Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4371

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
AWB- 20_131
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABOA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/131 WABOA

uitspraak van 15 september 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Eiser] , te [Plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: mr. D.P.W.H. Cremers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[Naam derde partij] , te [Plaatsnaam] ,

gemachtigde: mr. F.K. van den Akker.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 november 2019 (bestreden besluit I) van het college inzake het verlenen van omgevingsvergunning voor het bouwen van vier appartementen aan de [Adres] te [Plaatsnaam] .

Bij besluit van 10 februari 2020 (bestreden besluit II) heeft het college de motivering van bestreden besluit I aangevuld. Het beroep wordt mede gericht geacht tegen dit besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Brands. Derde partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[Naam derde partij] was eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Goirle, [Sectienummer] , [Kadastraal nummer] , voorheen plaatselijk bekend [Adres] te [Plaatsnaam] . In 2018 is het perceel [Perceelnummer 1] gesplitst in de percelen [Perceel 1] en [Perceel 2] . [Naam derde partij] heeft het perceel [Perceel 1] in 2018 aan eiser verkocht en in eigendom overgedragen. Eiser heeft een woning gebouwd op het perceel [Perceelnummer 2] , waarvan de achtertuin direct grenst aan het perceel [Perceel 1] .

Op 23 april 2018 heeft [Bedrijfsnaam vergunninghoudster] (vergunninghoudster) bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van vier appartementen (met een semi verzonken parkeerruimte) en de aanleg van een uitrit op het perceel [Perceel 2] .

Het college heeft met ingang van 7 augustus 2019 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd.

Bij brief van 9 september 2019 heeft eiser een zienswijze naar voren gebracht met betrekking tot het ontwerpbesluit.

Bij bestreden besluit I heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Bij bestreden besluit II heeft het college de motivering van bestreden besluit I aangevuld.

2. Beroepsgronden

Eiser is van mening dat hij aanspraak kan maken op een uitweg over het perceel [Perceel 2] en verwijst daarvoor naar de notariële eigendomsakte van 20 augustus en een oude notariële akte van 20 juni 1975.

Eiser wijst erop dat in het bouwplan een grote parkeerkelder/garage is opgenomen. Indien deze parkeervoorziening wordt gerealiseerd, zal het nagenoeg onmogelijk zijn voor eiser om nog een uitweg te realiseren. Mocht het verlenen van een uitwegmogelijkheid in deze procedure niet kunnen, dan wenst eiser in de toekomst nog via de burgerlijke rechter tot vestiging van een uitwegvoorziening - al dan niet bij wijze van erfdienstbaarheid – te komen. Eisers belang bij het hebben van een uitweg is gelegen in het onderhoud van de bomen, het treffen van groenvoorzieningen en herplant. Het gaat om bijzondere bomen waarvoor speciaal onderhoud met professionele apparatuur noodzakelijk is. Daar komt bij dat er beschermde diersoorten in het bosperceel leven, zodat behoud en kwaliteit van het bosperceel ook in maatschappelijk perspectief relevant is.

Eiser wil dat de parkeerkelder/garage zodanig wordt gesitueerd dat deze geen belemmering vormt voor een aan hem toe te kennen uitweg.

3. Beoordeling

3.1

De rechtbank begrijpt de beroepsgronden zo, dat eiser vindt dat er een privaatrechtelijke belemmering aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat en dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

Volgens vaste jurisprudentie is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijk rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

De rechtbank is met het college van oordeel dat er in deze situatie geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering in vorenbedoelde zin. Er loopt immers een procedure bij de burgerlijk rechter over de vraag of op perceel [Perceel 2] een erfdienstbaarheid van (uit)weg is of moet worden gevestigd. Eiser heeft dit ter zitting erkend.

3.2

Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het college in de belangenafweging aandacht had moeten besteden aan de mogelijkheden van onderhoud van het perceel [Perceel 2] , nu vast staat dat er op dit bosperceel monumentale bomen staan en vleermuizen verblijven. Het is in het algemeen belang dat het bosperceel goed wordt onderhouden.

Naar het oordeel van de rechtbank valt de vraag of eiser wordt belemmerd in het onderhoud van zijn perceel als hij geen mogelijkheid heeft om het bosperceel via het perceel van [Perceel 2] te bereiken, buiten het beoordelingskader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de belangenafweging inventariseert en weegt het college de mogelijke effecten van de bouwplannen op het aanwezige natuurschoon en niet de mogelijkheden voor een buurman om zijn tuin/bosperceel te onderhouden, ook niet als dat onderhoud wenselijk is gelet op de natuurwaarden van dat bosperceel. Dit is en blijft in kern een privaatrechtelijk belang.

Eiser heeft overigens ook niet onderbouwd dat het voor het onderhoud van zijn tuin annex bosperceel noodzakelijk is om met voertuigen en groot materieel tot aan de grens van dat bosperceel te kunnen rijden.

3.3

Ten aanzien van de wens van eiser dat de parkeerkelder/garage op andere plek wordt gesitueerd dan nu is vergund, heeft te gelden dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die door de vergunninghouder is ingediend.

4. Conclusie

Nu er geen ruimtelijke bezwaren zijn tegen het bouwplan in zijn geheel en de parkeergarage in het bijzonder, en evenmin is gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering, heeft het college op goede gronden de door vergunningshoudster gevraagde omgevingsvergunning verleend.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 15 september 2020 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.