Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4632

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
AWB- 19_5585 PKV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5585 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker

gemachtigde: mr. F. Sarrari,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 24 januari 2019 (primair besluit) heeft het UWV verzoeker een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Verzoeker werd daarbij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht.

In het besluit van 25 september 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 april 2020 heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken en daarbij de bezwaren van verzoeker alsnog gegrond verklaard. Verder heeft het UWV verzoeker daarbij vanaf 24 februari 2019 een uitkering toegekend als bedoeld in de Inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).

Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten en tot schadevergoeding. Het UWV heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.

De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.

2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 17 april 2020 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.

Verzoeker heeft in dat verband verzocht om naast vergoeding van de kosten van rechtsbijstand ook in aanmerking te komen voor vergoeding van zijn reiskosten naar Breda à € 6,--, de kosten van medische advies ter hoogte van € 2.510,75 en onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958) de wettelijke rente wegens laattijdige uitbetaling van de IVA-uitkering.

In reactie heeft het UWV zich akkoord verklaard met het vergoeden van de kosten van door een derde verleende kosten van juridische bijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de gevraagde reiskosten en de gevraagde wettelijke rente.

Met betrekking tot de kosten van het medisch arbeidskundig advies acht het UWV zich overvallen, nu van dat onderzoek eerder niets bij het UWV bekend was. Daarbij wijst het UWV er op dat verzoeker kennelijk ook voor een arbeidskundig onderzoek heeft gekozen terwijl het hier uitsluitend om een medische kwestie ging, waarbij geen arbeidskundig oordeel aan de orde was.

3. De rechtbank concludeert dat tussen partijen verschil van mening bestaat over vergoeding van de arbeidskundige kosten die door verzoeker zijn opgevoerd in het kader van het inschakelen van deskundige(n).

Naar vaste rechtspraak van de CRvB (en ook van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) komen de kosten van een deskundige op voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking, indien het inschakelen van die deskundige redelijk was. Ter beantwoording van de vraag of het inschakelen van een niet-juridische deskundige, zoals hier aan de orde, redelijk was, hanteert de rechtbank in navolging van de CRvB als maatstaf of degene die de deskundige heeft ingeschakeld, er - gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inschakeling - vanuit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. (Zie ook de uitspraak van de CRvB van 13 april 2005, LJN AT4323, alsook de uitspraken van de Afdeling van 23 juli 2008, LJN BD8351 met noot van [naam betrokkene uitspraak] in AB 2008, 354, en van 3 september 2008, LJN BE9723).

In deze procedure staat voor de rechtbank vast dat een arbeidskundig element ontbreekt en dat uitsluitend medische aspecten relevant waren voor de vraag of het bestreden besluit in stand kon blijven.

Gelet daarop zal de rechtbank de kosten van het arbeidskundig deel van de door verzoeker ingehuurde expertise (€ 750, -- + 21% BTW = € 907,50) in mindering brengen op het totaal aan verzoeker in dit verband in rekening gebrachte kosten voor medisch advies, alvorens die kosten aan te merken als door het UWV aan verzoeker te vergoeden kosten.

Daarmee komt het door UWV aan verzoeker te vergoeden bedrag aan medische kosten op (€ 2.510,75 - € 907,50 =) € 1.603,25.

De kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 525,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1). Verder stelt de rechtbank de te vergoeden reiskosten van verzoeker als door hem gesteld vast op € 6,--. Hiermee komt het totaal van door het UWV aan eiser te vergoeden kosten op € 2.134,25.

4. Het verzoek van eiser het UWV te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, komt naar het UWV in reactie heeft erkend, voor toewijzing in aanmerking. Voor de wijze waarop het UWV de rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 47,-- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 2.134,25 en wijst het verzoek om schadevergoeding toe zoals onder overweging 4 is vermeld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier op 29 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.