Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4398

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
02-700128-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

afrijden op agent, poging tot zware mishandeling, ASR en overschrijding van de redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700128-17

vonnis van de meervoudige kamer van 17 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 september 2020, waarbij de officier van justitie L. van den Oever en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 juni 2017 in Groede, gemeente Sluis (feit 2 en 3: in elk geval in Nederland en/of Belgie)

feit 1

met een motorvoertuig met hoge snelheid op [slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland-West-Brabant) is afgereden, wat aan verdachte wordt verweten als een poging tot doodslag, althans een poging tot zware mishandeling;

feit 2

een motorvoertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (345 microgram) en terwijl hij nog geen vijf jaren over zijn rijbewijs beschikte;

feit 3

als gevolg van meerdere gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij ten aanzien van de feiten 2 en 3 op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 1 voert zij aan dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken nu niet vastgesteld kan worden met welke snelheid verdachte op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Wel heeft verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit nu er twijfels bestaan over de juistheid van de verklaring van verbalisant [slachtoffer] . Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 28 juni 2017 een achtervolging door de Belgische politie heeft plaatsgevonden waarbij verdachte, als bestuurder van een motorvoertuig, een Ford Transit, is gevlucht voor de politie omdat hij onder invloed van alcohol verkeerde. Nadat de Nederlandse politie hier melding van kreeg heeft [slachtoffer] , hoofdagent van de politie Zeeland-West-Brabant, geprobeerd om de Noordweg in Groede grotendeels af te sluiten door met behulp van het dienstvoertuig een barrière te vormen. Het dienstvoertuig werd op de weg geparkeerd ter hoogte van de plaatsnaamborden. Aan de voorzijde van de twee plaatsnaamborden staat aan beide kanten van de weg een bloembak. Naast de weg bevindt zich een berm die over een breedte van ongeveer een halve meter verhard is met zogenaamde ‘doorgroei stenen’. De afstand tussen de twee plaatsnaamborden bedroeg 6,7 meter en het dienstvoertuig is 2,2 meter breed. Gelet hierop bedroeg de maximale doorrijdbreedte 4,5 meter. De feitelijke doorrijdbreedte is minder geweest omdat het dienstvoertuig niet direct tegen het plaatsnaambord stond. Ter plaatse was geen straatverlichting of overige verlichting aanwezig en buiten was het donker.

Verder stelt de rechtbank vast dat de Ford Transit van verdachte op enig moment met een hoge snelheid in de richting van de Nederlandse politie kwam rijden. [slachtoffer] opende toen het portier van het dienstvoertuig om een groter gedeelte van de weg af te sluiten. [slachtoffer] is uit het dienstvoertuig gestapt. Verdachte heeft afgeremd op het moment dat hij het dienstvoertuig zag staan. Hij werd verblind door het tegenlicht afkomstig van de koplampen van het dienstvoertuig en een stofwolk. Hij had nog kunnen remmen, maar hij besloot het dienstvoertuig langs de rechterkant door de berm voorbij te rijden door een uitwijkbeweging te maken. Op het moment van passeren reed hij tussen de 30 en 50 kilometer per uur. Er werd een bloembak geraakt. Doordat de Ford Transit van verdachte in de richting van [slachtoffer] kwam gereden heeft [slachtoffer] de noodzaak gevoeld om op het laatste moment weg te rennen om achter zijn dienstauto te komen en om zijn dienstwapen te gebruiken. Hij heeft eenmaal geschoten voordat de Ford Transit hem rakelings passeerde en hij weg moest springen. Hierna heeft hij nog tweemaal in de richting van de Ford Transit geschoten.

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer] ondersteund wordt door meerdere getuigenverklaringen in het dossier. Er zijn meerdere getuigen gehoord die verklaren dat zij zagen dat [slachtoffer] weg moest springen omdat hij anders werd aangereden, dat hij rakelings gepasseerd werd door de Ford Transit of dat zij dachten dat hij zou worden aangereden. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] , die op ambtsbelofte is opgemaakt en ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen betrouwbaar en zal deze daarom voor het bewijs gebruiken.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte op 28 juni 2017 in Groede op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Vervolgens is de juridische vraag of dit als een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling kan worden gekwalificeerd.

Het met een auto op iemand inrijden kán dodelijk letsel tot gevolg hebben, maar dat hangt onder meer af van de snelheid waarmee met de auto op iemand wordt ingereden en de positie van de auto ten opzichte van het slachtoffer. Niet is komen vast te staan dat verdachte met een hoge snelheid op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Evenmin is duidelijk geworden wat de exacte positie van verbalisant [slachtoffer] ten opzichte van de Ford Transit was toen verdachte met zijn auto op hem afreed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisant [slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat zij niet bewezen acht dat verdachte onvoorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Voor de rechtbank staat voldoende vast dat het niet de bedoeling van verdachte was om [slachtoffer] aan te rijden en hem te verwonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een persoon door een auto die met meer dan geringe snelheid rijdt – in dit geval tussen de 30 en 50 kilometer per uur - de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Ook verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest.

De vraag is vervolgens of de verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat de uitwijkmanoeuvre die verdachte stelt te hebben gemaakt dit niet uitsluit. Zowel het remmen als de stuurbeweging van verdachte als de combinatie van die twee handelingen, waren naar het oordeel van de rechtbank dermate inadequaat om een aanrijding te voorkomen - daarvoor was het zicht te slecht en de ruimte om het dienstvoertuig te passeren te klein - dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat deze handelingen van verdachte daarop gericht waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, worden opgemaakt dat het rijgedrag van de verdachte er veeleer op was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hem zou aanhouden, ook indien dat betekende dat hij anderen daarmee in gevaar bracht. Door in dit geval de barrière van de verbalisanten te negeren en niet op tijd en niet genoeg te remmen of uit te wijken om een aanrijding te voorkomen, heeft verdachte het aan laten komen op de vraag of [slachtoffer] erin zou slagen tijdig weg te komen. Daarmee heeft verdachte willens en wetens aanvaard dat – als dat niet zou gebeuren – [slachtoffer] door de aanrijding, die dan zou zijn gevolgd, zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Gelet hierop acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] bewezen.

feit 2

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verder in bijlage II genoemde bewijsmiddelen.

feit 3

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verder in bijlage II genoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt wel dat gelet op de wijze van tenlastelegging (namelijk door gebruik te maken van een impliciet subsidiair) verdachte zal moeten worden vrijgesproken van alle gedachtestreepjes die zien op gedragingen en/of onderdelen gepleegd in België.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1 subsidiair

op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland West-Brabant)

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een motorvoertuig op die [slachtoffer] af te rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis,

als bestuurder van een motorrijtuig, een Ford Transit,

dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel

8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 345 microgram,

per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was

vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs

was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van

het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

feit 3

op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis,

als bestuurder van een voertuig (een motorvoertuig

(Ford Transit)), daarmee rijdende op de weg, de Noordweg,

- met een hogere snelheid dan ter plaatse (binnen en buiten de bebouwde kom)

toegestaan heeft gereden op Nederlands grondgebied, en

- op hoofdagent van politie [slachtoffer] is afgereden,

en,

- het voertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcohol,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf ter hoogte van 180 uur te vervangen door 90 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en als bijkomende straf op te leggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar. Zij heeft bij haar eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de lange duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, rekening houdend met het tijdsverloop, aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen dan wel een geheel voorwaardelijke straf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling op een agent door met zijn auto op hem af te rijden. Verdachte was op dat moment alleen maar bezig om zo snel mogelijk weg te komen van de Belgische politie en heeft geen oog gehad voor de Nederlandse politieagenten die voor hem een barrière barricade vormden. Verdachte was bang dat zijn rijbewijs zou worden afgepakt omdat hij reed onder invloed van alcohol. De ervaring leert dat dit soort feiten grote impact op slachtoffers kunnen hebben. Dat het handelen van verdachte ook op [slachtoffer] een grote impact heeft gehad blijkt uit zijn onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Met name het feit dat hij zich door de dreiging die van het handelen van verdachte uitging, genoodzaakt voelde zijn vuurwapen te trekken en dat ook te gebruiken, heeft diepe indruk op [slachtoffer] gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat het handelen van verdachte niet alleen impact heeft gehad op [slachtoffer] , maar ook op de vier inzittenden van verdachtes auto die blijkens hun verklaringen erg bang waren. Verdachte was als bestuurder van de auto ook voor hun verantwoordelijk. Hij heeft met dit alles geen rekening gehouden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 augustus 2020 Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Emergis van 30 maart 2018 waarin wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het feit negentien jaar oud. Hij heeft de risico’s van zijn handelen slecht ingeschat en de gevolgen en consequenties hiervan nooit overzien. Vanuit het verdiepingsonderzoek uitgevoerd door de Forensische Zorg Zeeland komt naar voren dat de prefrontale cortex zich nog aan het ontwikkelen is van het zeventiende tot vierentwintigste levensjaar. Dit gebied gaat over zelfbeheersing, planning en vooruit denken. Daarnaast lijkt het onmiddellijk probleemoplossend vermogen en het denk- en handelingstempo op grond van de resultaten van het intelligentieonderzoek bij verdachte wat minder sterk ontwikkeld, dan wel lager te liggen onder invloed van stress. De invloed van alcohol lijkt een negatieve rol te hebben gespeeld in het adequaat beoordelen van situaties. Dit maakte het inschatten van de situatie en het in een split second afwegen wat te doen lastiger. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en houdt hier rekening mee bij de bepaling van de hoogte van de straf. Zij ziet in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om de in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht genoemde artikelen van het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging. De ernst en aard van het feit rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In deze zaak is echter sprake, zonder duidelijke reden en zonder dat hiervoor een verwijt kan worden gemaakt aan verdachte, van een behoorlijk tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn op

28 juni 2017, zijnde de datum waarop verdachte is aangehouden, en de berechting. De redelijke termijn in strafzaken waarbij het jeugdstrafrecht wordt toegepast van zestien maanden is daarmee met 22 maanden overschreden. Dit staat haaks op het uitgangspunt om in dit soort zaken snel op te treden teneinde een pedagogisch doel te bereiken. Dit is, zeker voor een adolescent, een (te) lange periode om in onzekerheid te verkeren over de afdoening van de zaak. De rechtbank weegt mee dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, hij zich sinds de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis heeft moeten houden aan de aanwijzingen en voorwaarden van de verslavingsreclassering, dat hij de LEMA cursus met succes heeft voltooid, dat hij sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie en dat hij zelf ook de gevolgen van zijn handelen heeft gevoeld door niet meer te kunnen beginnen aan door hem gewenste opleiding. De rechtbank acht het gelet op het vorenstaande niet opportuun om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Alle omstandigheden in aanmerking genomen zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van vijftien dagen met aftrek van voorarrest opleggen, met als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van één jaar. Deze voorwaardelijke rijontzetting dient als waarschuwing voor verdachte om in de toekomst beter na te denken over zijn gedrag in het verkeer.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 subsidiair) vordert een schadevergoeding van

€ 650,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht het, gelet op de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit immateriële schade heeft geleden, zodat zij grond ziet voor toewijzing van schadevergoeding. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende aannemelijk gemaakt en door de verdediging niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, waarbij de maatregel van gijzeling zal worden bepaald op dertien dagen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf de dag waarop het bewezen verklaarde feit is gepleegd, te weten 28 juni 2017.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77r, 77x, 77y, 77z, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: overtreding van het bepaalde in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van het bepaalde in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 15 (vijftien) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 (een) jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 650,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 28 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1 subsidiair), € 650,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 28 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt de duur van de maatregel van gijzeling op dertien dagen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.W. Haesen, voorzitter, mr. I.M. Josten en mr. W. Anker rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 september 2020.

10 Bijlage I

De tenlastelegging

feit 1

hij op of omstreeks 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland-West-Brabant)

opzettelijk

van het leven te beroven, door met hoge snelheid met een motorvoertuig op die

[slachtoffer] in/af te rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland West-Brabant)

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een motorvoertuig met hoge snelheid op die [slachtoffer] in/af te rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 2

hij op of omstreeks 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis, in elk geval in

Nederland en/of België als bestuurder van een motorrijtuig, een Ford Transit,

dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel

8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 345 microgram,

in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was

vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs

was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van

het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

feit 3

hij op of omstreeks 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis, in elk geval in

Nederland en/of België als bestuurder van een voertuig (een motorvoertuig

(Ford Transit)), daarmee rijdende op de weg, de Noordweg,

- met een hogere snelheid dan ter plaatse (binnen en buiten de bebouwde kom)

toegestaan rijden op Belgisch en Nederlands grondgebied, en/of

het hierdoor noodzakelijk maken voor de (Belgische) politie een

achtervolging in te zetten met hoge snelheid, en/of

- het met hoge snelheid op hoofdagent van politie [slachtoffer] af/in rijden,

en/of

het voor de politie noodzakelijk maken (gericht) op het motorvoertuig te

schieten, en/of

- het besturen van het voertuig na het gebruik van alcohol,

door niet te stoppen door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg

werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

11 Bijlage II

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

feit 1

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 99-101 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [slachtoffer] , inhoudende:

(..) Op woensdag 28 juni 2017, omstreeks 04.15 uur, kregen wij [hoofdagenten van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant] (..). Hier was de Belgische politie bezig met een achtervolging van een voertuig. (..) Hiermee wilde ik de weg middels ons dienstvoertuig grotendeels afsluiten om een barrière te vormen voor het naderende vluchtende voertuig en tevens goed mobiel blijven. Zoals ons dienstvoertuig stond opgesteld kon dit niet door het aankomende voertuig over de weg gepasseerd worden. Ter plaatse is de weg ongeveer 2,5 meter breed, het is een polderweg waarop twee voertuigen elkaar net kunnen passeren. De berm is over een breedte van ongeveer een halve meter verhard met zogenaamde "doorgroeistenen" (zij bijgevoegde foto). Ter plaatse was geen straatverlichting of overige verlichting aanwezig en het was er donker. (..) Ik, verbalisant [slachtoffer] , opende mijn portier en liet het portier openstaan om zo een groter gedeelte van de weg af te sluiten. Ik stapte links (bestuurderszijde) naast het portier en deed een stap naar voren en keek in de richting van het naderende voertuig. Ik schat dat het voertuig ongeveer 100 meter van mij verwijderd was. Ik zag dat het voertuig in mijn richting bleef doorrijden. (..) Op het allerlaatste moment, toen het voertuig nog ongeveer 20 meter van mij vandaan was, kreeg ik door dat het voertuig niet ging stoppen. Ik schat dat de snelheid van dat voertuig nog ongeveer 50 km/u bedroeg. Ik begon achteruit te lopen en bleef richting het naderende voertuig kijken. (..) Ik zag het voertuig recht op mij afkomen (..)Ik rende achteruit naar de achterzijde van ons dienstvoertuig omdat ik zag dat de bestuurder toch bleef doorrijden. Ik deed dat om dekking te zoeken en niet aangereden te worden. Ik zag het voertuig mij op een haar na voorbij razen met ongeveer dezelfde snelheid van ongeveer 40-50 km/uur.

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen geregistreerd onder proces-verbaalnummer PL2000-2017152280-36, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, dienst regionale recherche (ZB), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende:

(..) Gezien het feit dat de afstand tussen de twee plaatsnaamborden 6,7 meter bedroeg en het feit dat de politieauto 2,2 meter breed is, kan gesteld worden dat de

maximale- theoretische doorrijbreedte 4,5 meter bedraagt. Door ons kon niet worden

vastgesteld hoe de politieauto exact gestaan had. De feitelijke doorrijbreedte was

hoogstwaarschijnlijk minder dan 4,5 meter. De feitelijke doorrijbreedte had

maximaal 4,5 meter geweest, als de politieauto met de rechterzijkant nagenoeg tegen

het plaatsnaambord had gestaan.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor medeverdachte (opgenomen als bijlage op pagina 52-56 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

(..) Eerst zag ik dat de agent aan de bijrijderskant uitstapte. [verdachte] stuurde toen naar rechts. Ik zag dat de agent die achter het stuur zat ook zijn portier opende en uitstapte. [verdachte] reed gewoon door. Ik zag dat deze agent naar achteren moest rennen. Hij moest rennen voor zijn leven.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor medeverdachte (opgenomen als bijlage op pagina 65-71 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

(..) V: De Nederlandse agent, die jij als A hebt gemarkeerd, die geeft in zijn

proces-verbaal aan dat hij ziet dat er een Ford Transit met 50 kilometer per uur op hem afkomt. En dat hij op dat moment dacht dat hij dood ging. Wat zou jij doen dan in die situatie?

A: Ik zou in ieder geval niet gaan schieten op de bestuurder.

V: Wat denk je dan wat jij denkt in die situatie? Zou hij geraakt zijn?

A: Ja als hij, agent A, was blijven staan was hij wel geraakt.

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige (opgenomen als bijlage op pagina 108-110 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende de verklaring van [getuige 3] :

(..) Als de Nederlandse collega niet opzij was gesprongen, ben ik er zeker van dat de bestuurder van de Transit hem had aangereden.

- de verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 september 2020, inhoudende:

(..) Ik had gedronken en ik wilde niet gepakt worden. (..) Op het laatst moment zag ik die agent zo staan. Toen ik de politieauto zag aankomen reed ik denk ik wel 100 kilometer per uur. (..) Ik remde af, ik ben niet vol gas op hem afgereden. Ik zag een gaatje waar ik tussendoor kon rijden. (..) Ik maakte een uitwijkbeweging. (..) Ik zag niet veel door een stofwolk en het grote licht van de politiewagen. (..) Ik ben hem misschien met 30 kilometer per uur gepasseerd. Ik reed denk ik minder dan 50 kilometer per uur. (..) Ik had wel kunnen stoppen voor de politie.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 en feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

feit 2

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 september 2020;

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 104 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] ;

- een schriftelijk bescheid, te weten een alcoholademanalyse-formulier opgemaakt door [slachtoffer] (opgenomen als bijlage op pagina 116 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), inhoudende de ademanalyse van verdachte.

feit 3

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 september 2020;

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 99-101 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [slachtoffer] ;

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen (opgenomen als bijlage op pagina 102-105 van het proces-verbaal geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2017152280, van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche Zeeland), opgemaakt in de wettelijke vorm en inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] .