Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4655

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
AWB- 18_4311
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 18/4311 AW

uitspraak van 29 september 2020 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. S.K. Oskam,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 mei 2018 (bestreden besluit) van het college inzake het ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:5 van de CAR/UWO.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 mei 2019. Eiseres was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A. Keur, [naam adviseur P&O] (adviseur P&O) en [naam teamleider] (teamleider). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 9 augustus 2019 heropend in verband met het tijdens de zitting op 17 mei 2019 door eiseres gedane verzoek om schadevergoeding.

Bij brief van 18 september 2019 heeft eiseres haar verzoek om schadevergoeding nader onderbouwd.

Verweerder heeft bij brief van 27 november 2019 gereageerd.

Op 10 februari 2020 heeft de rechtbank partijen gevraagd of er uitspraak zonder nadere zitting kan worden gedaan.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft eiseres de rechtbank verzocht om een tweede zitting.

In reactie heeft de rechtbank - in verband met de uitbraak van het coronavirus - voorgesteld om in plaats van een fysieke zitting een extra schriftelijke ronde te laten plaatsvinden, waarbij eiseres meer uitgebreid kan reageren op de brief van verweerder van 27 november 2019. Daarna zal verweerder nogmaals de gelegenheid krijgen om te reageren, waarna de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak zal doen.

Eiseres is met dat voorstel akkoord gegaan door op 25 mei 2020 een reactie te geven op de brief van verweerder van 27 november 2019. Zij heeft daarbij in de kern vastgehouden aan haar eerdere onderbouwing van de door haar geleden geschade.

Op 17 juni 2020 heeft verweerder inhoudelijk gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek op 19 augustus 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Beslissing van 9 augustus 2019

In de beslissing van 9 augustus 2019 heeft de rechtbank geconcludeerd dat het college niet bevoegd was eiseres per 1 oktober 2017 ontslag te verlenen wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 8:5 eerste lid, van de CAR/UWO. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit om die reden dient te worden vernietigd. Het onderzoek is heropend ten aanzien van het ter zitting door eiseres gedane verzoek om schadevergoeding.

2. Verzoek om schadevergoeding

Eiseres heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming van verweerder schade heeft geleden en dat verweerder deze schade moet vergoeden. Zij heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de volgende schadeposten:

  • -

    een vergoeding wegens onterecht gegeven ontslag berekend conform de zogenaamde ‘CRvB-formule’, met een verwijtbaarheidspercentage aan de zijde van verweerder van 51% – 65%. Dit levert volgens eiseres een te vergoeden bedrag op van € 12.518,00 bruto;

  • -

    een vergoeding wegens gederfde inkomsten ten bedrage van € 13.377,00 bruto;

  • -

    een vergoeding wegens pensioenschade ten bedrage van € 300,00.

3. Beoordeling

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij het beantwoorden van de vraag of er bij de toepassing van artikel 8:88 van de Awb voldoende aanleiding is om een gevraagde schadevergoeding toe te kennen, zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is, in aansluiting op de artikelen 6:162 en 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Alleen die schadeposten komen voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:247). Het is aan een verzoeker om de gestelde schade op objectieve en controleerbare wijze aannemelijk te maken.

Uit de beslissing van 9 augustus 2019 volgt dat het per 1 oktober 2017 aan eiseres verleende ontslag onrechtmatig is. De vraag of uit dat onrechtmatige ontslag voor eiseres schade is ontstaan, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Er moet worden aangenomen dat eiseres langer bij de gemeente Moerdijk in dienst zou zijn gebleven als haar niet ten onrechte ontslag was verleend.

CRvB-formule

Bij het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding stelt de rechtbank voorop dat er geen grond is voor de toepassing van de door eiseres aangehaalde CRvB-formule. Zoals verweerder terecht stelt, wordt deze formule gebruikt voor de berekening van de ontslagvergoeding bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO (ontslag op andere gronden), bijvoorbeeld in het geval er sprake is van duurzaam verstoorde arbeidsverhoudingen of een ontstane impasse. De CBvB-formule is dus niet van toepassing bij andere vormen van ontslag, zoals een ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5 van de CAR/UWO). De rechtbank wijst de verzochte vergoeding van € 12.518,00 bruto op grond voornoemde CRvB-formule daarom af.

Inkomstenderving

Wel is de rechtbank van oordeel dat er voor eiseres over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 november 2018 sprake is geweest van inkomstenderving wegens het onterecht verleende ontslag. De rechtbank constateert dat eiseres met ingang van de ontslagdatum (1 oktober 2017) maandelijks een uitkering op grond van de Werkloosheidswet heeft ontvangen, die lager was dan het salaris dat zij ontving van verweerder. Deze derving van inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank een direct gevolg van het onrechtmatig verleende ontslag. De schade die daaruit is ontstaan, is toe te rekenen aan verweerder. Voor de precieze hoogte van de geleden inkomensschade, sluit de rechtbank aan bij het overzicht zoals opgesteld en laatstelijk overgelegd door verweerder in de brief van 17 juni 2020, op pagina 6. In dat overzicht heeft verweerder over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 november 2018 voldoende inzichtelijk gemaakt en met bewijsstukken onderbouwd dat eiseres in totaal € 6.320,68 bruto aan inkomstenderving heeft geleden. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dit bedrag toewijzen.

Pensioenschade

Nu verweerder geen bezwaar heeft gemaakt tegen de door eiseres verzochte vergoeding van € 300,00 bruto wegens pensioenschade, zal de rechtbank bepalen dat dit bedrag eveneens voor vergoeding in aanmerking komt.

4. Conclusie

Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Omdat eiseres inmiddels een andere dienstbetrekking heeft gevonden en niet meer aan het werk wil bij verweerder, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat aan eiseres met ingang van 1 oktober 2017 ontslag is verleend uit haar functie van medewerker DIV, in stand laten. Nu ook is gebleken dat eiseres door het onrechtmatige ontslag schade heeft geleden, zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toewijzen, in die zin dat verweerder eiseres € 6.320,68 bruto aan gederfde inkomsten en 300,00 bruto aan pensioenschade moet vergoeden.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.887,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de bezwaarhoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verzoekschrift, 0,5 punt voor de reactie op de brief van verweerder van 27 november 2019, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat aan eiseres met ingang van 1 oktober 2017 ontslag is verleend uit haar functie van medewerker DIV, in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van een vergoeding van geleden materiële schade aan eiseres tot een totaalbedrag van € 6.620,68 bruto;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.887,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, mr. J.L. Sierkstra en mr. L.P. Hertsig, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. van Sambeek, griffier, op 29 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak en de beslissing van 9 augustus 2019 kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.