Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4574

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
AWB 20_5942
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/5942 WABOA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] te [plaatsnaam] , gemachtigde [naam gemachtigde] .

Procesverloop

In het besluit van 18 september 2019 (primaire besluit) heeft het college [naam derde partij] een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van erfverharding ten behoeve van opslag van bieten op het perceel [adres] te [plaatsnaam] . Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

In het besluit van 18 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 2 september 2020.

Hierbij waren aanwezig eiser, [naam vertegenwoordiger college] namens het college en [naam vertegenwoordiger derde partij] namens [naam derde partij] .

Overwegingen

Feiten

1. [naam derde partij] heeft op 16 augustus 2019 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verharding van 600 m2 grond buiten het bouwvlak, bedoeld voor de tijdelijke opslag van bieten. Het betreft hier het perceel [adres] te [plaatsnaam] . Tegenover dit perceel is eisers perceel [adres 2] te [plaatsnaam] gelegen. Eiser oefent hier zijn bedrijf uit.

Bij het primair besluit van 18 september 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning aan [naam derde partij] verleend. Daarbij heeft het college aangegeven dat het aanleggen in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, Veegplan 1’ omdat de verharding die buiten het bouwvlak wordt aangelegd 600 m2 groot is en bedoeld is voor tijdelijke opslag van bieten. Verder heeft de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) naar aanleiding van haar bevindingen geconcludeerd dat de verharding voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college kort gezegd aangegeven dat voldaan is aan de regels van het van toepassing zijnde bestemmingsplan.

Het geschil

2. Aan de orde is de vraag of het college op goede gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor het aanleggen van erfverharding van 600 m2 voor opslag van bieten.

Standpunt eiser

3. Eiser voert aan dat de openheid van de omgeving onnodig wordt aangetast. De uitbreiding geschiedt tegen zijn bouwblok aan. Voor de openheid moet 50 meter tussen de bouwblokken bestaan. De werken zijn uitgebreider dan is aangevraagd.

Eiser wijst erop dat in het verleden door de gemeente en [naam vertegenwoordiger derde partij] handelingen zijn verricht die uitsluitend tot doel hadden eisers belangen te dwarsbomen. Het bedrijf van eiser heeft hierdoor schade geleden en het bestaansrecht is aangetast. Door een verschuiving van het bouwblok van [naam vertegenwoordiger derde partij] is er destijds een hinderwet-cirkel boven het bouwblok van eiser gelegd, zodat eiser daar niet kon wonen, terwijl wel alle bedrijfsgebouwen waren opgericht.

Hij heeft ter zitting aangegeven dat in verleden dingen zijn gebeurd die niet mogen en hij vreest dat dit gevolgen heeft voor de toekomst. Eiser wijst daarbij op de beplanting die is aangelegd.

Wettelijk kader

4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat ter toetsing voorligt de omgevingsvergunning zoals die is verleend voor het aanleggen van een erfverharding voor de opslag van bieten. Zaken die tijdens eerdere procedures hebben gespeeld en de aangelegde beplanting maken geen onderdeel uit van deze omgevingsvergunning. De rechtbank kan daarover dan ook geen oordeel geven.

Anders dan eiser stelt, wordt het bouwblok door de verleende omgevingsvergunning niet vergroot. Het aanleggen van erfverharding is geen bouwen in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of het bestemmingsplan. Het gaat om een aanlegvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder b Wabo.

6. Ten aanzien van de verleende omgevingsvergunning heeft eiser ter zitting aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat voor het aanbrengen van de extra verhardingen, omdat de huidige verharding voldoet.

Het college heeft verwezen naar het advies van de AAB van 8 augustus 2019, uitgebracht naar aanleiding van een eerdere aanvraag van [naam vertegenwoordiger derde partij] voor het aanbrengen van verhardingen. De AAB concludeert dat de verharding noodzakelijk is voor de toekomstige bedrijfsvoering. Bij gebruik van verharding kunnen producten als bieten met minder productverlies en minder verontreiniging worden geladen. De verharding vermindert de kwetsbaarheid van het bedrijf voor weersomstandigheden en komt op langere termijn de toekomstbestendigheid van de bedrijfsvoering ten goede, aldus de AAB.

Hoewel dit AAB-advies op een eerdere aanvraag zag, is het advies naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk nog wel relevant. Immers, inhoudelijk gaat het om dezelfde vraag, te weten de noodzaak van de verharding buiten het bouwvlak. Verder is de huidige aanvraag kort na de datum van het advies ingediend op 16 augustus 2019.

De rechtbank komt het standpunt van het college, onder verwijzing naar het advies van de AAB, dat het noodzakelijk is dat de verharding wordt aangelegd, niet onaannemelijk voor. Eiser heeft zijn stelling dat de verharding niet nodig zou zijn niet onderbouwd, ook niet met een deskundig tegenbericht. Voor de verdere beoordeling zal de rechtbank er dan ook vanuit gaan dat het aanbrengen van de verharding noodzakelijk is in het kader van de agrarische bedrijfsvoering.

Het aanbrengen van de verharding is uitsluitend ten behoeve van de tijdelijke opslag van bieten en beperkt tot een maximum van 600 m2. Verder is niet gebleken van onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden of van de waterhuishoudkundige situatie. Dit betekent dat wordt voldaan aan de criteria opgenomen in artikel 4.6.4 van de planregels. Het college heeft dan ook op goede gronden een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van de erfverharding van 600 m2 voor de tijdelijke opslag van bieten.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 29 september 2020 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage – wettelijk kader

1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Ter plaatse van het perceel [adres] te [plaatsnaam] geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Veegplan 1’. De gronden hebben de bestemming ‘agrarisch – 2’.

Op grond van het bepaalde in artikel 4.6.1 van de planregels is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 4.6.4. opgenomen omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.

In artikel 4.6.3 van de planregels is bepaald dat de in artikel 4.6.1 bedoelde vergunning slechts wordt verleend indien na een belangenafweging blijkt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden opgenomen in 4.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 4.6.4 de toetsingscriteria weergegeven.

In artikel 4.6.4 van de planregels is bepaald dat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden, voor het aanbrengen van een oppervlakteverharding groter dan 200 m2, aan de volgende criteria moet voldoen:

- er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden;
- het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik en betreft het aanbrengen van verhardingen in de vorm van paden;

- het aanbrengen van verhardingen moet noodzakelijk zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering en betreft het aanbrengen van verhardingen uitsluitend ten behoeve van tijdelijke opslag van bieten en tot een maximum oppervlak van 600 m2 per agrarisch bedrijf;
- de waterhuishoudkundige situatie mag niet onevenredig worden aangetast.
Hierbij geldt dat de beoordeling van de waterhuishoudkundige situatie pas plaats vindt bij oppervlakteverhardingen boven de 2000 m2.