Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4418

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_1048
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/1048 PW

uitspraak van 18 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 11 februari 2020 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 januari 2020 (bestreden besluit) van het college over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 mei 2019 tot beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand op grond van de Participatiewet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 27 mei 2019 (primair besluit) heeft het college eisers bijstand op grond van de Participatiewet beëindigd per 1 mei 2019, ingetrokken over de periode 17 juli 2018 tot en met 30 april 2019 en een bedrag van € 13.619,59 teruggevorderd.

Bij brief van 26 juli 2019 heeft de voormalig gemachtigde van eiser, [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] (verder: [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] ), bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij bestreden besluit van 6 januari 2020 heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard vanwege een onverschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

2. In beroep voert eiser aan dat [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] reeds op 13 juni 2019 en daarmee dus tijdig bezwaar heeft gemaakt bij het college. Verder voert eiser aan dat het college zonder hoor of wederhoor het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt.

In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijke niet-ontvankelijk is.

4. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Niet in geschil is dat het primaire besluit is gedagtekend 27 mei 2019. Eiser heeft niet betwist dit besluit te hebben ontvangen. Het bepaalde in de artikel 6:7 en 6:8 van de Awb brengt dan mee dat de bezwaartermijn is aangevangen op 28 mei 2019 en dat 8 juli 2019 geldt als de laatste dag van de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kon worden ingediend.

Termijnen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met zeer bijzondere omstandigheden.

Eiser stelt dat [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] op 13 juni 2019 een bezwaarschrift namens hem heeft ingediend. Het college stelt van [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] namens eiser eerst op 29 juli 2019 een brief met als bijlage een bezwaarschrift met dagtekening 13 juni 2019 te hebben ontvangen.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is de enkele stelling dat een bezwaarschrift ter post is bezorgd onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaarschrift is verzonden. Het is in dat geval aan de afzender om aannemelijk te maken dat het poststuk ter post is bezorgd.

Eiser heeft een kopie van het eerder verzonden bezwaarschrift door [bedrijfsnaam voormalig gemachtigde] overgelegd en stelt dat de brief daadwerkelijk is verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiser met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat er binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift ter post is bezorgd. Het risico voor het niet kunnen aantonen dat een bezwaarschrift daadwerkelijk binnen de bezwaartermijn is verzonden, bijvoorbeeld door verzending per aangetekende post of per fax, moet dan ook voor rekening van eiser komen. De rechtbank merkt daarop op dat ook het handelen/nalaten van een door eiser benaderde persoon voor rekening en risico van eiser dient te blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het op 29 juli 2019 bij het college ontvangen bezwaarschrift de eerste aangetoonde reactie is op het primaire besluit van 27 mei 2019. Dit is na afloop van de bezwaartermijn en daarmee is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Eiser heeft geen reden aangegeven waarom zij niet binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift hebben kunnen indienen. Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

5. Nu het bezwaarschrift te laat is ingediend en eiser tijdens de bezwaarprocedure door het college in de gelegenheid is gesteld om de redenen voor de termijnoverschrijding aan te geven, mocht het college op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb - waarin sprake is van een zogeheten ‘kennelijkheid’ - afzien van horen, zodat naar het oordeel van de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden.

6. De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaar van eiser tegen het besluit van 27 mei 2019 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiser zal dan ook ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.