Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4645

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
02/376835 HA RK 20-195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Locatie: Breda

Procedurenummer: 02/376835 HA RK 20-195

Beslissing van 29 september 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:

[verzoekster] ,

statutair gevestigd te Nuth,

verzoeker,

vertegenwoordigd door [naam A] en [naam B] .

1 Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het wrakingsverzoek, bij brief van 14 september 2020, door de rechtbank ontvangen op 15 september 2020;

  • -

    de brief van verzoeker van 21 september 2020, waarin wordt geantwoord op de brief van de rechtbank waarin wordt gevraagd waarom zo lang is gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek

  • -

    de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorl.] Hertsig (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer [nummer] , op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek.

2.2.

De rechter heeft mondeling aan de griffier meegedeeld niet te berusten in het verzoek tot wraking.

3 Feiten

In de hoofdzaak heeft verzoeker beroep aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle op het verzoek om handhavend op te treden tegen bouwsels op een perceel grond.

4 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat de rechter ter zitting van 3 september 2020:

  • -

    zonder eerst zelf te onderzoeken of verzoeker belanghebbend is, hierover een “een tweetje” aanging met verweerder;

  • -

    bevestigde dat hetgeen wij inbrachten over de ontvankelijkheid niet relevant is;

  • -

    van mening was en bleef dat er juridisch en feitelijk geen toegang is in de procedure voor derden.

In de onder het procesverloop genoemde brief van verzoeker van 21 september 2020 staat dat daags voor het versturen van het wrakingsverzoek een overleg heeft plaatsgevonden tussen de voorzitter en een ander bestuurslid, waarin de zitting is nabesproken en dat toen is geconstateerd dat de rechter partijdig overkwam. En verder betoogt verzoeker dat een verzoek tot wraking kan worden ingediend totdat de rechter uitspraak heeft gedaan. Tot slot wijst verzoeker op jurisprudentie op basis waarvan verzoeker concludeert dat het verzoek niet tardief is.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoeker bekend zijn geworden.

5.2.

De wrakingsgronden hebben uitsluitend betrekking op wat zich heeft voorgedaan ter zitting van 3 september 2020. Het verzoek tot wraking is gedateerd 14 september 2020, derhalve 11 dagen later. De conclusie kan daarmee niet anders zijn, dan dat verzoeker niet heeft voldaan aan het in 5.1 omschreven tijdigheidsvereiste.

Daarbij merkt de wrakingskamer op dat weliswaar totdat de rechter uitspraak heeft gedaan een verzoek tot wraking kan worden ingediend, maar dat dit niet betekent dat niet zal worden getoetst of het verzoek is ingediend zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden op basis waarvan wordt gewraakt (het tijdigheidsvereiste).

Uit de door verzoeker genoemde jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat het onderhavige verzoek tijdig is ingediend. In de door verzoeker genoemde uitspraak van Gerechtshof Arnhem is, voordat het wrakingsverzoek werd ingediend, – anders dan in de onderhavige zaak – eerst nog gecorrespondeerd tussen verzoeker en het Gerechtshof. Uit de beide andere door verzoeker genoemde uitspraken kan worden afgeleid dat 42 dagen, respectievelijk één jaar, wachten te lang is. Dat betekent echter niet dat korter wachten niet ook kan leiden tot een tardief verzoek.

5.3.

Dit betekent dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;

  • -

    bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer: [nummer] zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek.

Deze beslissing is gegeven op 29 september 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. De Roos, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.