Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4407

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8022 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opleggen last onder bestuursdwang tot sluiten woning voor 3 maanden o.g.v. de Opiumwet (art. 13-B)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8022 OPIUMW VV

uitspraak van 21 september 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster] (verzoekster) en [naam verzoeker] (verzoeker), te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,

gemachtigde: mr. T.M. ten Velde,

en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam woningstichting] , te [vestigingsplaats woningstichting] .

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 augustus 2020 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake de sluiting van hun woning aan [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers] voor de duur van drie maanden. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 september 2020.

Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door M.F.M. van Gansen. Derde partij is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten

Verzoekers huren een woning aan [adres verzoekers] in [woonplaats verzoekers] . [naam woningstichting] is eigenaar van de woning.

Naar aanleiding van anonieme meldingen dat er gedeald werd in de woning en camerabeelden gemaakt door de politie waaruit bleek dat sprake was van kortstondige bezoekjes aan de woning hebben de politie Zeeland-West-Brabant en de afdeling Veiligheid & Wijken, team Toezicht en Handhaving op 27 mei 2020 een onderzoek ingesteld bij de woning.

Uit de bestuurlijke rapportage en de onderliggende processen-verbaal van bevindingen blijkt dat tijdens de doorzoeking van de woning de volgende goederen zijn aangetroffen:

- 100 gram amfetamine,

- 96 pillen 2C-B,

- 2,92 gram paddo’s,

- 21,64 gram hasjiesj,

- 1,9 gram hennep,

- 6,84 gram hasjiesj,

- 22,06 gram hennep,

- 0,58 gram hennep,

- 7 gram hennep,

- 500 pillen Cobra-120,

- € 2.475,- contant geld,

- boksbeugel,

- barbecue,

- sealbags,

- sealapparaat,

- 3 mobiele telefoons.

In een brief van 29 juni 2020 heeft de burgemeester aan verzoekers bericht dat hij voornemens is de woning te sluiten voor een periode van drie maanden.

Op 30 juni en 10 juli 2020 hebben telefonische zienswijzegesprekken plaatsgevonden met verzoeker en in brieven van 6 en 8 juli 2020 hebben verzoekers hun zienswijze schriftelijk kenbaar gemaakt.

In het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd en gelast om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiterlijk

25 augustus 2020 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In de brief van 24 augustus 2020 heeft de burgemeester laten weten dat de sluiting van de woning zal worden uitgesteld tot drie dagen nadat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist.

2. Standpunt verzoekers

Verzoekers hebben – samengevat – aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan, omdat de aangetroffen (hard)drugs niet voor de handel zou zijn bestemd, maar voor eigen gebruik. Daarnaast stellen verzoekers dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat in redelijkheid niet tot sluiting van de woning kan worden overgegaan. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.

3. Voorlopige voorziening

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Wettelijk kader

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en (b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond van artikel 2 van de Opiumwet – voor zover relevant – is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I:

(..)

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

(..)

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Amfetamine en 2C-B staan op lijst I.

5. Bevoegdheid tot sluiting

5.1

De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt in de door hem vastgestelde “Beleidsregels artikel 13b Opiumwet” (de beleidsregels).

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de beleidsregels bij de eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning en/of bij woningen behorende erven, een sluiting van 3 maanden volgt.

handelshoeveelheid

5.3

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kan de burgemeester bij zijn beoordeling van de vraag of sprake is van een handelshoeveelheid in redelijkheid aansluiten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria, inhoudende dat bij de aanwezigheid van een hoeveelheid harddrugs die groter is dan 0,5 gram of één pil in beginsel aannemelijk is dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking (zie AbRS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362). Dit criterium is ook in de beleidsregels verwerkt.

5.4

Verzoekers erkennen dat er 100 gram amfetamine en 96 pillen 2C-B in de woning zijn aangetroffen. Derhalve staat vast dat de gehanteerde grens is overschreden en is in beginsel aannemelijk dat het om een handelshoeveelheid harddrugs gaat die (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning.

5.5

Verzoekers hebben echter betwist dat de aangetroffen harddrugs voor de handel zou zijn bestemd en stellen dat deze voor eigen gebruik was. Zij stellen dat zij de drugs maandelijks in grote hoeveelheden inkopen omdat dit goedkoper is.

5.6

In een uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) heeft de AbRS overwogen dat het aan de rechthebbende is om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Wanneer de rechthebbende een helder en consistent betoog heeft over zijn eigen gebruik dat een geringe overschrijding van de grens vanwege dat gebruik aannemelijk maakt, geen andere zaken in het pand zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden, kan in de regel worden geoordeeld dat het tegendeel aannemelijk is gemaakt. Er is dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid drugs bestemd is voor de verkoop, aflevering en verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

De voorzieningenrechter dient dus te beoordelen of verzoekers aannemelijk hebben gemaakt dat de aangetroffen harddrugs niet aanwezig waren voor de verkoop, verstrekking of aflevering daarvan maar voor eigen gebruik.

5.7

Verzoekers zijn daarin naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet geslaagd. Allereerst is geen sprake van een geringe maar een zeer forse overschrijding van de toegestane grens voor eigen gebruik. In de woning zijn immers 296 gebruikershoeveelheden harddrugs aangetroffen. Verder zijn ook andere zaken in de woning aangetroffen die wijzen op drugshandel, namelijk de handelshoeveelheid softdrugs (hasjiesj, hennep, paddo’s), het contante geldbedrag van € 2.475,-, de sealbags en het sealapparaat en de mobiele telefoons met daarin berichten die duiden op drugshandel. Ook is sprake van andere feiten en omstandigheden die wijzen op drugshandel, zoals de anonieme meldingen dat gedeald werd in de woning, de camerabeelden gemaakt door de politie waaruit blijkt dat sprake was van kortstondige bezoekjes aan de woning en de verklaring van een verdachte in een (andere) strafzaak dat verzoeker zich bezighoudt met grootschalige drugshandel in binnen- en buitenland.

De verklaring van verzoekers dat zij de drugs maandelijks in grote hoeveelheden inkopen voor eigen gebruik omdat dit goedkoper is, is in het licht van het voorgaande naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk.

5.8

De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan.

6. Gebruikmaking van de bevoegdheid

6.1

Tussen partijen is verder in geschil of de burgemeester in dit geval in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

6.2

Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen (zie AbRS

28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912).

In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij is ook van belang of feitelijke handel heeft plaatsgevonden in of vanuit de woning of daarbij behorende erven. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken de verwijtbaarheid, de gevolgen van de sluiting en de aanwezigheid van minderjarige kinderen (zie AbRS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083).

6.3

De burgemeester stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

noodzaak

6.4

Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (zie AbRS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435).

6.5

Daarbij zijn in dit geval anonieme meldingen gedaan dat gedeald werd in de woning en heeft de politie camerabeelden gemaakt waaruit blijkt dat sprake was van kortstondige bezoekjes aan de woning, hetgeen erop duidt dat feitelijke handel heeft plaatsgevonden in of vanuit de woning. Dit wordt ook ondersteund door de inhoud van de berichten die op de in de woning aangetroffen mobiele telefoons stonden.

6.6

De voorzieningenrechter is op basis hiervan van voorlopig oordeel dat de burgemeester sluiting van de woning noodzakelijk kon achten ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

evenredigheid

6.7

Verzoekers voeren aan dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met hun persoonlijke omstandigheden. Verzoekster zou kampen met ernstige angststoornissen en verzoeker leidt aan een zeldzame aandoening in het autistische spectrum. Ter zitting is nog aangevoerd dat verzoeker onlangs in het ziekenhuis is opgenomen wegens problemen met zijn blaas en nu een katheter zou hebben. Sluiting van de woning is gelet op deze omstandigheden volgens verzoekers disproportioneel.

6.8

De voorzieningenrechter overweegt dat inherent aan een sluiting van een woning is dat de bewoners de woning moeten verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkenen een bijzondere binding hebben met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. De medische omstandigheden waar verzoekers zich op beroepen zijn niet met (medische) stukken onderbouwd en bovendien is niet gebleken dat deze omstandigheden ertoe leiden dat verzoekers in het bijzonder aan deze woning gebonden zijn.

6.9

De voorzieningenrechter komt op grond van het voorgaande tot het voorlopig oordeel dat niet gebleken is dat de sluiting van de woning onevenredig is in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De burgemeester kan dus in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten gebruik maken.

7. Conclusie

7.1

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier, op 21 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.