Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4370

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
02-030559-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overtreding 6WVW fmet letsel waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, alsmede rijden onder invloed (475 ugles) en zonder rijbewijs. 120 uren taakstraf, obm 6 maanden alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de

duur van 3 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/030559-20

vonnis van de meervoudige kamer van 16 september 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996, te [geboorteplaats]

wonende te [adres] .

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 september 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering is de tenlastelegging gewijzigd.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat

-feit 1:
verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij mevrouw [slachtoffer] gewond is geraakt.

-feit 2:

verdachte heeft gereden met teveel alcohol op.

-feit 3:

verdachte heeft gereden zonder geldig rijbewijs.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 in de primaire variant, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er is sprake van een aanzienlijke mate van onoplettendheid, gelet op de navolgende omstandigheden. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij ruzie kreeg in de auto, dat hij een langere periode niet op de weg heeft gelet en dat hij de auto van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) niet had gezien voordat hij met de auto in aanrijding kwam. Verdachte heeft zijn snelheid niet aangepast, gelet op de verklaring van getuige [getuige] en zijn eigen verklaring dat hij 140 tot 145 kilometer per uur reed. Verdachte was onder invloed van alcohol en was niet in bezit van een geldig rijbewijs. Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel dient te worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, nu zij bij het ongeval een gebroken schouder en een scheurtje in de onderrug opliep en een lange herstelperiode volgde. De feiten 2 en 3 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de ademanalyse (feit 2) en het document op pagina 64 van het dossier, inhoudend dat er geen registratie van een rijbewijs op naam van verdachte is opgenomen in het CRB (feit 3).

4.2

Het standpunt van verdachte

Verdachte bekent dat hij de drie tenlastegelegde feiten heeft begaan.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 primair

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als een overtreding in de zin van artikel 6 WVW. Daarbij moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht.

Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat

verdachte in de nacht van 3 maart 2019 op de A58 reed ter hoogte van Tilburg en dat hij gedurende meerdere minuten niet op de weg heeft gelet. Hij reed daarbij met een hogere snelheid dan is toegestaan en had ook te veel alcohol gedronken. Bovendien mocht hij überhaupt geen auto rijden, omdat hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Toen hij met hoge snelheid het voertuig van getuige [getuige] naderde, die op de linkerrijstrook reed omdat hij mevrouw [slachtoffer] aan het inhalen was, is verdachte naar de rechterbaan uitgeweken. Daar is verdachte tegen de achterkant van de Ford Ka van [slachtoffer] gereden. Gelet op dit samenstel van gedragingen en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een hoge mate van onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Door de aanrijding heeft [slachtoffer] een gebroken linkerschouder en een scheurtje in de onderrug opgelopen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, met name omdat geen medisch ingrijpen nodig is geweest en verdere medische informatie ontbreekt. Wel staat op basis van de schriftelijke slachtofferverklaring van haar partner vast dat het letsel in de maanden na het ongeval voor [slachtoffer] de normale dagelijkse zorg van haar zoontje onmogelijk maakte, met name door aanhoudende pijn aan haar linkerschouder. Het betreft dan ook letsel waaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.
primair:

op 3 maart 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Ford Focus), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A58 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate, onvoorzichtig en onoplettend
- (mede) gelet op de toen daar heersende duisternis, niet zijn, verdachtes, aandacht te richten en gericht te houden op het vóór hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg,
en
- rijdende op de linkerrijstrook bij het naderen van een personenauto die op de linkerrijstrook reed, te wisselen van rijstrook naar de rechterrijstrook, zulks terwijl op die rechter rijstrook een personenauto (merk/type Ford Ka) reed, (mede) waardoor het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met die personenauto (merk/type Ford Ka), waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) een gebroken linkerschouder, werd toegebracht, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

2.
op 3 maart 2019 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk/type Ford Ka), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 475 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

op 3 maart 2019 te Tilburg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type Ford Focus) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A58, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor de feiten 1 en 2, beide misdrijven, een taakstraf voor de duur van 90 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden. Voor de overtreding van feit 3 eist de officier van justitie schuldigverklaring zonder oplegging van straf.

6.2

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft aangegeven dat hij iedere straf zal accepteren die aan hem wordt opgelegd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een heftig verkeersongeval. Hij heeft onder invloed van alcohol, met een te hoge snelheid en zonder geldig rijbewijs ’s nachts op de snelweg gereden. Hij kreeg ruzie met zijn passagier en lette daardoor minutenlang niet op de weg. Hij heeft hierdoor de auto van [slachtoffer] van achteren aangereden, waardoor deze een aantal keren over de kop is gegaan. Verdachte is vervolgens doorgereden. Wonder boven wonder viel het lichamelijk letsel van [slachtoffer] mee.

De rechtbank vindt dit heel ernstig. Verdachte heeft zich met zijn rijgedrag onverschillig getoond tegenover de geldende verkeersregels en de veiligheid van andere weggebruikers.

Door zijn onverantwoorde gedrag heeft hij [slachtoffer] veel verdriet gedaan en zowel lichamelijk als psychisch veel schade berokkend. Zo blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de partner van [slachtoffer] . [slachtoffer] was ten tijde van het ongeval herstellende van leukemie. Voor de eerste keer na haar behandeling kon zij weer een keer op bezoek bij haar vrienden in Breda. Een leuke avond eindigde op de terugweg met het ongeluk waarbij [slachtoffer] een gebroken schouder en een scheurtje in haar onderrug opliep. Na het ongeluk bleef zij pijn houden aan met name haar schouder waardoor zij niet meer voor haar zoontje kon zorgen. Eind juli 2019 bleek [slachtoffer] wederom leukemie te hebben. Op 1 september 2019 werd zij in het ziekenhuis opgenomen en op 12 januari 2020 is zij helaas overleden aan de gevolgen van de leukemie. Door het ongeval heeft zij al die tijd niet meer de moeder voor haar zoontje kunnen zijn, die zij zo graag wilde zijn.

Verdachte heeft op zitting zijn oprechte spijt betuigd en gezegd dat hij elke straf accepteert die de rechtbank hem op zal leggen. De partner van [slachtoffer] heeft die spijtbetuiging op zitting geaccepteerd en verdachte zelfs vergeven. Een reactie die ook op de rechtbank indruk heeft gemaakt.

Bij haar beslissing over de strafmodaliteit en de hoogte van de straf voor de feiten 1 en 2 heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die oriëntatiepunten gaan uit van de oplegging van een taakstraf in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke straf ook aan verdachte moet worden opgelegd, maar vindt de straf die de officier van justitie heeft geëist onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. De rechtbank acht een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden passend.

Daar komt bij dat de rechtbank het heel belangrijk vindt dat verdachte een flinke stok achter de deur krijgt. Om te voorkomen dat hij nogmaals dergelijk levensgevaarlijk rijgedrag zal vertonen, legt de rechtbank ook nog een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden aan verdachte op.

Gelet op de strafoplegging voor de misdrijven onder feit 1 en 2 acht de rechtbank het opleggen van een straf of maatregel voor de overtreding bij feit 3 niet opportuun en zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 22c, 22d, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 107, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

feit 2: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a (475 µg/l) van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 3: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Feiten 1 en 2:

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden;

Feit 3:

-bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fleskens, voorzitter, mr. De Brouwer en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 september 2020.

Bijlage I

De tenlastelegging


hij op of omstreeks 3 maart 2019 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Ford Focus), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A58 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam,
- (mede) gelet op de toen daar heersende duisternis, niet, althans niet voldoende en/of bij voortduring zijn, verdachte's aandacht te richten en/of gericht te houden op het vóór hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg,
en/of
- rijdende op de linkerrijstrook bij het naderen van een personenauto die op de linkerrijstrook reed, te wisselen van rijstrook naar de rechterrijstrook, (zulks) terwijl op die rechter rijstrook een personenauto (merk/type Ford Ka) reed, (mede) waardoor het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met die personenauto (merk/type Ford Ka), althans geen, in ieder geval onvoldoende maatregelen te treffen teneinde een botsing/aanrijding
te voorkomen met een zich op de weg bevindende personenauto (merk/type Ford Ka) , waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerschouder, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(Artikel art 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 maart 2019 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (personenauto merk/type Ford Ka), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder van een voertuig (personenauto (merk/type Ford Focus) (mede) gelet op de toen daar heersende duisternis, niet, althans niet voldoende en/of bij voortduring zijn, verdachte's aandacht heeft gericht en/of gericht gehouden op het vóór hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg, en/of geen, in ieder geval onvoldoende maatregelen heeft getroffen teneinde een botsing/aanrijding te voorkomen met een zich op de weg bevindende personenauto (merk/type Ford Ka), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(Artikel art 5 Wegenverkeerswet 1994)

meer subsidiair

hij op of omstreeks 3 en/of 4 maart 2019 te Tilburg, opzettelijk een onbekend gebleven persoon die verdachte was van een aanrijding, te weten een artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de aanhouding door ambtenaren van politie, immers heeft verdachte, (vrijwel direct na het betreffende ongeval) als bestuurder opgetreden van de auto waarmee het betreffende ongeval had plaatsgevonden en/of wisselende en/of in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd bij de politie en/of bij de politie heeft geweigerd nadere informatie te geven, waardoor voornoemde onbekend gebleven persoon kon vluchten en/of onbekend kon blijven;

(Artikel 189 lid 1 Wetboek van Strafrecht);

2.
hij op of omstreeks 3 maart 2019 te Tilburg, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk/typ Ford Ka), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 475 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
(Artikel art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)

3.
hij op of omstreeks 3 maart 2019 te Tilburg als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk/type Ford Focus) heeft gereden op de weg, de Rijksweg A58, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
(Artikel art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994)

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 2 september 2020;

- de schriftelijke slachtofferverklaring;

-het proces-verbaal ongeval, opgenomen op dossierpagina 12 e.v. van het eindproces-verbaal met nummer PL2000-2019049838 van de politie Zeeland-West-Brabant;

-het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op dossierpagina 30 e.v. van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal;

-het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op dossierpagina 35 e.v. van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal;

-het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , opgenomen op dossierpagina 32 e.v. van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal;

-het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , opgenomen op dossierpagina 38 e.v. van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 2 september 2020;

- het geschrift, te weten de uitslag van het Dräger ademonderzoek, opgenomen op dossierpagina 29 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal.

Aangezien verdachte ten aanzien van feit 3 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de zitting van 2 september 2020;

- het geschrift, te weten de bevraging van rijbewijsregistratie bij het CBR, opgenomen op dossierpagina 64 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.