Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4580

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8329 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag uitkering op grond van de Participatiewet (PW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8329 PW VV

uitspraak van 24 september 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. M.M. van Woensel

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 augustus 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 17 september 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuijpers.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Op 5 juli 2020 heeft verzoekster bij het college, in verband met het eindigen van haar werkloosheidsuitkering, een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering met ingang van 1 augustus 2020. Ter beoordeling van die aanvraag heeft het college onder meer aan verzoekster verzocht om bankafschriften over de laatste 3 maanden te overleggen.

Verzoekster heeft de bankafschriften over de periode 1 mei tot en met 31 juli 2020 overgelegd. Daarop zijn de omschrijvingen van alle uitgavenposten onleesbaar gemaakt. De uitgavenbedragen van die posten zijn wel leesbaar.

Bij brief van 27 juli 2020 heeft het college aan verzoekster nogmaals verzocht om afschriften over de laatste 3 maanden van al haar bank- en/of spaarrekeningen, waarop haar naam, bankrekeningnummer, bij- en afschrijvingen en saldo vermeld staan (van haarzelf, partner en minderjarige kinderen).

Verzoekster heeft de bankafschriften over de periode 1 mei tot en met 31 juli 2020 nogmaals overgelegd. Hierop zijn de omschrijvingen van een aantal uitgavenposten nog steeds onleesbaar.

2. Bestreden besluit

Met het bestreden besluit heeft het college verzoeksters aanvraag om een bijstandsuitkering afgewezen. Het college stelt dat verzoekster niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, omdat zij niet de volledige bankafschriften heeft overgelegd. Verzoekster heeft diverse uitgavenposten op de bankafschriften zwart gemarkeerd. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

3. Het verzoek

Verzoekster erkent dat zij op enkele bankafschriften een markering heeft aangebracht. Het betreft echter alleen de omschrijving van de uitgavenposten, niet de bedragen en evenmin de bijschrijvingen. Verzoekster stelt dat zij niet gehouden is om van elke uitgave aan te geven waaraan dat is besteed. Als verzoekster het bedrag had gepind en vervolgens had besteed had het college het bestedingsdoel ook niet geweten. Overigens is de hoogte van de uitgave wel zichtbaar. Verzoekster betwist dan ook dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat door het college aan haar voorschotten moeten worden betaald.

4. Toetsingskader

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

5. Wettelijk kader

In artikel 11, eerste lid, van de PW is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In artikel 17 van de PW is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 53a, zesde lid, van de PW is bepaald dat het college bevoegd is onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand.

6. Jurisprudentie

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) rust bij aanvragen om bijstand de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Voor de beoordeling van de vraag of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.1

Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.2

Indien de aanvrager bezwaar blijkt te hebben tegen het verlenen van inzage in zijn uitgaven, hetgeen bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen doordat hij de uitgavenposten onleesbaar heeft gemaakt, dient dit gerespecteerd te worden, tenzij deze gegevens werkelijk noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Hiervan is slechts sprake indien er in het betreffende geval gegronde redenen zijn om inzicht te verkrijgen in het uitgavenpatroon van de belanghebbende.3 Dat het college in zijn algemeenheid de inkomens- en vermogenspositie moet kunnen verifiëren aan de hand van bank- en giroafschriften, waaronder begrepen de uitgavenposten, is onvoldoende om een gegronde reden aan te nemen.4

7. Oordeel van de voorzieningenrechter

Ter beoordeling ligt aan de voorzieningenrechter voor of de verwachting bestaat dat het besluit van het college, waarbij verzoeksters aanvraag is afgewezen, in bezwaar standhoudt. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord kan er aanleiding bestaan om een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft verzoeksters aanvraag afgewezen, omdat zij niet de volledige bankafschriften heeft overgelegd. Verzoekster heeft de omschrijvingen van verschillende uitgavenposten onleesbaar gemaakt. Het gaat om de volgende maanden en afschrijvingen:

- mei 2020: 6 afschrijvingen van € 48,-

- juni 2020: 8 afschrijvingen, 2 keer € 33,-, 5 keer € 48,- en 1 keer € 2,-

- juli 2020: 3 afschrijvingen, 2 keer € 48,- en 1 keer € 34,-

Hierdoor heeft verzoekster volgens het college de inlichtingenplicht geschonden en is het recht op bijstand niet vast te stellen.

Ter zitting heeft het college gesteld dat er goede redenen zijn om inzage in de volledige uitgavenposten van verzoekster te verlangen. Uit de bankafschriften blijkt namelijk dat verzoekster regelmatig geld opneemt in andere gemeenten, zoals [woonplaats ouders]. Verder zijn op de afschriften uitgaven te zien voor parkeren en tanken, terwijl verzoekster geen auto heeft.

Dit roept volgens het college dusdanige vragen op dat volledige inzage in verzoeksters uitgavenpatroon ter beoordeling van haar bijstandsaanvraag nodig is.

Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat haar ouders in [woonplaats ouders] wonen. Zij leent af en toe de auto van haar moeder omdat zij soms zorgt voor haar demente oma. Dit verklaart volgens verzoekster de afschrijvingen in [woonplaats ouders] en voor parkeren en tanken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde redenen zijn om volledige inzage te verlangen in het uitgavenpatroon van verzoekster. De voorzieningenrechter leidt uit de rechtspraak af dat er sprake kan zijn van gegronde redenen voor volledig inzicht als er bijvoorbeeld sprake is van een vermoeden van fraude of van het bestaan van andere rekeningen of creditcards, als sprake is van afschrijvingen van grote bedragen, als uit de afschriften niet blijkt van afschrijvingen voor levensonderhoud en/of bij vermoeden van wonen elders of in het buitenland. Zulke omstandigheden acht de voorzieningenrechter in dit geval niet aan de orde. In ieder geval heeft het college dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een plausibele verklaring voor de uitgavenposten die zien op de uitgaven in [woonplaats ouders] en voor parkeren en tanken. Overigens merkt de voorzieningenrechter over de uitgaven in [woonplaats ouders] nog op dat qua frequentie ongeveer evenveel uitgaven plaatsvinden in [woonplaats verzoekster] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in die uitgaven in [woonplaats ouders] dan ook onvoldoende aanwijzing worden gevonden dat verzoekster buiten [woonplaats verzoekster] zou wonen.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het college ten onrechte inzage verlangt in de omschrijving van alle uitgavenposten van verzoekster. Door het niet verlenen van die inzage heeft verzoekster de inlichtingenplicht naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet geschonden. Nu verzoekster wel inzage heeft verschaft in de hoogte van de uitgavenposten, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom het recht op bijstand niet is vast te stellen. Zij heeft dan ook de verwachting dat het besluit tot afwijzing van verzoeksters aanvraag om bijstand op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld, in bezwaar geen standhoudt. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Conclusie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe en treft de voorziening dat het college aan verzoekster voorschotten op een bijstandsuitkering verstrekt ter hoogte van de voor haar geldende norm met ingang van de datum van het verzoek om voorlopige voorziening, 3 september 2020. Deze voorziening vervalt 6 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

9. Proceskosten en griffierecht

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat het college aan verzoekster met ingang van 3 september 2020 tot 6 weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar voorschotten op een bijstandsuitkering toekent ter hoogte van de voor haar geldende norm;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 24 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 uitspraak van de CRvB van 8 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2155)

2 uitspraak van de CRvB van 16 juni 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1265)

3 uitspraak van de CRvB van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:105)

4 uitspraak van de CRvB van 31 juli 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AD3773)