Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4456

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
AWB - 20_7354
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOB B VB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7354 WOB B VB

uitspraak van 22 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres,

gemachtigde: mr. D.J.C. Post,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de minister), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op haar verzoek van 23 augustus 2019 om verstrekking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

Eiseres heeft op 23 augustus 2019 verzocht om verstrekking van informatie, te weten (samengevat) alle documenten en andere gegevensdragers opgemaakt op of na 1 januari 2010 met betrekking tot ‘ [naam 1] ’ en/of ‘ [naam 2] ’ en/of ‘ [naam 1] ’ en/of ‘ [naam 4] ’ voor zover deze in het bezit zijn van VWS en/of IGJ.

Op 28 augustus 2019 heeft de minister de ontvangst van het verzoek bevestigd.

Op 27 september 2019 heeft de minister de beslistermijn met vier weken verlengd.

Op 10 oktober 2019 heeft de minister verzocht om precisering van het Wob-verzoek en eiseres uitgenodigd voor een gesprek.

In afwachting van dit gesprek is (de precisering van) het Wob-verzoek aangehouden.

Bij e-mail van 23 december 2019 heeft eiseres meegedeeld het Wob-verzoek voort te (willen) zetten en heeft zij de afspraken over de inkadering van het verzoek vastgelegd.

Op 13 juni 2020 heeft eiseres gewezen op de inmiddels verstreken tijd en beslistermijn en verzocht om in ieder geval binnen 14 dagen een beslissing te nemen.

Bij brief van 18 juni 2020 heeft eiseres de minister in gebreke gesteld.

Op 6 juli 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek.

De minister heeft bij brief van 23 juli 2020 gereageerd op het beroepschrift. De minister erkent dat de beslistermijn is overschreden; de behandeling heeft niet met de vereiste voortvarendheid plaatsgevonden. Daarnaast heeft de minister er op gewezen dat de behandeling enige tijd heeft stilgelegen in afwachting van de precisering van het verzoek, het verzoek heel omvangrijk is en dat er in deze zaak belangen van derden spelen. De minister geeft aan dat – vanwege de grote omvang – de beoordeling van het verzoek zal plaatsvinden door middel van vier deelbesluiten. Het eerste deelbesluit wordt binnen een aantal weken verwacht.

2. Wettelijk kader

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb). Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen (artikel 6:12, tweede lid, van de Awb).

3. Niet tijdig beslissen

De rechtbank stelt vast dat de termijn om te beslissen op het Wob-verzoek van eiseres inmiddels is verstreken. Dit heeft de minister ook erkend in de brief van 23 juli 2020.

Eiseres heeft de minister in gebreke gesteld. Sindsdien zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat de minister inmiddels wel heeft beslist. Het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar Wob-verzoek is daarom kennelijk gegrond.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank als het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge artikel 15b van de Wob bepaalt de bestuursrechter in geval van een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet of een beslissing op bezwaar tegen een dergelijk besluit waarbij nog geen besluit is bekendgemaakt, indien de omvang van het verzoek hiertoe aanleiding geeft, in afwijking van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt.

De minister heeft gesteld dat het Wob-verzoek een zodanige omvang heeft dat de beoordeling in vier deelbesluiten zal plaatsvinden, die elk enkele honderden documenten omvatten. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen. Desondanks zal de rechtbank de minister geen langere termijn geven om een eerste deelbesluit te nemen dan de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken. De minister heeft in de brief van 23 juli 2020 immers aangegeven dat dit besluit binnen “een aantal weken” wordt verwacht, terwijl inmiddels al meer dan acht weken zijn verstreken. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat de minister de overige deelbesluiten dient te nemen binnen zes weken na het nemen van het eerste deelbesluit, dus binnen acht weken na verzending van deze uitspraak.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de minister een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijnen worden overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

4. Proceskosten

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een beslissing op het Wob-verzoek van eiseres;

  • -

    draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een eerste deelbesluit te nemen en te verzenden;

  • -

    draagt de minister op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op de overige onderdelen van het Wob-verzoek en te verzenden;

  • -

    bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 15.000,-;

  • -

    draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 354,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, rechter, in aanwezigheid van

D. Alblas, griffier, op 22 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank.