Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4673

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB- 19_1895
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KINDER

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/1895 KINDER

uitspraak van 30 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [plaatsnaam] , eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 28 december 2018 (primair besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van eiseres op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018 vastgesteld op nihil.

In een besluit van 7 maart 2019 (bestreden besluit I) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 4 november 2019 een herziene beslissing op bezwaar (bestreden besluit II) genomen waarbij aan eiseres over het gehele jaar 2018 kinderopvangtoeslag is toegekend. Aan eiseres is een bedrag van € 11.563,- toegekend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 19 augustus 2020.

Hierbij was mr. A.R. Sheichot aanwezig namens de Belastingdienst/Toeslagen. Eiseres was niet aanwezig. Van haar is ook geen bericht ontvangen.

Overwegingen

1. Bij voorschotbeschikking van 21 juni 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen voor het jaar 2018 een bedrag van € 8.110,- kinderopvangtoeslag aan eiseres toegekend.

Bij het primaire besluit heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit voorschot vastgesteld op nihil.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij bestreden besluit I zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Bij bestreden besluit II is de Belastingdienst/Toeslagen alsnog aan eiseres tegemoet gekomen.

2. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst/Toeslagen met bestreden besluit II, blijkens de tekst ervan, het bestreden besluit I heeft vervangen en opnieuw op het bezwaar van eiseres heeft beslist. Op grond van artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Niet is gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit I aangezien dit besluit is achterhaald door bestreden besluit II. Om die reden is het beroep van eiseres, voor zover het is gericht tegen bestreden besluit I wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk. In de omstandigheid dat bestreden besluit I hangende het beroep is ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat Belastingdienst/Toeslagen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Bij bestreden besluit II is de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018 vastgesteld op € 11.563,-. Blijkens de processtukken is genoemd bedrag hoger dan het in eerste instantie uitbetaalde voorschot. De rechtbank stelt dan ook vast dat met bestreden besluit II volledig is tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres, zodat ook ten aanzien van dit besluit geen sprake is van procesbelang.

Gezien het voorgaande heeft eiseres geen procesbelang bij de bestreden besluiten I en II, zodat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- draagt de Belastingdienst/Toeslagen op het betaalde griffierecht van € 47,- aan

eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 30 september 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier* rechter

* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.