Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4340

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
AWB- 20_8098 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanleggen van een tijdelijke weg zonder omgevingsvergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/8098 VV

uitspraak van 11 september 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 12 augustus 2020 waarin verzoekster is geïnformeerd over de aanleg van een tijdelijke weg achter haar woning en tegen een e-mail van 19 augustus 2020 waarin is medegedeeld dat voor die tijdelijk weg geen omgevingsvergunning vereist is. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de tijdelijke weg niet mag worden gebruikt totdat op het bezwaar is beslist.

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster woont aan [adres verzoekster] te [woonplaats verzoekster] en exploiteert daar een bed & breakfast.

Bij brief van 12 augustus 2020 heeft het college onder meer verzoekster geïnformeerd over het realiseren van een tijdelijke ontsluitingsweg tussen [adres verzoekster] en [de aan te passen weg], zodat tijdens de werkzaamheden aan het gedeelte van [de aan te passen weg] op het bedrijventerrein, de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven bereikbaar blijven. In de week van 17 tot en met 21 augustus 2020 wordt gestart met realisatie van de tijdelijke ontsluitingsweg die zal bestaan uit rijplaten en verlichting. De werkzaamheden aan [de aan te passen weg] duren tot eind november, begin december 2020, aldus deze brief.

De tijdelijke ontsluitingsweg loopt achter het perceel van verzoekster langs. Verzoekster vreest voor klachten van gasten van haar bed & breakfast over het verkeer dat gebruik maakt van de tijdelijke ontsluitingsweg. Daarnaast vreest zij voor verstoring van haar nachtrust en (daardoor) verergering van haar gezondheidsproblemen.

Verzoekster heeft het college op 14 augustus 2020 gevraagd om een afschrift van de omgevingsvergunning voor het realiseren van de weg. In reactie daarop heeft een medewerker van het college op 19 augustus 2020 per e-mail aan verzoekster medegedeeld dat voor de realisatie van de tijdelijke ontsluitingsweg geen omgevingsvergunning benodigd is.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 12 augustus 2020 en het in de e-mail van 19 augustus 2020 ingenomen standpunt dat er voor de realisatie van de weg geen omgevingsvergunning vereist is.

2. Wil sprake zijn van een ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening, dan moet in ieder geval voldaan zijn aan het vereiste van formele connexiteit: er moet een ontvankelijk bezwaar zijn ingediend tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3. Verzoekster heeft desgevraagd toegelicht waarom de brief van 12 augustus 2020 als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Volgens verzoekster vormt de brief een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan. Hoewel de brief enkel een mededeling van feitelijk handelen lijkt te behelzen, heeft de aanleg van de ontsluitingsweg volgens verzoekster ook rechtsgevolgen. Het besluit tot aanleg van de weg impliceert volgens verzoekster dat het college zichzelf tevens ontheffing van het bestemmingsplan heeft verleend.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van 12 augustus 2020 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb vormt. In de brief wordt medegedeeld dat een tijdelijke ontsluitingsweg gerealiseerd zal worden. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar standpunt dat uit de brief zou volgen dat het college daarmee impliciet aan zichzelf een ontheffing van het bestemmingsplan (de voorzieningenrechter begrijpt: een omgevingsvergunning voor gebruiken in strijd met het bestemmingsplan) heeft verleend. Dit strookt ook niet met de mededeling in de e-mail van 19 augustus 2020 dat geen omgevingsvergunning vereist is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de brief van 12 augustus 2020 niet op enig rechtsgevolg gericht, maar louter informatief van aard.

Ook de e-mail van 19 augustus 2020 kan niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Nog los van het feit dat het een e-mail betreft, die weliswaar door een medewerker van het college, maar niet namens het college is verzonden, is ook deze e-mail naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op rechtsgevolg gericht. Hoewel de e-mail het bestuurlijk rechtsoordeel bevat dat geen omgevingsvergunning vereist is, is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van de Awb. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2554. Alleen in uitzonderingsituaties moet een bestuurlijk rechtsoordeel als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit of het niet tijdig nemen van een besluit – bijvoorbeeld in reactie op een handhavingsverzoek – bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Gesteld noch gebleken is dat het voor verzoekster onredelijk bezwarend is om in dit geval om handhaving (wegens handelen in strijd met het bestemmingsplan en/of de wegenverkeerswetgeving) te verzoeken. De voorzieningenrechter merkt de e-mail van 19 augustus 2020 dan ook niet aan als een besluit.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan het vereiste van formele connexiteit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 11 september 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.