Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2020:4311

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
02-050325-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (art. 6 WVW). Hij heeft zijn aandacht gedurende langere tijd onvoldoende op de weg gericht, waardoor hij het rode verkeerslicht niet heeft opgemerkt en zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. Door dit gedrag heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Oplegging van een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-050325-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 15 september 2020

in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 september 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hamsvoord, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht (primair), dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer heeft gehinderd (subsidiair), dan wel dat hij geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken (meer subsidiair).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Verdachte heeft gedurende een lang tijdsbestek zijn aandacht niet op de weg gehouden en belangrijke verkeerslichten gemist, waardoor hij niet meer kon remmen. Daarmee is sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Het slachtoffer heeft door dit verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW dient te worden vrijgesproken, omdat sprake is geweest van een kort moment van onoplettendheid. Verdachte dacht dat het verkeerslicht voor rechtdoor op groen stond, mogelijk is dit achteraf het verkeerslicht voor de afslaande weg naar rechts geweest. Vervolgens kwam verdachte er pas vlak voor de kruising achter dat het verkeerslicht op zijn rijbaan op rood stond, waardoor hij te laat heeft geremd. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, dan is slechts sprake van letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 5 december 2018 op de kruising op de Burgemeester Letschertweg te Tilburg omstreeks 11:11 uur een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, dat door het rijgedrag van verdachte is veroorzaakt. Uit het onderzoek naar de werking van de verkeersregelinstallatie is gebleken dat het slachtoffer met haar auto om 11:11:45.8 uur de detectielus passeerde, terwijl het voor haar geldende verkeerslicht vier seconden groen licht uitstraalde. Verdachte passeerde met zijn auto om 11:11:48.0 uur de detectielus vlak voor de stopstreep, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten op dat moment al 23 seconden rood licht uitstraalden. Op dat moment reed verdachte, zo is berekend, met een indicatieve snelheid van tussen 73 en 74 kilometer per uur. Hij heeft zijn auto niet tijdig tot stilstand kunnen brengen, waardoor hij tegen de auto van het slachtoffer is aangereden.

De rechtbank stelt vast dat de medische verklaring van het letsel van het slachtoffer geen mededelingen omtrent de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen vermeldt. In de medische verklaring wordt echter wel het letsel en de verwachte duur van genezing beschreven. De aard van het vermelde letsel en de verwachte duur van genezing, in onderlinge samenhang bezien met hetgeen het slachtoffer in de schriftelijke slachtofferverklaring heeft vermeld omtrent de duur van het ziekenhuisverblijf en de revalidatie en haar blijvende fysieke beperkingen, leiden tot de conclusie dat bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat het verkeerslicht op groen stond, plotseling geel werd en daarna rood. Ook heeft hij verklaard dat hij ongeveer op een meter afstand voor het verkeerslicht zag dat het op rood stond en dat hij toen vanuit een reflex begon te remmen. De rechtbank acht deze verklaringen van verdachte, gelet op het onderzoek naar de werking van de verkeersregelinstallatie, niet geloofwaardig. Daaruit blijkt dat het verkeerslicht al 23 seconden rood uitstraalde toen verdachte de laatste detectielus voor de stopstreep passeerde. Bovendien heeft getuige [getuige] , die achter verdachte reed, verklaard dat hij zag dat het busje van verdachte vol door rood reed en dat hij bij het busje geen remlichten zag.

Dat verdachte zijn aandacht mogelijk per abuis zou hebben gericht op het verkeerslicht van de naastgelegen rijbaan voor het naar rechts afslaande verkeer, is niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend was met de weg en uit het dossier blijkt dat op het voor die rijbaan geldende verkeerslicht, een pijl naar rechts is aangegeven.

Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte zijn aandacht klaarblijkelijk gedurende langere tijd onvoldoende op de weg heeft gericht, waardoor hij het rode verkeerslicht boven zijn rijbaan, gedurende de 23 seconden dat het al rood uitstraalde, niet heeft opgemerkt en dat hij zijn auto vervolgens toen een aanrijding dreigde niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen. De rechtbank dient thans te beoordelen of deze gedraging een strafrechtelijk verwijt in de zin van artikel 6 van de WVW oplevert.

Bewezenverklaring artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Van schuld in de zin dit wetsartikel is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat het verkeersongeval dat daardoor is ontstaan aan zijn schuld te wijten is.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair:

op 5 december 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Letschertweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, niet zijn, verdachtes, aandacht te richten op het voor hem, verdachte, gelegen weggedeelte van die weg, en daarbij geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten beiderzijdse breuk van het bekkenbot en heupkom, werd toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert, op grond van bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde misdrijf (overtreding van artikel 6 WVW), aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 90 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar. Zij heeft daarbij gelet op de richtlijnen van het openbaar ministerie, de gevolgen die het ernstige verkeersfeit voor het slachtoffer heeft gehad en het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. De rijontzegging dient voorwaardelijk te worden opgelet, gelet op het tijdsverloop en als stok achter de deur.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting naar voren gebracht dat aan verdachte een geldboete met een korte rijontzegging dient te worden opgelegd, omdat geen sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW. Door het opleggen van een rijontzegging voor de duur van enkele maanden zal verdachte grote problemen krijgen, omdat de Poolse autoriteiten daarover worden geïnformeerd. Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een overtreding van artikel 6 WVW en een taakstraf in beeld komt, dan kan verdachte deze uitvoeren in Duitsland, waar hij op dit moment woont.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt. Ten gevolge van het verkeersongeval heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een beiderzijdse breuk van het bekkenbot en de heupkom. Door zo te handelen heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd aan personen die niet eerder een soortgelijk feit hebben gepleegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. De rechtbank acht een taakstraf van 120 uren dan ook passend en geboden. Dat de officier van justitie een lagere taakstraf heeft gevorderd doet hier niet aan af, nu deze eis kennelijk is gebaseerd op de richtlijnen voor strafvordering van het openbaar ministerie en de rechtbank daar niet aan gehouden is. Daarnaast zal de rechtbank, gelet op het tijdsverloop, aan verdachte in plaats van een onvoorwaardelijke rijontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een voorwaardelijke rijontzegging opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het primair bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vliegenberg, voorzitter, mr. Goossens en mr. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Gielen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 september 2020.

Mr. Hoekstra is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 5 december 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Burgemeester Letschertweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht te richten en/of gericht te houden op het voor hem, verdachte, (dichtbij) gelegen weggedeelte van die weg, en/of (daarbij)geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod

inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand te brengen waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten

beiderzijdse breuk van het bekkenbot en/of heupkom, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 5 december 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Burgemeester Letschertweg, niet, althans niet bij voortduring, zijn, verdachtes, aandacht heeft gericht en/of gericht gehouden op het voor hem, verdachte, (dichtbij) gelegen weggedeelte van die weg, en/of (daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij, verdachte, niet gestopt voor een voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde en/of zijn, verdachtes, motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht waarover verdachte de weg kon overzien en deze vrij was, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 5 december 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Burgemeester Letschertweg, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

Bijlage II

De bewijsmiddelen

Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2018286466 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 151.

1. Het proces-verbaal van aanrijding van verbalisant [verbalisant 1] , pagina 4 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Locatie ongeval:

- Datum: 5 december 2018

- Omstreeks: 11:11 uur

- Adres: Burg Letschertweg

- Plaats: Tilburg

- Soort weg: Een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg

- Wegsituatie: T-kruising

- Bijzonderheden: Voorzien van verkeerslichten

Voertuig personenauto Toyota Yaris, bestuurder [slachtoffer] . Voertuig bestelauto Renault Master (Polen), bestuurder [verdachte] .

2. Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersdelict van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pagina 9 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

(pagina 17)

Door ons werd op de plaats van het ongeval een onderzoek aan de werking van de verkeersregelinstallatie uitgevoerd.

(pagina 20)

De bestuurder van de personenauto had gereden over de voorsorteerstrook voor links afslaand verkeerd, komende uit de richting van de Bredaseweg, gaan de in de richting van de Burgemeester Letschertweg. Ik zag op de verkeerslantaarns van het kruispunt dat de bestuurder van de personenauto had gereden over richting 6.

De bestuurder van de bedrijfsauto had gereden over de voorsorteerstrook voor het recht doorgaande verkeer, komende uit de richting van de Rijksweg A58, gaande in de richting van de Midden Brabantweg. Ik zag op de verkeerslantaarns van het kruispunt dat de bestuurder van de bedrijfsauto had gereden over richting 8.

(pagina’s 23 en 24)

Wij zagen dat bij dit verkeersongeval de volgende voertuigen betrokken waren:

- een bedrijfsauto van het merk Renault, type Master, voorzien van de Poolse nationaliteit, “de bedrijfsauto”;

- een personenauto van het merk Toyota, type Yaris, “de personenauto”.

(pagina 49)

Na het analyseren van de gegevens uit de personenauto stelde ik, [verbalisant 3] , vast dat tijdens het event (ongeval) de Toyota reed met een snelheid van 28 km/h.

(pagina 51)

De personenauto verliet om 11:11;45.8 detectielus 6.1 terwijl het verkeerslicht vanaf 11:11:41.8 uur (4 seconden) groen licht uitstraalde.

(pagina 52)

De bedrijfsauto verliet om 11:11;48.0 detectielus 8.1 terwijl het verkeerslicht vanaf 11:11;25.8 uur (23 seconden) rood licht uitstraalde, passend bij een rood licht negatie. Een rood licht negatie in een log-bestand wil zeggen: activatie en de-activatie van de koplus (vlak voor de stopstreep) terwijl het bijbehorende verkeerslicht op dat moment rood licht uitstraalt. Op een dergelijk moment rijdt een voertuig ‘door rood’.

(pagina 55)

De bestuurder van de bedrijfsauto had gereden met een indicatieve gemiddelde snelheid tussen de 73 km/h en de 74 km/h.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 86 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik werd ingehaald door een Pools busje. Vlak daarna kwam er ook nog een personenauto voorbij. Zij kwamen allebei voor mij te rijden. Ik rem af. De personenauto voor mij remt ook af. Dit is ongeveer 200 meter voor het verkeerslicht. Bij het busje zag ik geen remlichten. Het busje reed vol door rood. Het busje kreeg een aanrijding met een personenauto midden op de kruising.

4. Het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] , pagina 88 en verder, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Toen ik groen kreeg ben ik weggereden en daarna voelde ik ineens een harde klap.

In het ziekenhuis hebben ze een echo en een scan gemaakt. Daaruit is naar voren

gekomen dat ik twee breuken en drie scheurtjes in mijn bekken heb. In mijn bovenlichaam heb ik allemaal kneuzingen.

5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, op 24 december 2018 opgemaakt door Lamsma, traumachirurg, pagina 92, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uitwendig waargenomen letsel: pijn bekkenbot.

Overige van belang zijnde informatie: breuk van bekkenbot en heupkom, beiderzijds.

Geschatte duur van de genezing: minimaal 3-6 maanden.

6. Een geschrift, te weten een schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] , ongenummerd, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Na drie weken ziekenhuis ben ik op 23 december overgeplaatst naar de revalidatieafdeling van een verzorgingstehuis. Hier heb ik tot 27 februari gelegen. Nu, ruim anderhalf jaar later, hebben mijn gezin en ik nog steeds ontzettend veel last van alle gevolgen. Lichamelijke schade en problemen: nooit meer kunnen fietsen, geen trap kunnen lopen, met een rollator moeten lopen, een scootmobiel moeten gebruiken voor de langere afstanden, constant erge pijn in het lichaam.