Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4348

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1377
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor deze uitspraak is momenteel geen samenvatting beschikbaar. Vanwege de corona maatregelen is deze uitspraak door middel van geanonimiseerde publicatie openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-10-2020
V-N Vandaag 2020/2383
FutD 2020-2973
NTFR 2020/3085 met annotatie van mr. S. El Oiskhiri
V-N 2020/55.21.31
Belastingblad 2020/462
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 19/1377

uitspraak van 19 juni 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 12 maart 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

Zitting

De telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020.

Aldaar zijn gehoord, belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft op 25 januari 2019 een auto met kenteken [kenteken] geparkeerd in Breda aan de [straat] ter hoogte van nummer 32. In de parkeerverordening en het daarbij horende aanwijzingsbesluit van de gemeente Breda is deze plaats aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Tijdens een controle omstreeks 15.24 uur is geconstateerd dat de auto niet was aangemeld bij de parkeerautomaat of voor GSM-parkeren. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 1,40 verhoogd met € 62,70 wegens kosten van de naheffing.

2.2.

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

2.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffing ten onrechte is opgelegd en voert het volgende aan. Bij aankomst zag belanghebbende dat hij een whatsapp-bericht met een filmpje had ontvangen. Na 31 seconden het filmpje te hebben gekeken, is hij beboet. De verklaring van de parkeercontroleur dat hij vanaf 15.15u al geparkeerd stond, is onwaar. Volgens belanghebbende moet bewijsbaar zijn door middel van GPS bepaling, dan wel camera’s in de buurt, dat hij om 15.21/15.22u nog niet ter plaatse was. Er is een ongeschreven regel dat pas na 5 en soms na 10 minuten een naheffing wordt opgelegd.

2.4.

De heffingsambtenaar stelt dat de parkeercontroleur heeft aangegeven dat hij het voertuig ongeveer 9 minuten in beeld had. Of er nu sprake is van 31 seconden of 9 minuten is voor het opleggen van de naheffing niet van belang. Belanghebbende heeft nagelaten bij de aanvang van het parkeren handelingen te verrichten om de parkeerbelasting te voldoen. Een ongeschreven regel zoals belanghebbende die beschrijft, is in de gemeente Breda niet aan de orde.

2.5.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, rust op de heffingsambtenaar. De constatering van de verbalisant dat geen parkeerbelasting is betaald, kan toereikend zijn, maar geldt niet als onweerlegbaar bewijs. De belastingplichtige heeft de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Het tegenbewijs zal tot de conclusie moeten leiden dat hij desondanks aan de verplichting tot betaling van de parkeerbelasting heeft voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan en overweegt daartoe het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betreffende straat is aangewezen als betaald parkeerzone en dat dit met borden en parkeerautomaten in de omgeving is aangegeven.

Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 1 van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2018 wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Door de parkeercontroleurs is vastgesteld dat het voertuig op een parkeerplaats stond zonder dat aan de betalingsverplichting was voldaan. Evenmin was sprake van het onmiddellijk in- en uitstappen.

Uit de Verordening volgt dat parkeerbelasting is verschuldigd bij aanvang van het parkeren en over de gehele parkeerduur. Het maakt daarbij niet uit of er iemand in de auto aanwezig is. Uit de verklaring van belanghebbende blijkt dat hij na het parkeren niet meteen is uitgestapt om het kenteken aan te melden bij de parkeerautomaat of zijn kenteken heeft aangemeld in de parkeer-app, maar eerst op zijn telefoon een Whatsapp-bericht heeft geopend en een filmpje op Youtube is gaan bekijken. Hieruit volgt dat belanghebbende niet meteen bij aanvang van het parkeren de parkeermeter in werking heeft gesteld. Gelet hierop, komt de rechtbank komt aan een beoordeling van het verweer met betrekking tot de gestelde onware verklaringen van de bijzondere opsporingsambtenaren niet toe. Inzake naheffingen van parkeeraanslagen geldt voor de belastingrechter een marginale toets. Of het filmpje pas 31 seconden aanstond of al langer maakt niet uit, nu de heffingsambtenaar in zijn standpunt kan worden gevolgd dat belanghebbende niet meteen aan zijn verplichting heeft voldaan.

De omstandigheid dat de eerste 15 minuten gratis mag worden geparkeerd, is niet in geschil, maar dat betekent niet dat de auto gedurende die periode niet hoeft te zijn aangemeld bij de parkeerautomaat of parkeer-app. Anders is namelijk door de controleur op geen enkele wijze te controleren wanneer dit kwartier is aangevangen.

Belanghebbende beroept zich op de ongeschreven regel dat de eerste 5 of 10 minuten geen naheffing wordt opgelegd. De heffingsambtenaar stelt dat die regel in Breda niet wordt gehanteerd. Niet is gebleken dat dit anders is. Gelet op alle wet- en regelgeving had belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank meteen bij aanvang van het parkeren de parkeermeter in werking moeten stellen.

2.6.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.7.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier op 19 juni 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier, rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.