Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4372

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB-19_5617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

GEMWT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/5617 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaak tussen

[Eiser 1] en [Eiser 2] te [Plaatsnaam] , eisers,

gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[Naam derde partij] , te [Plaatsnaam] .

Procesverloop

In het besluit van 1 juli 2019 (bestreden besluit 1) heeft het college eisers een last onder dwangsom opgelegd. De last onder dwangsom had betrekking op aangebrachte dakisolatieplaten op hun woning aan de [Adres] te [Plaatsnaam] .

Eisers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft daarmee ingestemd en het bezwaarschrift vervolgens als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken. Het college heeft daartoe besloten nadat het op 27 september 2019 een omgevingsvergunning aan eisers heeft verleend ter legalisering van de aangebrachte dakisolatieplaten.

Het beroep van eisers wordt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 oktober 2019 (bestreden besluit 2).

Eisers hebben daarop bij brief van 15 januari 2020 gereageerd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 4 augustus 2020.

Eisers waren hierbij aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W.H. Renger. [Naam derde partij] is niet verschenen.

Overwegingen

1.1.

Eisers wonen op het adres [Adres] te [Plaatsnaam] . [Naam derde partij] woont in het naastgelegen pand [Adres 2] .

[Naam derde partij] heeft samen met [Naam buren eisers] , wonende in het pand aan de [Adres 3] , op 28 februari 2019 een handhavingsverzoek bij het college ingediend. Het handhavingsverzoek zag op de door eisers in 2011 aangebrachte dakisolatie. [Naam derde partij] en [Naam buren eisers] hebben in het handhavingsverzoek toegelicht dat de dakconstructie hierdoor is gewijzigd en sindsdien een permanente bron van overlast, schade en burenconflicten is en dat zij hebben vernomen dat voor de wijziging van de dakconstructie geen omgevingsvergunning is aangevraagd.

Bij brief van 6 maart 2019 heeft het college eisers gemeld dat het heeft vastgesteld dat voor de aangebrachte dakisolatieplaten een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Het bouwvolume is hiermee namelijk toegenomen volgens het college. Het college heeft eisers gewezen op de mogelijkheid om alsnog een omgevingsvergunning aan te vragen. Eisers hebben naar aanleiding daarvan hun zienswijze naar voren gebracht en bepleit dat volgens hen geen omgevingsvergunning is vereist.

Vervolgens heeft het college bij het bestreden besluit 1 eisers gelast om binnen zes maanden na de dag van verzending van het besluit de dakisolatieplaten tussen het dakbeschot en de dakpannen op de locatie aan de [Adres] , kadastraal bekend gemeente Breda, [Kadastrale gegevens] , nummer [Kadastrale gegevens] , te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft daarbij aangegeven dat, indien eisers niet tijdig en/of niet volledig voldoen aan de last, zij een dwangsom verbeuren van € 1.000,- ineens, te verhogen met de met de invordering van de dwangsommen verband houdende incassokosten en eventuele andere onder de invordering vallende kosten.

Het college heeft op 1 juli 2019 nog een brief gestuurd naar eisers, waarin het schrijft dat de ontstane situatie mogelijk alsnog kan worden gelegaliseerd door afgifte van een omgevingsvergunning. Eisers worden gedurende een termijn van 12 weken na verzenddatum van het besluit in de gelegenheid gesteld hiervoor een aanvraag in te dienen.

1.2.

Op 21 augustus 2019 hebben eisers een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ter legalisering van de aangebrachte dakisolatie tussen het dakbeschot en de dakpannen op het pand [Adres] te [Plaatsnaam] .

Bij besluit van 27 september 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’ verleend.

1.3.

Bij het bestreden besluit 2 heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken, nu met het verlenen van de omgevingsvergunning de illegale situatie is gelegaliseerd.

Het beroep van eisers heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op het bestreden besluit 2.

2. Met het bestreden besluit 2 is het bestreden besluit 1 ingetrokken. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke toetsing van het ingetrokken bestreden besluit 1, met andere woorden: of eisers nog procesbelang hebben. Als dit niet het geval is, dan moet het beroep niet ontvankelijk worden verklaard.

Procesbelang is afwezig, als de ingestelde vordering niet meer tot resultaat kan leiden.

De rechtbank stelt vast dat eisers met het bestreden besluit 2 hebben bereikt wat zij met het instellen van het beroep in eerste instantie hebben beoogd te bereiken, namelijk dat de opgelegde last onder dwangsom is ingetrokken. In zoverre is het procesbelang van eisers komen te vervallen. Het is dan de vraag waarin het procesbelang van eisers nog meer gelegen kan zijn.

3. Eisers voeren aan dat hun procesbelang nog is gelegen in de schade die zij hebben geleden vanwege het bestreden besluit 1. Deze schade valt volgens hen in drie posten uiteen:

I. de advieskosten die zij maakten voor bouwtekeningen en de vergunningaanvraag;

II. de leges die naar aanleiding van de vergunningaanvraag verschuldigd werden; en

III. de kosten die zij maken voor de onderhavige procedure.

Geen van de genoemde schadeposten kunnen er naar het oordeel van de rechtbank echter toe leiden dat eisers nog procesbelang hebben. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de advieskosten en de leges (I en II)

Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd ten aanzien van de aangebrachte dakisolatie en ook gekregen. Ter zitting is duidelijk geworden dat eisers gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om bezwaar te maken tegen de verleende omgevingsvergunning, dat de omgevingsvergunning in bezwaar in stand is gebleven, en dat eisers vervolgens ervoor hebben gekozen om geen beroep in te stellen. De verleende omgevingsvergunning is daarmee rechtens onaantastbaar geworden. Dit betekent dat rechtens vast is komen te staan dat de omgevingsvergunning vereist was. De rechtbank moet hier vanuit gaan. Eisers kunnen deze vraag nu niet opnieuw aan de orde stellen in het kader van de ingetrokken last onder dwangsom.

Voor de advieskosten die eisers hebben gemaakt voor het (laten) maken van bouwtekeningen en de vergunningaanvraag en de gemaakte legeskosten geldt dat deze niet het directe gevolg zijn van het ingetrokken dwangsombesluit. Zij zijn het gevolg van het feit dat eisers de (rechtens vereiste) omgevingsvergunning hebben aangevraagd. Indien eisers van mening zijn dat zij deze kosten ten onrechte hebben moeten maken, dan had het op hun weg gelegen om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de legesheffing en tegen de verleende omgevingsvergunning.

Dit alles brengt met zich dat een oordeel van de rechtbank in deze procedure ten aanzien van het dwangsombesluit, niet kan leiden tot vergoeding van de gemaakte advieskosten en leges. Eisers hebben dus ten aanzien van deze kosten geen belang bij een uitspraak in deze procedure.

Ten aanzien van de proceskosten (III)

Voor de gemaakte proceskosten in deze beroepsprocedure geldt dat deze ook geen procesbelang opleveren. Volgens vaste jurisprudentie vormt de enkele vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van een beroep over te gaan. Artikel 8:75 van de Awb stelt namelijk niet de eis dat de partij die in de proceskosten wordt veroordeeld in het ongelijk is gesteld. Indien, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. De rechtbank concludeert dan ook dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.H.J. Vermariën, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A. D’Hoore, griffier, op 15 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.