Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4716

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6624
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 16 AWR, kwade trouw, art. 9.6 Wet IB 2001, bewijslast vergrijpboete, ontvankelijkheid beroep.

Belanghebbende heeft de aankoop van de eigen woning volledig uit eigen middelen gefinancierd. Toch heeft hij een eigenwoningschuld en rentebedragen in zijn aangifte vanaf 2007 opgenomen. De inspecteur heeft dit gecorrigeerd voor de jaren 2010 tot en met 2014 en (navorderings)aanslagen met vergrijpboetes opgelegd. Voor de beoordeling van de boetes legt de rechtbank de bewijslast met betrekking tot de (navorderings)aanslagen 2010 en 2014 bij de inspecteur. Omdat met betrekking tot de (navorderings)aanslagen 2011 en 2013 sprake is van een beroep tegen de weigering de aanslag ambtshalve te verminderen, rust de bewijslast dat de boete te hoog is op belanghebbende. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kwade trouw en de (navorderings)aanslagen terecht zijn opgelegd. Ook de vergrijpboeten zijn terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Wet inkomstenbelasting 2001 9.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-10-2020
V-N Vandaag 2020/2535
FutD 2020-3122
NTFR 2020/3312 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
V-N 2020/60.29.17
NLF 2020/2339 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 17/6624, 17/6625, 17/6627 tot en met 17/6631, 17/6633, 18/1681 tot en met 18/1684

uitspraak van 18 september 2020

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

17/6628

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de herziene verliesverrekeningsbeschikking afgegeven bij de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2007 (verliesverrekening 2007) en de bijbehorende beschikking heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.77).

17/6633

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de herziene verliesverrekeningsbeschikking afgegeven bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (verliesverrekening 2008) en de bijbehorende heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.87).

18/1681

De uitspraak van de inspecteur van 13 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening van de verliesverrekening 2008 en de bijbehorende heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.87).

17/6631

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de herziene verliesverrekeningsbeschikking afgegeven bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 (verliesverrekening 2009) en de bijbehorende beschikking heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.97).

18/1682

De uitspraak van de inspecteur van 13 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening van de verliesverrekening 2009 en de bijbehorende beschikking heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.97).

17/6627

De uitspraken van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2010, de bijhorende beschikking heffingsrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.07).

17/6630

De uitspraken van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2011, de bijbehorende beschikking heffingsrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.17.01).

18/1683

De uitspraken van de inspecteur van 13 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2011, de bijbehorende beschikking heffingsrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.17.01).

17/6625

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2012 en de bijbehorende beschikking belastingrente (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.26.01).

17/6629

De uitspraken van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2013, de bijbehorende beschikking belastingrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.36.01).

18/1684

De uitspraken van de inspecteur van 13 februari 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2013, de bijbehorende beschikking belastingrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.36.01).

17/6624

De uitspraak van de inspecteur van 24 augustus 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2014, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.46.01).

17/6626

Ter zitting heeft belanghebbende zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringwet 2012 ingetrokken.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2020 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de afwijzingen van het verzoek om ambtshalve herziening van de herziene verliesverrekeningsbeschikking afgegeven bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 (18/1631) en 2009 (18/1633) gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar, met instandhouding van de rechtsgevolgen;

- verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen 2010 en 2014 alsmede de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de boetebeschikkingen over 2011 en 2013 gegrond en vernietigt de betreffende uitspraken op bezwaar;

- vermindert de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 (17/6627) tot een bedrag van € 2.871;

- vermindert naar aanleiding van het verzoek om ambtshalve vermindering de boete opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 (18/1683) tot een bedrag van € 1.879;

- vermindert naar aanleiding van het verzoek om ambtshalve vermindering de boete opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2013 (18/1684) tot een bedrag van € 399;

- vermindert de boete opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2014 (17/6624) tot een bedrag van € 1.408;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van tweemaal € 46 aan hem vergoedt.

2 Gronden

Vooraf

2.1.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgelezen en een afschrift hiervan achtergelaten voor de rechtbank. Bij de pleitnota heeft belanghebbende twee bijlagen gevoegd. Een afschrift van de pleitnota en de twee bijlagen zal in verband met de coronamaatregelen met de uitspraak aan de inspecteur worden toegestuurd.

De eerste bijlage betreft de aanslag IB/PVV 2010. De inspecteur heeft ter zitting verklaard met dit stuk bekend te zijn en geen bezwaar te hebben tegen de inbreng daarvan. De rechtbank zal dit stuk daarom meenemen in de beoordeling.

De tweede bijlage betreft een leningovereenkomst. De inspecteur heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de inbreng van dit stuk omdat hij niet bekend is met de inhoud. Omdat belanghebbende het stuk niet uiterlijk op de elfde dag voor de zitting heeft ingediend1 en het door de Corona-maatregelen niet mogelijk is om op de zitting alsnog kennis te nemen van het stuk, ondanks dat de omvang daarvan beperkt is, zou de inspecteur in zijn procesbelang worden geschaad indien de rechtbank het stuk wel bij de beoordeling zou meenemen. De rechtbank zal dit stuk daarom buiten beschouwing laten. Het stuk zal wel in het dossier worden opgenomen.2

Ontvankelijkheid verliesverrekening 2008 en 2009 (17/6633 en 17/6631)

2.2.

De verliesverrekening 2008 en 2009 zijn met dagtekening 30 september 2016 opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen op 30 november 2016 bezwaar gemaakt. Dit is buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Het bezwaar is te laat ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen verschoonbare reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift hebben. In de uitspraak van 24 augustus 2017 heeft de inspecteur het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbendes beroep van 5 oktober 2017 is in zoverre ongegrond.

Ontvankelijkheid ambtshalve herziening verliesverrekening 2008 en 2009 (18/1631 en 18/1633)

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar van 30 november 2016 ook aangemerkt als een verzoek om ambtshalve herziening van de verliesverrekening 2008 en 2009. Dit verzoek heeft de inspecteur afgewezen.

2.4.

Vervolgens heeft de inspecteur belanghebbendes beroep van 5 oktober 2017 aangemerkt als bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening van de verliesverrekening 2008 en 2009. Bij uitspraak van 13 februari 2018 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. Hiertegen heeft belanghebbende op 13 maart 2018 beroep ingesteld.

2.5.

Tot 1 januari 2010 is artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing voor verzoeken om ambtshalve vermindering op het terrein van de IB/PVV. Dit artikel voorziet niet in een afwijzing van een verzoek om ambtshalve herziening bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit betekent voor de verliesverrekening 2008 en 2009 dat de afwijzing op een verzoek tot ambtshalve herziening geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikking is. Tegen de afwijzing van het verzoek staat dan ook geen bezwaar en beroep open. De inspecteur had het bezwaar van 5 oktober 2017 tegen afwijzing van het ambtshalve verzoek niet-ontvankelijk moeten verklaren. In zoverre is het beroep van 13 maart 2018 deels gegrond om een formele reden. Dit betekent niet dat dit in het voordeel is van belanghebbende. De niet-ontvankelijkverklaring van de betreffende bezwaren betekent namelijk dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verliesverrekening 2008 en 2009.

Ontvankelijkheid navorderingsaanslag 2011 en aanslag 2013 (17/6630 en 17/6629)

2.6.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2011 is gedagtekend 3 september 2016 en de aanslag IB/PVV 2013 is gedagtekend 7 september 2016. Belanghebbende heeft hiertegen op 25 oktober 2016 bezwaar gemaakt. Dit is buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken. Het bezwaar is te laat ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard geen verschoonbare reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift hebben. In de uitspraak van 24 augustus 2017 heeft de inspecteur het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbendes beroep van 5 oktober 2017 is in zoverre ongegrond.

2.7.

De rechtbank komt hierna wel toe aan een inhoudelijke beoordeling van de jaren 2011 en 2013. Vanaf 1 januari 2010 is artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) van toepassing. Dit artikel voorziet wel in de mogelijk om bezwaar en beroep in te stellen zoals belanghebbende heeft gedaan (zaaknummers 18/1683 en18/1684) tegen een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering.

Inhoudelijke beoordeling verliesverrekening 2007, navorderingsaanslag 2010, verzoek ambtshalve vermindering 2011, verzoek ambtshalve vermindering 2013 en aanslag 2014 (17/6628, 17/6627, 18/1683, 17/6625, 18/1684, 17/6624)

Feiten

2.8.

Belanghebbende heeft op 29 april 2010 een woning gekocht aan [adres] in [plaats] voor € 600.000.

2.9.

In 2012 heeft belanghebbende bij de [bank] een hypotheek afgesloten voor een bedrag van € 95.000.

2.10.

In zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft belanghebbende een eigenwoningschuld van € 865.000 (rekeningnummer [nummer 1] ) vermeld. Daarnaast heeft belanghebbende in zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2014 een aanvullende eigenwoningschuld van € 95.000 (rekeningnummer [nummer 2] ) vermeld. De negatieve inkomsten uit eigen woning heeft belanghebbende in de aangiften als volgt berekend:

Jaar

Rente

Huurwaarde

Inkomsten

2010

-€ 32.462

€ 9

-€ 32.454

2011

-€ 43.562

€ 3.481

-€ 40.081

2012

-€ 46.546

€ 3.594

-€ 42.952

2013

-€ 46.887

€ 1.500

-€ 45.387

2014

-€ 46.412

€ 4.760

-€ 41.652

2.11.

Op 26 juni 2015 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. De bevindingen zijn opgenomen in het eindrapport van 16 augustus 2016. Tijdens het boekenonderzoek heeft belanghebbende verklaard dat hij de aankoopsom van de woning aan [adres] volledig uit eigen middelen heeft gefinancierd. Verder is gebleken dat belanghebbende van de hypotheek van € 95.000 op 24 mei 2012 een bedrag van € 75.000 heeft doorgeleend aan een derde. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de inspecteur uitsluitend voor de jaren 2012 tot en met 2014 een bedrag van € 20.000 (het restant van de hypotheek van € 95.000) als eigenwoningschuld gekwalificeerd. Omdat het huurwaardeforfait hoger is dan de over dit bedrag verschuldigde rente, heeft de inspecteur de negatieve inkomsten uit eigen woning voor alle jaren gecorrigeerd. Daarnaast heeft de inspecteur in 2011 diverse kosten gecorrigeerd en in 2013 en 2014 het inkomen in box 3.

2.12.

Voor 2010 is over de correctie negatieve inkomsten eigen woning een vergrijpboete van 50% wegens het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van een onjuiste dan wel onvolledige aangifte opgelegd. Voor 2011 is naast een vergrijpboete van 50% over de correctie negatieve inkomsten eigen woning een vergrijpboete van 25% wegens opgelegd over diverse kostencorrecties wegens het grofschuldig doen van een onjuiste dan wel onvolledige aangifte. Voor 2013 en 2014 zijn naast de vergrijpboete van 50% over de correctie negatieve inkomsten uit eigen woning vergrijpboeten van eveneens 50% wegens het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van onjuiste dan wel onvolledige aangifte met betrekking tot correctie in box 3 opgelegd. Het voornemen een vergrijpboete op te leggen over 2010 is op 16 oktober 2015 aan belanghebbende bekend gemaakt. Voor de overige jaren is het voornemen tot boeteoplegging op 16 augustus 2016 bekend gemaakt.

Geschil

2.13.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

- Heeft de inspecteur een navorderingsgrond als bedoeld in artikel 16 van de AWR voor het opleggen van de navorderingsaanslag 2010?

- Heeft belanghebbende over de jaren 2010 tot en met 2014 recht op aftrek vanwege negatieve inkomsten uit eigen woning?

- Zijn de bij de (navorderingen)aanslagen 2010, 2011, 2013 en 2014 opgelegde vergrijpboeten over de correctie negatieve inkomsten uit eigen woning terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Navorderingsgrond

2.14.

Ingevolge artikel 16 van de AWR kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit slechts van belang voor zover het hier gaat om de navorderingsaanslag IB/PVV 2010. De procedure over het jaar 2011 betreft namelijk een procedure naar aanleiding van een beslissing op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001, waarbij de rechtbank van oordeel is dat de navorderingsaanslag 2011 als zodanig reeds onherroepelijk vast staat.3

2.15.

Van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is, is sprake als de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk onjuiste gegevens of inlichtingen heeft verstrekt dan wel opzettelijk de juiste gegevens of inlichtingen heeft onthouden. Daarvan is sprake indien een belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist dat, indien deze aangifte zou worden gevolgd, de aanslag tot een te laag bedrag zou worden opgelegd.4

2.16.

De inspecteur is van mening dat hij ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslag beschikte over een nieuw feit. Daarnaast is de inspecteur van mening dat sprake is van kwade trouw bij belanghebbende.

2.17.

De rechtbank zal eerst ingaan op het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende te kwader trouw is. De bewijslast dat belanghebbende te kwader trouw is, rust op de inspecteur.

2.18.

De inspecteur stelt dat belanghebbende negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek heeft gebracht terwijl hij voor de aankoop van de woning aan [adres] geen eigenwoningschuld is aangegaan waarover hij rente verschuldigd was. Het is algemeen bekend dat alleen rente in aftrek kan worden gebracht voor zover er een schuld is aangegaan voor de aankoop van de eigen woning, aldus de inspecteur. Dit volgt verder ook uit de informatie die bij het aangiftebiljet wordt gegeven over welke kosten in de rubriek 'eigen woning' in aftrek kunnen worden gebracht.

2.19.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende te kwader trouw was. Belanghebbende wist ten tijde van het doen van de aangifte dat hij geen schuld was aangegaan voor de aankoop van de woning en dat hij geen rente had betaald. De stelling van belanghebbende dat hij zichzelf een hypotheek heeft verstrekt (al dan niet via zijn eenmanszaak) en de opgevoerde rente heeft gebaseerd op een eigen berekening, maakt dat niet anders. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reële schuld. Daarbij komt dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat geen rente is betaald. Zijn verdere toelichting dat wel een enkele keer geld is overgeboekt naar de zakelijke rekening, betekent niet dat belanghebbende daarmee rentebetalingen heeft gedaan of dat dacht te doen. Zoals belanghebbende zelf heeft toegelicht was dit namelijk toch ‘broekzak-vestzak’. Belanghebbende heeft dan ook een schuld opgevoerd en rentekosten in aftrek gebracht die door hemzelf zijn gefingeerd. Hij heeft dan ook bij het doen van aangifte wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat door het aftrekken van de gefingeerde rentekosten van een gefingeerde eigenwoningschuld te weinig belasting zou worden geheven en deze kans heeft hij bewust aanvaard (op de koop toe genomen). Dat belanghebbende stelt zich pas in 2014 bewust te zijn geworden van de onmogelijkheid van het lenen van zijn eenmanszaak, doet daar niet aan af.

2.20.

Het voorgaande betekent dat belanghebbende met betrekking tot het in aftrek brengen van rentekosten in verband met de eigen woning te kwader trouw is geweest. Dit leidt tot de conclusie dat de inspecteur ook zonder een nieuw feit kon navorderen.

Recht op hypotheekrenteaftrek?

2.21.

Aangezien belanghebbende heeft verklaard geen rente te hebben betaald, heeft de inspecteur de negatieve inkomsten uit eigen woning terecht nagevorderd dan wel deze aftrek geweigerd. De navorderingsaanslagen 2010 en 2011 en de aanslagen 2013 en 2014 zijn juist. Daaruit volgt ook dat de verliesverrekening 2007 juist is. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Heffingsrente/belastingrente

2.22.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffingsrente en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

Vergrijpboeten

2.23.

De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen 2010 en 2011 en de aanslagen 2013 en 2014 vergrijpboeten opgelegd van respectievelijk € 3.589, € 2.088, € 444 en € 1.760. Voor zover de boetes zijn gebaseerd op andere posten dan de eigen woning, zijn deze niet in geschil. De inspecteur is van mening dat belanghebbende met betrekking tot de negatieve inkomsten uit eigen woning te kwader trouw heeft gehandeld en heeft een boete van 50% opgelegd berekend over de verschuldigde belasting. De berekening van de boetebedragen wordt door belanghebbende niet betwist. Daarbij is van belang dat de bewijslast of de boetes terecht en tot een juist bedrag bij de (navorderings)aanslagen 2010 en 2014 op de inspecteur rust. Omdat met betrekking tot de (navorderings)aanslagen 2011 en 2013 sprake is van een beroep tegen de weigering de aanslag IB/PVV ambtshalve te verminderen, rust de bewijslast dat de boete te hoog is op belanghebbende.

2.24.

Zoals de rechtbank hiervoor onder 2.19 heeft overwogen heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld. Belanghebbende maakt verder niet aannemelijk dat de boetes te hoog zijn. De boetes zijn opgelegd in lijn met de relevante wettelijke bepalingen en beleidsbepalingen waar de inspecteur zich aan moet houden. De stelling van belanghebbende dat hij zijn aangiften naar eer en geweten heeft ingevuld, acht de rechtbank niet aannemelijk. Belanghebbende heeft bewust een eigenwoningschuld en rentebedragen bedacht en in de aangifte opgenomen onder vermelding van een gefingeerd nummer, dat zijn eigen bankrekeningnummer was. Belanghebbende heeft dit naar eigen zeggen gedaan omdat hij net als iedereen een aftrek eigen woning wilde. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank de vergrijpboeten passend en geboden dan wel niet te hoog. Belanghebbendes stelling dat de boeten moeten worden gematigd omdat sprake is van steeds dezelfde gedraging en de Belastingdienst de zaak op zijn beloop heeft gelaten, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft immers ieder jaar opnieuw een onjuiste aangifte ingediend en ook nadat hij tijdens het boekenonderzoek op die onjuistheid was gewezen heeft hij de aangifte over 2014 op dezelfde onjuiste wijze ingediend.

2.25.

Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat sprake is van undue delay. De rechtbank doet uitspraak op 18 september 2020. Sinds de aankondiging van de vergrijpboeten op 16 oktober 2015 (2010) en 16 augustus 2016 (2014) is (afgerond) vijf jaar (2010) en (afgerond) vier jaar (2014) verstreken. De rechtbank stelt vast dat hiermee de redelijke termijn van twee jaar is overschreden met drie jaar (2010) en twee jaar (2014). Met betrekking tot de vergrijpboeten van 2011 en 2013 is afgerond drie jaar verstreken sinds de indiening van het bezwaar tegen de beslissing om ambtshalve vermindering, waardoor de redelijke termijn met een jaar is overschreden.5 De rechtbank ziet geen reden om een deel van de overschrijding aan belanghebbende toe te rekenen of om de tweejaarstermijn op grond van bijzondere omstandigheden te verlengen. Gelet hierop zal de rechtbank de vergrijpboeten 2010 en 2014 matigen met 20% en de vergrijpboeten 2011 en 2013 met 10%.6

Opgelegde vergrijpboete

Vergrijpboete na matiging

2010

€ 3.589

€ 2.871

2011

€ 2.088

€ 1.879

2013

€ 444

€ 399

2014

€ 1.760

€ 1.408

De beroepen tegen de opgelegde vergrijpboeten zijn gegrond.

Proceskosten

2.26.

Gelet op hetgeen in 2.5 en 2.25 is overwogen zijn de beroepen betreffende de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve herziening van de verliesverrekening 2008 en 2009 alsmede de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient de inspecteur het door belanghebbende voor deze beroepen betaalde griffierecht van tweemaal € 46 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2020 door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 8:58 van de Awb

2 Artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017

3 Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6527

4 Bijv. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2198.

5 Vgl. HR 19 december 2008, nr. 42.763, ECLI:NL:HR:2008:BD0191

6 Zie Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713