Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4454

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
02-210920-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. Beroep op noodweer(exces) verworpen, want geen sprake van een noodweersituatie. Taakstraf van 100 uur met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/210920-19

vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2020

in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren op [Geboortedag] 1997 te [Geboorteplaats- en land]

wonende te [Adres]

raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 30 augustus 2019 te Tilburg heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt de verklaring van verdachte als uitgangspunt en stelt vast dat verdachte aangever [Slachtoffer] met kracht met een sleutel heeft gestoken in de linkerschouder.

De officier van justitie vordert om verdachte vrij te spreken van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat door de gedraging van verdachte geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De officier van justitie acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte door in paniek met een sleutel krachtig uit te halen in de richting van de hals van [Slachtoffer] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [Slachtoffer] als gevolg van dat geweld zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat kan worden vastgesteld dat verdachte eenmaal heeft uitgehaald in de richting van [Slachtoffer] , terwijl hij in zijn rechterhand een sleutelbos vasthad.

De verdediging verzoekt om verdachte integraal vrij te spreken, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [Slachtoffer] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt met de officier van justitie en de verdediging vast dat verdachte aangever [Slachtoffer] met kracht met een sleutel in zijn hand heeft geslagen, waardoor [Slachtoffer] een oppervlakkige steekverwonding aan zijn linkerschouder heeft opgelopen.

Poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling

Op basis van de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat het steken met een sleutel een poging tot doodslag oplevert. De rechtbank overweegt dat het eenmaal uithalen met een sleutel in de richting van de halsstreek van aangever [Slachtoffer] niet zonder meer de aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengt. De rechtbank zal verdachte dan ook van de tenlastegelegde poging tot doodslag vrijspreken.

De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling.

Door in blinde paniek met een scherp voorwerp, zoals een sleutel, in de hand met kracht uit te halen in de richting van de halsstreek van [Slachtoffer] is er een aanmerkelijke kans dat bij [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het steken met een sleutel in de halsstreek, waar vitale verbindingen voor het functioneren van het menselijke lichaam bij elkaar komen, kan immers leiden tot ernstige verwondingen met langdurige, mogelijk blijvende gevolgen.

Door gebruik te maken van de sleutelbos als verdedigingswapen heeft verdachte ook deze aanmerkelijke kans aanvaard. Verdachte had dan ook het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een poging om [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 30 augustus 2019 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Slachtoffer] met een sleutel in de schouder te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en beroept zich primair op noodweer en subsidiair op noodweerexces. Verdachte is onvrijwillig in een voor hem gevaarlijke en bedreigende situatie terecht gekomen. Verdachte is door [Slachtoffer] klemgereden en vervolgens hebben [Slachtoffer] en zijn vriend de confrontatie met verdachte opgezocht door gezamenlijk en dreigend op de portier van de auto van verdachte af te stappen, dit alles later op de avond, in het donker, op een min of meer afgelegen plek. Verdachte zag geen andere uitweg dan zichzelf en zijn auto te verdedigen en heeft daarom éénmaal uitgehaald met de sleutelbos in zijn hand. Het toegepaste verdedigingsmiddel was ook noodzakelijk en geboden, omdat vluchten geen optie was, nu verdachte met zijn auto was klemgereden en beide mannen in zijn richting kwamen.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie voert aan dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [Slachtoffer] en zijn vriend geweld zouden gaan gebruiken tegen verdachte. Indien wel sprake zou van een noodweersituatie zou zijn geweest, heeft verdachte niet proportioneel gehandeld. Verdachte had in zijn auto kunnen blijven zitten en de deurportieren kunnen vergrendelen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een gerechtvaardigd beroep op noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [Slachtoffer] en zijn vriend niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding in de richting van verdachte. Van een daadwerkelijk, onmiddellijk dreigend gevaar voor verdachte is niet gebleken. Doorslaggevend daarbij is dat verdachte zich in zijn auto bevond, die hij desnoods had kunnen vergrendelen, terwijl [Slachtoffer] en zijn vriend op hem af kwamen lopen. Dat zijn auto was klemgereden is intimiderend, maar maakt nog niet dat er daadwerkelijk gevaar op hem afkwam. Evenmin waren er eerder gewelddadige incidenten tussen betrokkenen voorgevallen waaruit verdachte kon afleiden dat hij concreet gevaar liep. Dat verdachte zich bedreigd voelde en de vrees voor zo'n aanranding had, rechtvaardigt geen verdedigingsactie.

Verdachte heeft een verkeerde inschatting gemaakt van de situatie waarin hij zich bevond door [Slachtoffer] – al dan niet uit door hem zelf noodzakelijk geachte voorzorg – met de sleutel(bos) te slaan. Het verweer dat verdachte handelde uit noodweer wordt verworpen.

Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in combinatie met een taakstraf voor de duur van 180 uur.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd nu zij primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer met een sleutel in zijn hand geslagen, met als gevolg een steekverwonding in de schouder. Daarmee heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte van 16 augustus 2020 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 3 september 2019. Uit het advies volgt dat verdachte zijn leven op orde heeft. Verdachte heeft een steunend sociaal netwerk in de vorm van zijn familie en vriendin. Er lijkt geen sprake te zijn van psychische- of agressieproblematiek die ten grondslag heeft gelegen aan het delictgedrag. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering heeft daarom geen indicaties om een toezicht bij de reclassering te adviseren.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het strafbare feit zware mishandeling is als uitgangspunt een gevangenisstraf van zes maanden vastgesteld. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging daartoe, waardoor de rechtbank het uitgangspunt voor de strafoplegging met een derde vermindert.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf in dit geval niet geïndiceerd is. In de persoon van verdachte, de omstandigheden waaronder verdachte tot het plegen van het strafbare feit is gekomen, de rol van het slachtoffer zelf en het uiteindelijke letsel dat hij heeft opgelopen, ziet de rechtbank reden om tot een andere strafsoort en -duur te komen.

Alles overziend zal de rechtbank verdachte een taakstraf opleggen van 100 uur met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [Slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 2.047,87 ingediend vanwege materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente. De gestelde materiële schade bestaat uit:

-

100,00

trui

-

370,00

Broek

-

208,58

gemiste inkomsten

-

10,00

simkaart en beltegoed

-

9,29

Reiskosten

697,87

Totaal materieel schade

Voor vergoeding van de immateriële schade wordt een bedrag van € 1.350,00 gevraagd, in verband met de fysieke en psychische gevolgen van het ten laste gelegde feit.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om de schadeposten gederfde inkomsten en reiskosten volledig toe te wijzen. De officier van justitie verzoekt tevens om de schadepost kleding (trui en broek) toe te wijzen, maar het bedrag te matigen. De vordering dient voor wat betreft de simkaart niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om het bedrag van de immateriële schade te matigen, gelet op het eigen aandeel van [Slachtoffer] . Verder verzoekt de officier van justitie vergoeding van de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2019 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit gegeven zijn pleidooi tot vrijspraak respectievelijk ontslag van alle rechtsvervolging om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten gemiste inkomsten en reiskosten van de vordering voldoende zijn onderbouwd en zal deze schadeposten dan ook toewijzen.

De rechtbank acht de gevraagde hoogte van de vergoeding voor de kleding onvoldoende onderbouwd en zal de vordering op dit punt matigen en toewijzen tot een bedrag van
€ 200,00. De vordering met betrekking tot de simkaart en het beltegoed wordt afgewezen, nu deze schade geen rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit.

In totaal acht de rechtbank een bedrag van € 417,87 ter zake van de materiële schade toewijsbaar.

De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij [Slachtoffer] door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal de immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid waarderen op € 500,00.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van gedeeltelijke eigen schuld van de benadeelde partij [Slachtoffer] , nu hij moedwillig en intimiderend (auto van verdachte blokkeren) de confrontatie met verdachte heeft opgezocht.

Om deze reden wijst de rechtbank maar de helft toe van het totale schadebedrag van

€ 917,87. De rechtbank stelt vast dat verdachte daarmee aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schade ter hoogte van € 458,94, waarvan € 208,94 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade.

De gevorderde wettelijke rente zal over dit bedrag worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd, te weten 30 augustus 2019.

Met betrekking tot de toegewezen vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Dat betekent dat het bedrag zal worden geïnd door het CJIB en dat als verdachte niet of niet tijdig betaalt, gijzeling kan worden toegepast als dwangmaatregel.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van € 458,94, waarvan € 208,94 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 30 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering voor het overige af;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] , € 458,94 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf
30 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 9 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk, voorzitter, mr. Diepenhorst en mr. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 september 2020.

Mr. Mullers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

hij op of omstreeks 30 augustus 2019 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Slachtoffer] met een mes, althans een sleutel, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de nek/schouder, althans het lichaam te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2019208252 (onderzoek Boreas/ZB4R019083) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 98.

De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 9 september 2020, inhoudende – zakelijk weergegeven -:

Op 30 augustus 2019 te Tilburg heb ik mijn sleutelbos stevig in mijn rechterhand vastgepakt en ben ik mijn auto uitgestapt. Vervolgens heb ik direct, met de sleutelbos in mijn hand, met kracht met mijn rechterhand uitgehaald in de richting van [Slachtoffer] , waardoor ik hem heb geraakt.

Het geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [Slachtoffer] , geboren op [Geboortedag slachtoffer] 1997 te [geboorteplaats slachtoffer] , opgesteld op 4 september 2019 te Tilburg, pagina 32 van het eindproces-verbaal.

Op 30 augustus 2019 is [Slachtoffer] op de Spoedeisende hulp van het [Ziekenhuis] in Tilburg door een arts onderzocht. Door de arts is bij [Slachtoffer] een oppervlakkige steekverwonding aan de linkerkant van zijn hals/linkerschouder waargenomen. De geschatte duur van de genezing bedraagt 2 tot 3 weken.