Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4469

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
AWB 19_6590
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het besluit van 22 augustus 2019 (primaire besluit) heeft het college uitkering op grond van de Participatiewet van eiser teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/6590 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 22 augustus 2019 (primaire besluit) heeft het college uitkering op grond van de Participatiewet van eiser teruggevorderd.

In het besluit van 4 december 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 25 juni 2020. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en [naam vertegenwoordiger namens het college] namens het college.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Eiser ontvangt vanaf 9 april 2013 een bijstandsuitkering voor de kosten van levensonderhoud naar de norm voor een alleenstaande.

Eiser is door zijn vader onterfd. Vader is op 29 september 2018 overleden.

Eiser heeft op 29 april 2019 in totaal € 40.714,00 ontvangen, bestaande uit € 11.195,00 als kindsdeel van de nalatenschap van zijn moeder, en € 29.519,00 als legitieme portie van de nalatenschap van zijn vader. Eiser heeft dit op 30 april 2019 doorgegeven aan het college.

In een besluit van 13 juni 2019 heeft het college het recht op uitkering met ingang van 29 april 2019 definitief stop gezet in verband met de erfenis die eiser ontvangen heeft.

In het primaire besluit heeft het college de te veel betaalde uitkering over de periode van 29 september 2018 tot en met 28 april 2019 teruggevorderd.

2. Standpunt van het college

Het college heeft eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Volgens het college ontstaat de aanspraak op het erfdeel op de datum van overlijden van de erflater. De ingangsdatum van de terugvordering is daarom de dag van overlijden of, als dit later is, de aanvangsdatum van de bijstandsverlening. Dit is ook bij eiser zo. Op de dag van overlijden van zijn vader was de vermogensgrens voor een alleenstaande € 6.020,00. Eiser had per die datum achteraf aanspraak op vermogen. Met de bijschrijving van in ieder geval het bedrag van € 29.519,00 uit de nalatenschap van vader werd het vrij te laten vermogen overschreden. Eiser beschikte daarmee over middelen (vermogen), waardoor aan hem over de periode 29 september 2018 tot en met 28 april 2019 ten onrechte bijstand is verstrekt. De totale vordering van het college bedraagt (€ 3.663,38 bruto over 2018 + € 4.271,65 netto over 2019 =) € 7.935,03. Er zijn geen dringende redenen vastgesteld om van terugvordering af te zien. In verband met een nog openstaand recht aan vakantiegeld moet eiser € 7.739,25 terugbetalen.

3. Beroepsgronden

Eiser voert aan dat moet worden afgeweken van de vaste rechtspraak die het college als uitgangspunt heeft genomen, omdat hij is onterfd door zijn vader. Daardoor heeft hij geen recht op een erfdeel. Een legitieme portie is geen erfdeel, maar een vordering op de boedel. De vordering ontstaat pas na een wilshandeling van eiser. Eiser mocht zich volgens de wet pas zes maanden nadat zijn vader was overleden, melden om aanspraak te maken op de legitieme portie. Dat heeft hij gedaan. Het recht op bijstand mag daarom pas worden ingetrokken en teruggevorderd per 29 maart 2019.

4. Wettelijk kader

In artikel 4:79 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de legitimaris ter zake van zijn legitieme portie een vordering kan verkrijgen op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig artikel 80 lid 1.

Artikel 4:80, eerste lid, van het BW bepaalt dat een legitimaris die daarop aanspraak maakt, ter zake van hetgeen hem met inachtneming van de artikelen 70 tot en met 76 als legitieme portie toekomt, een vordering in geld heeft op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13, op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van de erflater.

In artikel 4:81 van het BW is bepaald dat de vordering niet opeisbaar is voordat zes maanden zijn verstreken na het overlijden van de erflater.

In artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op algemene bijstand indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

In artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet, is bepaald dat tot de middelen worden gerekend: alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

In het derde lid is de hoogte van het maximaal vrij te laten bescheiden vermogen vastgelegd.

In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet is bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor over de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen beschikt of kan beschikken.

5. Beoordeling door de rechtbank

In geschil is de terugvordering van verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 29 september 2018, de datum van overlijden van de erflater, tot en met 28 maart 2019, het moment waarop de legitieme portie opeisbaar werd.

Het college heeft de kosten van verleende bijstand teruggevorderd met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:862) ligt aan dit artikel de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn verleend wanneer de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de bijstand. Dit artikel biedt dan ook een zelfstandige terugvorderingsgrond, wanneer bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan. Hieraan hoeft dus geen intrekkingsbesluit vooraf te gaan.

Volgens dezelfde vaste rechtspraak ontstaat de aanspraak op een erfdeel op het tijdstip van overlijden van de erflater.

Eiser betwist deze rechtspraak niet, maar vindt dat er in zijn geval van moet worden afgeweken omdat naar zijn mening de legitieme portie geen erfdeel is, maar een vordering op de boedel die hij, gelet op artikel 4:81 van het BW, pas zes maanden na het overlijden van zijn vader mocht opeisen, en er voor dat opeisen een wilshandeling van hem nodig was.

De rechtbank overweegt dat de situatie van eiser vergelijkbaar is met die waarin aan een persoon (de legataris) een legaat van een geldsom is toegekend. Op grond van artikel 4:117 van het BW heeft de legataris een vorderingsrecht jegens de gezamenlijke erfgenamen. Uit artikel 4:125 BW volgt dat de vordering zes maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar wordt, tenzij de erflater anders heeft beschikt. De CRvB heeft in haar uitspraak van 23 april 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:1403) geoordeeld dat bij een legaat van een geldsom de vaste rechtspraak van toepassing is dat de aanspraak ontstaat op het moment van overlijden van de erflater, ook al wordt de vordering, als de erflater niet anders heeft beschikt, pas zes maanden na het overlijden van de erflater opeisbaar. De rechtbank ziet, mede gelet op het complementaire karakter van de bijstand, geen aanleiding om hier anders over te oordelen als het gaat om de aanspraak van een onterfd kind op de legitieme portie. Dat de legitieme portie alleen wordt uitgekeerd als het onterfde kind hier een aanspraak op doet gelden, maakt dat niet anders. Ook de legitieme portie is een erfdeel. Daarnaast is het een vordering op de boedel. Het één sluit het ander niet uit.

Het college heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser op 29 september 2018 in verband met het overlijden van zijn vader aanspraak heeft gekregen op middelen uit een nalatenschap waarover hij nog niet kon beschikken ten bedrage van € 29.519,00. Het college was dan ook bevoegd om de verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 29 september 2018 tot en met 28 maart 2019 terug te vorderen.

Eiser heeft geen beroepsgrond aangevoerd tegen de berekening van het teruggevorderde bedrag. Hij heeft evenmin gesteld dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid om terug te vorderen gebruik mocht maken.

Gelet op wat hierboven is overwogen, zal het beroep zal ongegrond worden verklaard.

6. Proceskosten

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier op 21 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.