzies en geweld. Meerdere malen moest de politie ter plaatse komen omdat huurders elkaar te lijf gingen. Volgens de politie is de woning ernstig vervuild.

Daarnaast is vermeld dat er diverse meldingen zijn gedaan dat bewoners van [adres] , die de toegang tot de woning waren ontzegd door de eigenaar, zichzelf alsnog toegang tot de woning probeerden te verschaffen. Als dit niet lukte via de voordeur, werden poorten van de buren ingetrapt. De bewoners verschaften zichzelf dan toegang tot de woning via de grond van de buren. Dit gedrag heeft volgens de politie tot grote overlast en een gevoel van ernstige onveiligheid bij de buurt geleid.

Tot slot vermeldt de bestuurlijke rapportage dat de problemen op 2 september 2020 tot een climax zijn gekomen, waarbij de eigenaar van de woning tijdens een conflict zwaar is mishandeld. Ter zitting is toegelicht dat [naam] daarna in het ziekenhuis is opgenomen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ernst van de situatie voldoende uit de bestuurlijke rapportage blijkt en dat daaruit voldoende kan worden afgeleid dat er in en rondom de woning [adres] sinds 1 oktober 2017 veelvuldig sprake is geweest van ernstige openbare ordeverstoringen. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat er sprake is van een omvangrijk onderliggend dossier. Daarin worden de in de bestuurlijke rapportage vermelde incidenten onderbouwd met concrete processen-verbaal. De voorzieningenrechter ziet, mede gelet op deze toelichting, in de bezwaargronden van verzoeker geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de bestuurlijke rapportage en de conclusies die daarin zijn getrokken en gaat ervan uit dat een verdere onderbouwing zal blijken uit het onderliggende dossier. Dat kan verder in bezwaar aan de orde komen.

6. Het voorgaande leidt ertoe dat de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage heeft mogen aannemen dat er door gedragingen in, vanuit en in de onmiddellijke nabijheid van de woning [adres] sprake is van aanhoudende, ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden en dat deze hinder wordt veroorzaakt door gedragingen van bewoners en bezoekers van de genoemde woning.

7. Niet in geschil is dat verzoeker niet een van de overlastgevende bewoners van [adres] is geweest. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij momenteel de enige bewoner is van het pand. Ook dat wordt niet betwist.

De voorzieningenrechter heeft daarop ter zitting aan de orde gesteld of er nu nog sprake is van een urgentie om de woning te sluiten. De burgemeester heeft daarop toegelicht dat er nog steeds een aanzuigende werking uitgaat van het pand en dat te vrezen valt dat er nog personen zijn die zich onrechtmatig toegang zullen verschaffen tot de woning met alle overlast en risico’s voor de omgeving en voor verzoeker van dien, als de woning niet wordt gesloten. Op dit moment surveilleert de politie extra om binnendringen in het pand te voorkomen, maar dit is geen oplossing voor de langere termijn. Als het pand wordt gesloten, dan kunnen deuren en ramen beter gebarricadeerd worden.

8. Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in beginsel bevoegd moet worden geacht om de woning met toepassing van artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet te sluiten.

Zorgvuldigheid

9.1.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit de nodige zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter heeft in dat kader getoetst aan artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet en aan artikel 4:8 van de Awb.

9.2.

In artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat bij de bekendmaking van het besluit belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit is vermeld dat er eerder ook bij de gemeente Roosendaal veelvuldig meldingen zijn ingediend aangaande de woning en de gedragingen die er hebben plaatsgevonden en dat er naar aanleiding van deze meldingen verschillende handhavingsprocedures zijn opgestart. Tot op heden zonder het gewenste resultaat, aldus de burgemeester. De eigenaar heeft volgens de burgemeester inmiddels een groot bedrag aan dwangsommen verbeurd en de gemeente heeft tot tweemaal toe alle afval verwijderd uit de tuin.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester (eventueel via andere bestuursorganen van de gemeente Roosendaal) daarmee voldaan aan artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet en hoefde eigenaar [naam] , dan wel zijn zaakwaarnemers, voorafgaand aan het bestreden besluit niet nogmaals in de gelegenheid te worden gesteld om maatregelen te treffen ter beëindiging van de verstoring van de openbare orde. Overigens heeft de burgemeester ter zitting aangegeven dat er voorafgaande aan de sluiting overleg heeft plaatsgevonden met (de zaakwaarnemers van) [naam] . Zij stemmen in met een tijdelijke sluiting van het pand.

9.3.

In artikel 4:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, het die belanghebbende in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

  1. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

  2. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

In het bestreden besluit is niet vermeld dat verzoeker voorafgaand aan het bestreden besluit in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen, terwijl kon worden verwacht dat hij bedenkingen zou hebben tegen het besluit.

De burgemeester heeft in dat verband ter zitting toegelicht dat hij niet eerst een schriftelijk voornemen heeft doen uitgaan, vanwege de ernst en het spoedeisende karakter van de situatie. Verder heeft de burgemeester toegelicht dat er veel gesprekken zijn gevoerd met verzoeker en dat het voornemen tot sluiting van de woning daarin zeker aan de orde is geweest. Daarbij is verzoeker volgens de burgemeester ook in de gelegenheid geweest om zijn zienswijze daarop te uiten en dat heeft verzoeker ook gedaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester met het voorgaande aan artikel 4:8, eerste lid, van de Awb heeft voldaan. Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb vereist niet dat een voornemen of aankondiging van een besluit schriftelijk wordt uitgebracht en dat een belanghebbende ook in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijk zijn zienswijze te geven.

9.4.

Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Eventuele motiveringsgebreken kunnen in het te nemen besluit op bezwaar nog worden hersteld.

Belangenafweging

10. Tot slot ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of de burgemeester in het bestreden besluit voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker. Immers, verzoeker wil niet verhuizen.

De burgemeester heeft de voorzieningenrechter ter zitting er voldoende van overtuigd dat hij zich heeft vergewist van de grote impact van het bestreden besluit op het privéleven van verzoeker en zijn belang om in de woning te kunnen blijven wonen. De burgemeester heeft toegelicht dat hij zich om die reden ook heeft ingespannen om tijdelijke vervangende en betaalbare woonruimte voor verzoeker te vinden en dat hij die ook heeft gevonden vlakbij de huidige woning. De burgemeester heeft verzoeker daarbij aangeboden om gedurende de periode van de gedwongen sluiting van de woning de woonlasten voor de vervangende woonruimte te betalen.

Aangezien er vervangende woonruimte voor verzoeker is gevonden, zijn de door verzoeker geschetste risico’s van de woninguitzetting (onveilige situatie vanwege het Coronavirus en het verliezen van zijn uitkering) niet aan de orde. De burgemeester heeft in dat verband ter zitting toegelicht dat het aanbod dat hij heeft gedaan voor wat betreft het tijdelijk betalen van de woonlasten ook nog steeds staat.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester met dit aanbod onder deze omstandigheden voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter acht de woningsluiting onder de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd.

Conclusie

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 14 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.