Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4459

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
02-040395-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor Opiumwet, Wet wegverkeer goederen en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Verweer onrechtmatig bewijs verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/040395-20

vonnis van de meervoudige kamer van 22 september 2020

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [Geboorteplaats]

wonende te aan [Adres]

raadsman mr. Woodrow, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2020. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,

mr. Van der Hamsvoord, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

Feit 1

verdachte chemisch afval, bevattende amfetamine, heeft vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad;

Feit 2

verdachte een bestelbus voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of had moeten vermoeden dat dit een van diefstal afkomstig goed betrof;

Feit 3

verdachte als bestuurder van een bestelbus wist of had moeten vermoeden dat er valse kentekenplaten op deze bestelbus waren aangebracht;

Feit 4

verdachte een bestelbus heeft bestuurd die te zwaar was beladen;

Feit 5

verdachte niet op de voorgeschreven wijze gevaarlijke stoffen heeft vervoerd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Met betrekking tot feit 1 acht de officier van justitie bewezen dat verdachte opzettelijk een hoeveelheid chemisch afval (bevattende amfetamine) heeft vervoerd. De omstandigheden waaronder verdachte is aangehouden in combinatie met het uitblijven van een verklaring maken dat verdachte wist dat hij chemisch afval (bevattende amfetamine) aan het vervoeren was. Ter zake van feit 2 acht de officier van justitie de schuldheling van de bestelbus wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van verdachte in combinatie met hetgeen hij aan het doen was maken dat hij had moeten vermoeden dat de bestelbus van diefstal afkomstig was. Ten aanzien van feit 3 verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs uit het dossier naar voren komt dat verdachte heeft geweten dat hij met valse kentekenplaten reed. De officier van justitie acht feit 4 bewezen en merkt daarbij op dat zij de verklaring van verdachte dat hij hier geen weet van heeft gehad ongeloofwaardig acht. Ten slotte kan feit 5 worden bewezen nu gedetailleerd is aangegeven welke stoffen dit zijn. Dat verdachte hiervan geen weet heeft gehad acht de officier van justitie – in het licht van hetgeen zij onder feit 1 heeft aangevoerd – niet geloofwaardig.

De officier van justitie heeft in repliek aangevoerd dat er geen sprake is geweest van het onrechtmatig inspecteren van de lading van de bestelbus. Gezien werd dat het knipperlicht van de bestelbus niet goed werkte en dat de bestelbus te zwaar was beladen. Op basis van de Wegenverkeerswet is verdachte staande gehouden. Hierna hadden de verbalisanten – gelet op de omstandigheden – wel degelijk een controlebevoegdheid en hadden ze gezien de eerdere constatering van de lading ook de bevoegdheid de lading te controleren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat het openen van de laadklep van de bestelbus onrechtmatig is geweest en dat het bewijs dat hieruit vergaard is, dient te worden uitgesloten. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende wettig en bewijs is om tot een bewezenverklaring van de aan verdachte gelegde feiten te komen. Ter zake van feit 1 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen weet heeft gehad van de inhoud van de lading. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte de sleutel en de bus mee heeft gekregen. In de bus heeft hij geen sporen van braak kunnen waarnemen. Hetzelfde geldt voor feit 3. Er waren geen omstandigheden waaruit bleek dat er valse kentekenplaten op de bus waren aangebracht. Voor feit 4 heeft te gelden dat er sprake is van een feitelijke constatering. Van belang is dat verdachte er geen weet van heeft gehad. Ten slotte heeft de verdediging met betrekking tot feit 5 aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad nu hij niet op de hoogte was van de inhoud van de bus. In dat geval is er geen sprake van het met (voorwaardelijk) opzet de wet overtreden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

(on)rechtmatig verkregen bewijs

Door de verdediging is aangevoerd dat de verbalisanten onrechtmatig de lading van de bus zouden hebben gecontroleerd en dat daardoor het bewijs onrechtmatig is verkregen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen kan het volgende worden afgeleid.

Op 29 mei 2018 omstreeks 00.05 uur zien verbalisanten langs de N260 [Straatnaam 2] te Gilze een witte bestelbus zonder belettering rijden. Gezien werd dat de richtingaanwijzer naar links niet goed werkte en erg snel knipperde. Tevens leek het voertuig zwaar beladen. De bak reed laag op zijn vering. Nadat het voertuig een parkeerplaats op reed en vervolgens weer omdraaide om eraf te rijden werd op grond van de Wegenverkeerswet een stopteken gegeven waaraan gevolg werd gegeven. Verdachte werd ambtshalve herkend en overhandigde zijn rijbewijs. Verdachte was gekleed in een ' [Naam 1] ' shirt. Op de vraag van de verbalisant of verdachte aan het werk was antwoordde verdachte bevestigend. Toen de verbalisant vroeg wat hij op dit parkeerterrein te zoeken had, zei verdachte: "dat weet ik eigenlijk ook niet".

Uit hetgeen hierboven staat gerelateerd volgt dat de verbalisanten verdachte hebben staande gehouden ter controle van de voorschriften van de Wegenverkeerswet 1994. Gezien de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden hebben zij daarbij geen misbruik gemaakt van hun bevoegdheden. Verbalisanten hebben verdachte een stopteken gegeven en naar zijn rijbewijs gevraagd. Verdachte heeft hier gevolg aan gegeven. Er was op dat moment nog geen sprake van een verdenking van enig strafbaar feit en evenmin was op dat moment sprake van enige opsporingshandeling. De rechtbank constateert dan ook dat er sprake is geweest van een rechtmatige staandehouding.

De vraag die vervolgens aan de orde is, is of de verbalisanten bevoegd waren om op grond van de Wet wegvoervoer goederen de laadklep van de bestelbus te openen en vervolgens de laadruimte te controleren.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen besloot de verbalisant, vanuit zijn rol als toezichthouder, om de lading op inhoud voor de Wet wegvervoer goederen te controleren. Op de vraag aan verdachte of hij goederen vervoerde antwoordde verdachte: “ik zeg niks”. Op de vraag of verdachte pakketjes vervoerde – gelet op het dragen van een [Naam 1] – shirt antwoordde hij dat hij inderdaad pakketjes vervoerde voor [Naam 1] . Verdachte had het laatste pakketje afgegeven in Antwerpen. Op de constatering van de verbalisant dat dit wel erg ver weg was, gaf verdachte aan dat hem dit niks aan ging. Op de vraag of verdachte de laadklep wilde openen gaf verdachte aan hier geen medewerking aan te willen geven. Hij wist niet hoe de klep open moest. Verdachte is op verzoek van de verbalisant naar de achterkant van de bus gelopen. De andere verbalisant heeft de deur van laadruimte geopend en zich toeging verschaft tot de laadruimte. Haar ogen begonnen direct te branden en ze werd misselijk. Vanuit de deuropening werd één blauw vat gezien en meerdere grote, zogenaamde IBC vaten. Er werd een sterke chemische lucht vanuit de laadruimte geroken. Hierop is verdachte op grond van de Opiumwet aangehouden.

De rechtbank overweegt dat in artikel 1, aanhef en onder 4⁰ van de Wet op de economische delicten een aantal bepalingen van de Wet wegverkeer goederen strafbaar is gesteld. Die wet is van toepassing op het beroepsverkeer. Artikel 23 van de Wet op de economische delicten geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid om in het belang van de opsporing vervoermiddelen en hun lading te onderzoeken.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of er concrete aanwijzingen waren dat de voorschriften van de Wet wegverkeer goederen niet werden nageleefd. De rechtbank acht deze concrete aanwijzingen wel degelijk aanwezig. Er was sprake van vervoer in een bestelbus, die volgens de bevindingen van de verbalisanten te zwaar beladen leek. Verdachte gaf verder op de vraag of hij goederen vervoerde aan dat hij niks zei en daarna dat hij pakketjes bezorgde voor [Naam 1] en dat hij het laatste pakketje had afgegeven in Antwerpen. Deze feiten en omstandigheden maken dat er voldoende aanwijzingen waren dat de Wet wegverkeer goederen mogelijk niet werd nageleefd. Het zonder toestemming openen van de laadklep van de bus was vervolgens de enige mogelijkheid om te controleren hoe het met de lading was gesteld en of de wet werd overtreden.

De rechtbank vindt – gelet op het bovenstaande – dat de verbalisanten dan ook niet ten onrechte gebruik hebben gemaakt van deze aan hen toekomende controlebevoegdheid. De controlebevoegdheid van de Wet wegvervoer goederen is zodanig geformuleerd, dat de bestuurder/eigenaar van een auto niet zomaar geconfronteerd wordt met een willekeurige controle van de lading zonder enige aanwijzing van een overtreding van de voorschriften van de Wet wegvervoer goederen. Nu deze aanwijzing er wel degelijk was is de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel dat het openen van de laadklep van de bestelbus rechtmatig is geweest. Na het openen van de laadklep begonnen de ogen van de verbalisant te branden en werd zij misselijk. Voorts werd er door beide verbalisanten een sterk chemische lucht waargenomen waarop verdachte op grond van de Opiumwet is aangehouden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Van een vormverzuim en in het verlengde daarvan onrechtmatig verkregen bewijs is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake en mag dus worden gebezigd.

Feiten 1 en 5

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen vast staan dat verdachte een hoeveelheid amfetamine heeft vervoerd. De verdediging heeft echter aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van hetgeen zich in de bus bevond en dat daardoor het opzet ontbreekt. De rechtbank overweegt als volgt. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen zien de verbalisanten op 29 mei 2018 midden in de nacht in Gilze een witte bestelbus zonder belettering rijden. Zij zagen dat de bestelbus tussen de weilanden, in de directe nabijheid van vliegbasis Gilze-Rijen reed. De bestelbus sloeg ineens af richting de parkeerplaats achter het café [Naam 2] Verbalisanten zagen dat de bestelbus te zwaar beladen leek.Vervolgens zagen zij dat de bestelbus een parkeerplaats op reed en even later omdraaide om er weer vanaf te rijden. Verbalisanten hebben vervolgens een stopteken gegeven en zagen dat de bestuurder, verdachte, een blauw [Naam 1] shirt droeg. Verdachte wilde niet zeggen wat hij op het parkeerterrein deed, gaf aan pakketjes te vervoeren en dat het laatste pakketje in Antwerpen was afgegeven. Verdachte had echter geen transportdocumenten bij zich. Verdachte wilde de laadklep niet openen , omdat zijn baas dat niet leuk zou vinden. Daarna zei verdachte dat hij niet wist hoe de laadklep open moest. Verbalisant zei toen dat hij dat wel erg vreemd vond gezien de verklaring van verdachte dat hij pakketjes voor [Naam 1] aan het vervoeren was. Hierop zei verdachte: “Ik zeg niets meer.” Verbalisant heeft de laadklep geopend en daarin werd vervolgens het drugsafval aangetroffen. De bus bleek gestolen te zijn en voorzien van valse kentekenplaten.

Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wel degelijk wetenschap had van het drugsafval achter in de bus die hij bestuurde. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij niet wist van wie de bus was en ook niet wist wat er in de bus zat, maar dat acht de rechtbank, gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, ongeloofwaardig. Verdachte reed midden in de nacht tussen de weilanden in Hulten in een te zwaar beladen gestolen bus met valse kentekenplaten. In de bus werd vervolgens een hoeveelheid drugsafval aangetroffen. Dat schreeuwt om een uitleg en die uitleg geeft verdachte niet.

Als verdachte inderdaad niet wist wat er in de bus zat, had hij niet verklaard dat hij pakketjes voor [Naam 1] aan het vervoeren was. Bovendien valt in dat geval niet in te zien waarom verdachte zijn medewerking aan het controleren van de lading niet wilde geven en, sterker, probeerde te voorkomen dat deze werd gecontroleerd door te verklaren dat zijn baas dat niet leuk zou vinden en dat hij niet wist hoe de laadklep open moest, terwijl dit - zo bleek later – heel eenvoudig was. Op verdere vragen heeft verdachte geen antwoord willen geven. Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte wel degelijk wetenschap heeft gehad van de inhoud van de lading van de bestelbus. Dit impliceert niet alleen wetenschap van een hoeveelheid amfetamine, maar tevens wetenschap van een hoeveelheid natriumhydroxide. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 5.

Feiten 2 en 3

De rechtbank is van oordeel dat de heling van de bestelbus, merk Mercedes niet kan worden bewezen en overweegt hiertoe het volgende. De bestelbus werd tussen 20 en 24 mei 2018 weggenomen. Op 29 mei 2018 werd verdachte aangehouden, terwijl hij als bestuurder in de bestelbus reed. Uit het dossier valt niet af te leiden dat er braakschade is waargenomen. Ook is naar de uiterlijke verschijningsvorm niet uit het dossier af te leiden dat verdachte heeft kunnen zien of dat hij moest vermoeden dat de bestelbus gestolen was. De bestelbus bleek ook voorzien van valse kentekenplaten. Ook dat was niet direct zichtbaar.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend bewijzen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Feit 4

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen op grond van de bewijsmiddelen als genoemd in bijlage II.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1

hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen
opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer ongeveer 3950 liter chemisch afval, bevattende amfetamine, in elk geval
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;

Feit 4

hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, op de voor het
openbaar verkeer openstaande weg, de [Straatnaam 1] , beroepsvervoer of eigen
vervoer heeft verricht, althans heeft doen verrichten, met een vrachtauto, te weten
een bestelbus/bedrijfsauto, merk Mercedes, voorzien van het kenteken [Kenteken] ,
ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met
artikelen 5.18.17d lid 2 en 3 en 5.18.17e lid 2 van de Regeling voertuigen, aangezien
die vrachtauto zodanig was beladen dat de last van enige as of asstel, te weten de
as 1, 2900 kilogram, in elk geval meer dan de toegestane maximumlast van 1850
kilogram, bedroeg
en/of
as 2, 5180 kilogram, in elk geval meer dan de toegestane maximumlast van 2300
kilogram bedroeg ;

Feit 5
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten in de gemeente Gilze en Rijen,
al dan niet opzettelijk,
handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen heeft verricht
ten aanzien van een gevaarlijke stof, te weten natriumhydroxide
en met een vervoermiddel, te weten een bestelbus/bedrijfsauto, merk Mercedes,
kenteken [Kenteken] dat is aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van
genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde
regels, aangezien er in de laadruimte van die bestelbus/bedrijfsauto een
IBC(Intermediate Bulc Container) was geladen, gevuld met ongeveer 1000 liter
lichtgele vloeistof, bevattende natriumhydroxride;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Met betrekking tot feit 4 is sprake van een overtreding en kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij een bewezenverklaring verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Een gevangenisstraf zal de ingeslagen goede weg doorkruisen. De raadsman verzoekt daarom bij een bewezenverklaring een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft op 29 mei 2018 een grote hoeveelheid chemisch afval, bevattende amfetamine vervoerd. Door het vervoeren van het drugsafval heeft verdachte zijn steentje bijgedragen aan de hele keten van de productie van synthetische drugs.

Door de productie van amfetamine wordt de volksgezondheid en het milieu ernstig bedreigd. Het gebruik van amfetamine brengt niet alleen gezondheidsrisico’s mee voor de gebruiker. Bij de productie ontstaat brand- en ontploffingsgevaar. Chemisch afval afkomstig van de laboratoria waar synthetische drugs worden gemaakt, wordt vaak in de natuur gedumpt en leidt daar tot schade en risico’s voor mens en milieu. Daarnaast gaat de productie van en de handel in synthetische drugs gepaard met allerlei bijkomende vormen van georganiseerde criminaliteit, onder meer gericht op het verhullen en beschermen van deze activiteit. Daarbij worden fors geweld en bedreigingen niet geschuwd. Ten slotte leidt amfetaminegebruik vaak tot vermogensdelicten, omdat de gebruikers van amfetamine op die manier hun gebruik bekostigen.

Door zijn handelen heeft verdachte ook inbreuk gemaakt op de regelgeving die beoogt de met het vervoer van gevaarlijke stoffen gepaard gaande risico’s te beperken. Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wegvervoer goederen nu zijn bestelbus te zwaar beladen was. Verdachte heeft zich op geen enkele manier bekommerd om de negatieve bijeffecten van zijn handelen. Hij heeft ook geen enkele openheid van zaken gegeven hetgeen de rechtbank hem aanrekent.

Verder constateert de rechtbank dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht in de gegeven omstandigheden tot matiging van straf moet leiden. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, ondanks zijn omvangrijke strafblad, niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu het vonnis van heden – zonder een kennelijk verschuldigbare reden – meer dan twee jaar wordt gewezen na het moment waarop verdachte is aangehouden en in de gelegenheid is gesteld in deze zaak te worden gehoord.

Normaal gesproken zou de rechtbank, gezien de ernst van de feiten, een gevangenisstraf aan verdachte hebben opgelegd. De overschrijding van de redelijke termijn maakt dat de rechtbank zal kiezen voor een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis passend en geboden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf brengt enerzijds de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking en heeft anderzijds tot doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu feit 4 een overtreding betreft en daar een aparte straf voor moet worden opgelegd zal de rechtbank verdachte voor dit feit schuldig verklaren zonder oplegging van straf.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 9a, 14a, 14b, 14c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 6 Wet wegvervoer goederen en artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod;

feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.6, eerste lid, van de Wet

wegverkeer goederen;

feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer

gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Feiten 1 en 5

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Feit 4

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Wijffels, voorzitter, mr. Dekker en mr. Fleskens, rechters, in tegenwoordigheid van De Klerk-Van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 september 2020.

mr. Dekker is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

9 Bijlage I

De tenlastelegging

1
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen
opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer ongeveer 3950 liter chemisch afval, bevattende amfetamine, in elk geval
een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

2
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen,
een goed te weten een bestelbus, (merk Mercedes, kleur wit), heeft verworven,
voorhanden gehad, en/of overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof;
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

3
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen als bestuurder
van een motorrijtuig, (bestelbus, merk Mercedes, kleur wit), voorzien van het
kenteken [Kenteken] , daarmede op de weg, de [Straatnaam 1] , heeft gereden, terwijl hij
wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat op dat motorrijtuig (een) teken(s) en/of
middel(en), te weten twee kentekenplaten, was/waren aangebracht waardoor de
herkenning, daaronder begrepen de herkenning met behulp van technische
voorzieningen, van het ingevolge artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994
gevoerde kenteken, werd bemoeilijkt;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
( art 41 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994, art 41 lid 2 ahf/ond a
Wegenverkeerswet 1994 )

4
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten, gemeente Gilze en Rijen, op de voor het
openbaar verkeer openstaande weg, de [Straatnaam 1] , beroepsvervoer of eigen
vervoer heeft verricht, althans heeft doen verrichten, met een vrachtauto, te weten
een bestelbus/bedrijfsauto, merk Mercedes, voorzien van het kenteken [Kenteken] ,
ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met
artikelen 5.18.17d lid 2 en 3 en 5.18.17e lid 2 van de Regeling voertuigen, aangezien
die vrachtauto zodanig was beladen dat de last van enige as of asstel, te weten de
as 1, 2900 kilogram, in elk geval meer dan de toegestane maximumlast van 1850
kilogram, bedroeg
en/of
as 2, 5180 kilogram, in elk geval meer dan de toegestane maximumlast van 2300
kilogram bedroeg ;
( art 2.6 lid 1 Wet wegvervoer goederen, art 2.6 lid 2 Wet wegvervoer goederen )

5
hij op of omstreeks 29 mei 2018 te Hulten in de gemeente Gilze en Rijen,
al dan niet opzettelijk,
handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke
stoffen heeft verricht
ten aanzien van een gevaarlijke stof, te weten natriumhydroxide
en met een vervoermiddel, te weten een bestelbus/bedrijfsauto, merk Mercedes,
kenteken [Kenteken] dat is aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van
genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde
regels, aangezien er in de laadruimte van die bestelbus/bedrijfsauto een
IBC(Intermediate Bulc Container) was geladen, gevuld met ongeveer 1000 liter
lichtgele vloeistof, bevattende natriumhydroxride;
( art 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen)

10 Bijlage II

De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018308214 Z van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 121.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 9 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 29 mei 2018 was ik, verbalisant belast met de incidentenafhandeling binnen

teamgebied Langstraat. Omstreeks 00.05 uur bevonden mijn collega en ik ons op de parkeerplaats bij tankstation [Naam 3] , gelegen langs de N260 [Straatnaam 2] te Gilze. Ik zag dat er een witte bestelbus zonder belettering over deze weg vanuit Gilze in de

richting van Tilburg reed. Ik zag dat de bestelbus links afsloeg naar de Burgemeester Ballingsweg te Hulten. Nadat wij met ons dienstvoertuig achter genoemd voertuig waren gaan rijden, zag ik dat het voertuig net voor de kruising met de Rijksweg ineens linksaf sloeg richting de parkeerplaats achter Café Restaurant [Naam 2] . Tevens zag ik dat het voertuig zwaar beladen leek. Ik zag dat de bak laag op zijn vering reed. Het voertuig reed naar de achterzijde van de parkeerplaats. Hij maakte vervolgens aanstalten om weer richting de in-uitgang van het parkeerterrein te rijden. Ik zag dat er één man als bestuurder in het voertuig zat. Ik besloot om het voertuig op grond van de Wegenverkeerswet een

stopteken te geven. Ik zag dat de bestuurder hieraan voldeed.

Op het moment dat ik uit het dienstvoertuig stapte en het rijbewijs van de bestuurder vorderde, herkende ik deze ambtshalve als zijnde [Verdachte] . Tevens zag ik dat [Verdachte] gekleed was in een ' [Naam 1] ' shirt. Ik vroeg hem of hij aan het werk was, waarop hij antwoordde met "Ja". Vervolgens vroeg ik aan hem wat hij dan op dit parkeerterrein te zoeken had. Hierop antwoordde hij "Dat weet ik eigenlijk ook niet".

Ik vroeg aan [Verdachte] of hij goederen vervoerde,

waarop hij antwoordde "Ik zeg niks". Vervolgens stelde ik de vraag of hij pakketjes vervoerde, gezien hij een [Naam 1] shirt droeg. Hierop zei hij "Ja, ik vervoer

inderdaad pakketjes voor [Naam 1] ". Ik vroeg waar hij zijn laatste pakketje had

afgegeven, waarop hij antwoordde "Antwerpen". Ik stelde dat ik dit wel erg ver weg

vond en vroeg hem waarom dat hij helemaal daar vandaan kwam. Ik hoorde dat hij

antwoordde met "Gaat je niks aan". Ik vroeg aan [Verdachte] of hij de laadklep voor me wilde openen, zodat ik de inhoud kon controleren. Ik hoorde dat hij zei dat hij hier geen medewerking aan wilde verlenen. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet wist hoe de klep open moest. Ik zei dat ik dit wel erg vreemd vond, gezien zijn verklaring dat hij met dit voertuig pakketjes voor het bedrijf [Naam 1] aan het vervoeren was. Ik hoorde dat [Verdachte] enkel antwoordde met "Ik zeg niks meer". Vervolgens zag ik dat mijn collega de deur opende en zich toegang verschafte tot de laadruimte. Ik zag vanuit de deuropening dat er één blauw vat in de laadruimte stond en meerdere grote, zogenaamde IBC vaten. Tevens rook ik direct een sterke chemische lucht vanuit de laadruimte. Ik bemerkte dat mijn collega dit ook rook, omdat zij vlug weer uit het voertuig sprong. Ik hoorde dat mijn collega zei dat er ook vloeistof op de vloer in de laadruimte lag.

Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 32 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 29 mei 2018 ontvingen wij het verzoek om een nader onderzoek in te stellen naar het vervoer van chemicaliën, gepleegd op dinsdag 29 mei 2018 te 0:09 uur, op

[Straatnaam 1] , ter hoogte van huisnummer [Straatnaam 1] , gemeente Hulten.

Tijdens de door ons uitgevoerde weging stelden wij het volgende vast:

As 1 As 2

Gewogen gewicht 2980 kg 5260 kg

Wettelijke correctie -80 kg -80 kg

Totaal 2900 kg 5180 kg

Toegestaan 1850 kg 2300 kg

Gelet hierop werd niet voldaan aan het gestelde in 5.18.17a lid 1 en 5.18.17d lid 1 van de Regeling Voertuigen. Toegelicht zij, dat indien sprake is van beroepsvervoer of eigen vervoer zoals bedoeld in de Wet wegvervoer goederen, sprake is van overtreding van artikel 2.6 lid 1 van de Wet wegvervoer goederen, welke is strafbaar gesteld in artikel 1 onder 4 van de Wet op economische delicten. Tevens zij toegelicht dat de op de achteras aangebrachte banden een maximaal draagvermogen per band hadden van 925 kilogram. Op de achteras waren aan beide zijden twee banden aangebracht (dubbellucht).
Derhalve was het totale draagvermogen van de banden 3700 kilogram en werden deze belast met een totale massa van 5180 kilogram, een overschrijding van 40%.

Het deskundigenverslag van de landelijke faciliteit ontmantelen van 29 mei 2018, pagina 18 van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Door LFO werd onderzoek gedaan naar de inhoud van de witte bestelbus waarin meerdere Intermediate Bulc Containers stonden.
In de laadruimte werden vier IBC's en een blauw kunsstof vat aangetroffen. Te weten:
1) Een IBC (Intermediate Bulk Container) met een inhoud van 800 liter die geheel gevuld was met een basische oranje/bruine vloeistof die voorzien was van een donker bruine olie achtige drijflaag. Van deze vloeistof werd een monster genomen. SIN AAHJ2250NL;
2) Een IBC (Intermediate Bulk Container) met een inhoud van 1.000 liter die geheel gevuld was met een basische oranje/bruine vloeistof die voorzien was van een donker bruine olie achtige drijflaag. Van deze vloeistof werd een monster genomen. Sin AAHJ2251NL;

3) Een IBC (Intermediate Bulk Container) met een inhoud van 1.000 liter die geheel gevuld was met een basische gelige transparante vloeistof. Van deze vloeistof werd een monster genomen. SIN AAHJ2252NL;
4) Een IBC (Intermediate Bulk Container) met een inhoud van 1.000 liter die geheel gevuld was met een pH neutrale oranje/bruine vloeistof die voorzien was van een donker bruine olie achtige drijflaag. Van deze vloeistof werd een monster genomen. SIN AAHJ2253NL.
5) Een kunststof blauw dop vat met een inhoud van 200 liter die gevuld was met circa 150 liter basische oranje kleurige vloeistof met daarop witte achtige drijfogen.

Interpretatie LFO
In totaal werd circa 3.950 liter aan chemisch afval aangetroffen. Geen van de aangetroffen IBC's en het vat was voorzien van etikettering met daarop de gegevens van de inhoud, de hoeveelheid en de gevaar indicatie.
Gezien de kleur, geur en pH waarde van het aangetroffen chemisch afval betreft het hier waarschijnlijk afval producten van de vervaardiging c.q. bewerking van (synthetische) drugs, waarschijnlijk amfetamine.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2018.06.18.034, d.d. 6 juli 2018 pagina 29 van voornoemd eindproces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Onderzoeksmateriaal en resultaten
AAHJ2250NL /Tl-A bevat /V-formylamfetamine,amfetamine en BMK
AAHJ2251NL /T2-A bevat /V-formylamfetamine en amfetamine
AAHJ2252NL /T3-A Is een sterk alkalische, waterige vloeistof
AAHJ2253NL /T4-A bevat /V-formylamfetamine

Conclusie:
Vraagstelling 1
In het onderzoeksmateriaal is amfetamine aangetoond. Amfetamine is vermeld op lijst I van de Opiumwet.
Vraagstelling 2
Het onderzoeksmateriaal is gerelateerd aan de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2018.06.18.034 , d.d. 23 november 2018 pagina 85 en 86 van voornoemd eindproces-verbaal. Dit rapport houdt onder meer in:

Interpretatie

De samenstelling van de vloeistof van [AAHJ2252NL/T3-A] past bij waterig afval van

de illegale vervaardiging van amfetamine. Dit afval ontstaat door het laten reageren van een zure amfetamine-bevattende waterige vloeistof met een overmaat oplossing van natriumhydroxide in water, meestal ca. 12,5 M (ca. 500 gram/liter). Als reactieproduct ontstaat een vloeistof bestaande uit twee lagen, namelijk een olieachtige bovenlaag (amfetamineolie) en een sterk alkalische waterige onderlaag zoals de vloeistof van [AAHJ2252NL/T3-A], De olieachtige bovenlaag wordt er af geschept en verder verwerkt, de onderlaag is afval. Uit de gemeten pH van boven de 14 kan worden afgeleid dat de natriumhydroxide concentratie in de vloeistof van [AAHJ2252NL/T3-A] (ruim) boven de 1 M (mol/liter=40 gram/liter) ligt.

Conclusie

De vloeistof van [AAHJ2252NL7T3-A] heeft een samenstelling die past bij een afvalfractie van de illegale vervaardiging van amfetamine. Deze afvalfractie is sterk alkalisch omdat het natriumhydroxide bevat. De concentratie natriumhydroxide in de vloeistof van [AAHJ2252NL/T3-A] ligt (ruim) boven de 40 gram per liter.

Het proces-verbaal vervoer gevaarlijke stoffen, pagina 9 van voornoemd eind-proces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Vaststelling vervoerde stoffen
Wij, verbalisanten, zagen dat geen van de IBC's die zich in de laadruimte bevonden was voorzien van enig kenmerk en etiket als bedoeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Uit het NFI-rapport, d.d. 6 juli 2018, blijkt dat één IBC was gevuld met een lichtgele vloeistof die, na onderzoek, kon worden aangemerkt als een sterk alkalische, waterige vloeistof met een pH > 14 (sterk basische stof). Uit het vervolgonderzoek van het NFI, d.d. 23 november 2018, kon worden afgeleid dat deze alkalische waterige vloeistof in ieder geval bestond uit natriumhydroxide.

Specificatie van de geconstateerde overtredingen

Artikel 5 gelet op artikel 6 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, juncto artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, juncto de hierna vermelde referentienummers van het ADR, gelet op het gestelde in artikel la onder 1 van de Wet op de economische delicten.