Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4663

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB 19_2450
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2450 WIA

uitspraak van 30 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,

gemachtigde: mr. R. Joosen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda ), verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam werkgeefster] , te [plaatsnaam 1] (werkgeefster),

Procesverloop

Eiser heeft op 13 mei 2019 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 april 2019 van het UWV over de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Hij heeft daarbij ook het besluit op bezwaar van 9 april 2019 van het UWV gevoegd over zijn aanspraken op grond van de WIA.

Het UWV heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar de rechtbank om als beroepschrift te worden behandeld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en het UWV zijn uitgenodigd voor een zitting op 28 oktober 2019. Deze is verdaagd omdat de rechtbank de werkgeefster ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld om als partij aan de procedure deel te nemen. De werkgeefster heeft vervolgens laten weten als partij aan de procedure te willen deelnemen.

Eiseres heeft op 13 december 2019 de rechtbank toestemming verleend voor kennisneming door de werkgeefster van stukken die medische gegevens bevatten.

Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 26 maart 2020. Deze zitting is verdaagd in verband met de maatregelen rondom het coronavirus.

Op 24 april 2020 heeft het UWV gereageerd op een vraag van de rechtbank.

Geen van de partijen heeft vervolgens binnen de door de rechtbank gestelde termijn aangegeven op een (nieuw te plannen) zitting te willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op 26 augustus 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser heeft bij werkgeefster gewerkt als storingsmonteur. Voor dat werk is hij op 8 augustus 2016 uitgevallen vanwege rugklachten. In de loop van de tijd zijn ook psychische en andere lichamelijke klachten ontstaan.

In een besluit van 2 juli 2018 (primaire besluit) heeft het UWV geweigerd per 6 augustus 2018 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij korter dan 104 weken door ziekte zijn werk niet (volledig) kon doen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

In een besluit van 8 april 2019 heeft het UWV eiser vanaf 6 augustus 2018 een

vervolguitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de WIA toegekend van € 261,96 bruto per maand, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,68%.

In het besluit op bezwaar van 9 april 2019 heeft het UWV eisers bezwaren tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser toch 104 weken door ziekte zijn werk niet (volledig) kon doen. Eiser wordt per 6 augustus 2018 60,68% arbeidsongeschikt geacht. Dit leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80%. Daardoor komt hij toch in aanmerking voor een WIA-uitkering. Het primaire besluit wordt ingetrokken (lees: herroepen) en vervangen door het besluit op bezwaar. Eisers WIA-rechten per 6 augustus 2018 zullen alsnog beoordeeld worden. Ook heeft het UWV eisers proceskosten vergoed.

2. Omvang van het geding

De rechtbank stelt vast dat het UWV zijn besluitvorming naar aanleiding van eisers bezwaren tegen het primaire besluit heeft gesplitst. Het UWV heeft in het besluit van 8 april 2019 op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,68% een WIA‑vervolguitkering van € 261,96 bruto per maand toegekend, en een dag later in het besluit op bezwaar het primaire besluit gemotiveerd herroepen en een proceskostenveroordeling toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank vormen beide besluiten tezamen het besluit op bezwaar tegen het primaire besluit (bestreden besluit).

De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen omdat het aannemelijk is dat eiser door deze gang van zaken niet is benadeeld. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom in stand laten met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 augustus 2018 (datum in geding) heeft vastgesteld op 60,68%.

3. Wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

In het tweede lid is bepaald dat in het eerste lid onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

In het derde lid is bepaald dat onder duurzaam mede wordt verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

In artikel 47, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat - voor zover hier van belang - recht op een uitkering ingevolge de IVA ontstaat voor de verzekerde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

4. Medische beoordeling

4.1

Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

De verzekeringsarts b&b heeft eisers dossier, waaronder informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg, bestudeerd. Ook heeft hij zelf informatie opgevraagd bij, en verkregen van de orthopedisch chirurg en de chirurg. Bovendien heeft hij eiser gesproken tijdens de hoorzitting op 16 januari 2019.

De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat er zich tussen de datum van het onderzoek door de verzekeringsarts op 28 mei 2018 en de datum in geding nieuwe feiten hebben voorgedaan die een ander licht werpen op eisers belastbaarheid per de datum in geding. Eiser ontwikkelde immers een depressie en onderging een ingreep aan perianale abcessen en aan een neusbloeding. Daarnaast bleken de rug- en beenklachten ondanks verschillende behandelingen (wortelblok L4 en L5 links en nucleoplastie) niet te wijken en wordt de mogelijkheid van een spondylodese geopperd.

De verzekeringsarts b&b heeft aan de oorspronkelijke Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juni 2018, die de verzekeringsarts had opgesteld, beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren toegevoegd en de beperkingen in dynamische handelingen en statische houdingen aangescherpt. Hierbij werd rekening gehouden met de gevolgen van de perianale ingreep, de achterste neusbloeding, de psychische kwetsbaarheid en de persisterende rug-/beenklachten.

De verzekeringsarts b&b heeft beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de FML van 20 maart 2019.

4.2

Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij meer beperkt is dan het UWV heeft aangenomen. Hij vindt dat hij niet in staat is om te werken en wil een IVA-uitkering. De verzekeringsarts b&b heeft geen rekening gehouden met de clusterhoofdpijn waar eiser sinds de datum in geding last van heeft en waardoor hij meer beperkt is. Hij is hiervoor onder behandeling bij de neuroloog. Eiser krijgt hiervoor regelmatig injecties. maar die zorgen voor vermoeidheid en ontstekingen onder de oksels. De verzekeringsarts b&b heeft eisers rugklachten eveneens onderschat. Door uitstraling naar zijn benen, gaat lopen lastig. Eiser vindt zichzelf meer beperkt voor tillen of dragen, lopen (tijdens werk), staan (tijdens werk) en werktijden.

4.3

De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan dat bij de besluitvorming gebruik maakt van een advies van een medisch adviseur, zoals een verzekeringsarts b&b, in het algemeen op dat advies mag afgaan, op voorwaarde dat is gebleken dat dit advies volledig is, geen tegenstrijdigheden bevat en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het ligt vervolgens op de weg van de betrokkene om medische stukken te overleggen die aan het medisch advies doen twijfelen.

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Beide verzekeringsartsen hebben eisers dossier bestudeerd, waarbij de verzekeringsarts b&b over meer informatie van behandelaars beschikte dan de eerste verzekeringsarts. Bovendien heeft de eerste verzekeringsarts op 28 mei 2018 van eiser de anamnese afgenomen en hem lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft eiser gesproken tijdens de hoorzitting. Volgens eiser heeft hij sinds de datum in geding clusterhoofdpijn. De rechtbank constateert dat hierover niets blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen, en evenmin uit wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd en uit de gegevens van behandelaars die in het dossier zitten. Eiser heeft deze klachten bovendien niet met objectieve medische gegevens onderbouwd.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende inzicht had in eisers medische situatie per 6 augustus 2018 en dat er geen medische feiten met betrekking tot deze datum gemist zijn. Verder is niet gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts b&b onvolledig is of tegenstrijdigheden bevat.

De rechtbank overweegt vervolgens dat de subjectieve beleving van een betrokkene van zijn klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij hem zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de objectief vast te stellen beperkingen voor arbeid.

Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt deze op de hoogte was van de door eiser gestelde rugklachten met uitstraling naar de benen. Bij het opstellen van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Daarbij zijn ook meer beperkingen voor werktijden vastgesteld dan de eerste verzekeringsarts gedaan had. Eiser heeft niet concreet onderbouwd op welke grond er meer beperkingen voor werktijden moeten worden aangenomen. Dat eiser in verband met de rugklachten op 24 juni 2019 geopereerd zou worden, is een omstandigheid die dateert van na de datum in geding en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten.

Eiser heeft in beroep geen objectieve informatie van behandelaars overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts b&b heeft aangenomen.

De rechtbank concludeert dat niet gebleken is dat in de FML van 20 maart 2019 de beperkingen van eiser zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank daarom uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.

5. Geschiktheid voor de functies

5.1

Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (Sbc-code 111180), inpakker (handmatig) (Sbc-code 111190) en samensteller kunststof en rubberproducten (Sbc-code 271130).

5.2

De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat deze voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar de rapporten van de arbeidsdeskundige b&b van 22 en 27 maart 2019 en zijn toelichting in het resultaat functiebeoordeling van 22 maart 2019. Met deze stukken is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Eisers standpunt dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 4.3 heeft geconcludeerd is die opvatting niet juist.

De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6. Mate van arbeidsongeschiktheid

Op basis van de inkomsten die eiser met de geselecteerde functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,68%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 augustus 2018 heeft vastgesteld op 60,68%.

Omdat eiser niet volledig arbeidsongeschikt is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de duurzaamheid van eisers beperkingen.

7. Conclusie, griffierecht en proceskosten

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

De rechtbank zal vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb het UWV opdragen om het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Ook zal de rechtbank het UWV veroordelen in de proceskosten van eiser. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 525,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,00 en wegingsfactor 1). De overige door eiser genoemde kosten, namelijk reis- en verblijfkosten van € 5,00, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het beroep niet is behandeld op een zitting bij de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier, op 30 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.